reportage

Bij de onafhankelijkheid van Slovenië werden ze ‘uitgewist’. Nu wachten ze al 30 jaar op excuses: ‘Ik heb als een hond geleefd’

Irfan Beširevic verliet als plotselinge ‘illegaal’ zijn vrouw en jonge zoon om hen niet in de problemen te brengen. Beeld Marlena Waldthausen
Irfan Beširevic verliet als plotselinge ‘illegaal’ zijn vrouw en jonge zoon om hen niet in de problemen te brengen.Beeld Marlena Waldthausen

Toen Slovenië zich afsplitste van Joegoslavië, verloren 25 duizend burgers al hun rechten. Ze werden zonder verklaring uit de basisadministratie gewist. Tot de dag van vandaag merken ze de gevolgen. ‘Ik ben alles kwijtgeraakt.’

Irfan Beširević werkte begin jaren negentig als ober in het majestueuze Palace Hotel in Portoroz, aan de Sloveense kust. Hij bediende er beroemde politici, zoals de huidige premier Janez Janša en de eerste president van de republiek, Milan Kučan. Hij vertelt het niet zonder trots, terwijl hij de ene na de andere sigaret rookt in een terrastuin in Ljubljana.

Het land had zich op dat moment, in de nazomer van 1991, net losgemaakt van Joegoslavië. Beširević’ ouders waren in 1959, toen hij een baby van 1 jaar was, vanuit Bosnië naar Slovenië gekomen om er te werken. Zelf wist hij niet anders dan dat hij in Ljubljana woonde, Sloveens sprak en er naar school ging, als staatsburger van Joegoslavië. Dat hij een Bosnische moslim was, deed er niet toe. ‘In mijn jeugd was er weinig nationalisme.’

Politiek was voor Beširević ver weg, totdat het Joegoslavische bouwwerk begin jaren negentig in elkaar stortte. Slovenië was net onafhankelijk toen hij de nieuwbakken president Kučan aan een tafel in het chique hotel aan zee zag zitten. Beširević besloot hem een vraag te stellen waar hij sinds kort mee rondliep.

Wat zou er, nu Slovenië onafhankelijk was, gebeuren met de inwoners uit andere Joegoslavische republieken, zoals zijn ouders en hijzelf? Niets, antwoordde Kučan hem geruststellend. Alles zou bij het oude blijven. Het was niet echt een belofte, zegt Beširević, maar voor Kučan eerder een vanzelfsprekendheid.

Amper een jaar later, in april 1992, gaat Beširević naar het gemeentekantoor om zijn identiteitskaart te vernieuwen. De beambte neemt zijn oude document in, geeft het geperforeerd terug en deelt Beširević mee dat hij geen nieuwe kaart kan krijgen. Hij komt niet in het systeem voor.

Voor Beširević beginnen op die dag tien jaar waarin hij als illegaal door het leven gaat, zwart werkt en geen recht heeft op gezondheidszorg, die hij door de naweeën van een auto-ongeluk juist hard nodig heeft. Hij vertelt aan bijna niemand wat er gebeurd is, maar verlaat zijn vrouw en jonge zoon, omdat hij bang is hen in zijn problemen te betrekken.

De dertiger begrijpt niet goed wat er mis is, maar denkt dat hij zelf iets verkeerd heeft gedaan. Hij weet dan nog niet dat op 26 februari 1992 enkele tienduizenden mensen in één keer uit de Sloveense administratie gewist zijn. De meesten hebben wortels in andere delen van Joegoslavië, maar dat geldt niet voor iedereen. Onder de uitgewisten is ook zijn eigen broer, maar omdat ze elkaar niets durven te vertellen, komen ze er pas jaren later achter dat hetzelfde noodlot hen getroffen heeft.

Deportaties

De uitwissing was een beslissing van het ministerie zonder wettelijke basis, legt jurist Katarina Vučko uit. Dat oordeelde het Sloveense hooggerechtshof zelf in 1999, maar toen was het kwaad al geschied. Vučko interviewde als onderzoeker aan het Peace Institute in Ljubljana tientallen slachtoffers van de rampzalige ingreep. ‘Het wreedste was dat mensen er niet eens over geïnformeerd werden.’

Zo’n 25 duizend anderen kwamen er net als Irfan Beširević pas achter dat er iets mis was op het moment dat ze een officieel document nodig hadden. Een deel van de uitgewisten die zich niet geldig konden legitimeren werd zonder enige vorm van proces gedeporteerd naar de grens met Kroatië. Dertig jaar later is nog steeds niet helemaal duidelijk hoe het beslissingsproces destijds verliep en waarom de Sloveense regering tot de wrede bureaucratische maatregel overging.

Vučko denkt dat een economisch motief meespeelde, want op een kleine bevolking van twee miljoen betekende de uitwissing in een klap 25 duizend burgers minder om wie de uitgebreide verzorgingsstaat zich hoefde ontfermen. Maar de belangrijkste motivatie was ideologisch, zegt Vučko.

De ‘buitenlandse’ burgers van Slovenië hadden na de onafhankelijkheid namelijk een half jaar de tijd gekregen om permanent verblijf aan te vragen. Wie dat niet gedaan had, werd door nationalisten beschouwd als een landverrader die tegen de onafhankelijkheid was.

Oud-rechter Matevž Krivic staat de ‘uitgewisten’ juridisch bij. Beeld Marlena Waldthausen
Oud-rechter Matevž Krivic staat de ‘uitgewisten’ juridisch bij.Beeld Marlena Waldthausen

Daarom leefde in Slovenië lange tijd het beeld dat de uitwissing alleen mensen trof die voor het Joegoslavische leger hadden gevochten tégen Slovenië. Daardoor konden de uitgewisten aanvankelijk op weinig sympathie rekenen, maar van dat beeld klopt weinig, zegt Matevž Krivic (78) beslist.

De voormalig rechter van het Sloveense hooggerechtshof zet zich sinds 2002 in voor de rechten van de uitgewisten en staat hen pro deo bij in rechtszaken. Van de 25 duizend waren er hooguit vijfhonderd mensen tussen die in het Joegoslavische leger hadden gediend, zegt Krivic.

Er zijn dus tientallen andere redenen waarom mensen hun verblijfsvergunning niet op tijd binnen hadden. Zo wist Irfan Beširević niet eens dat een aanvraag nodig was, laat staan dat er een harde deadline bestond. Hij ging er, zeker na de geruststellende woorden van president Kučan, van uit dat hij met zijn Joegoslavische paspoort goed zat.

Hooggerechtshof

Ook tijdens zijn uitgewiste jaren bleef Beširević in cafés werken. Zwart, dus hij was altijd bang om ontdekt te worden. Hij wist toen nog niet dat de helft van het personeel en de klanten ook uitgewist waren, want niemand durfde erover te spreken.

Pas in 2002 volgde een doorbraak, die zich aankondigde als een nachtmerrie. De politie viel het café binnen, Beširević werd opgepakt en kwam in een asielzoekerscentrum terecht. ‘Morgen ga je naar Sarajevo’, kreeg hij te horen.

Een maatschappelijk werker kreeg lucht van het verhaal en wees hem op zijn rechten. Ze vertelde hem dat deportatie illegaal was en dat hij volgens de beslissing van het Sloveense hooggerechtshof uit 1999 recht had op permanent verblijf.

Voor het eerst in tien jaar voelde Beširević diepe opluchting. Het had toch niet aan hem gelegen en hij was bovendien niet de enige. Na een nogal absurd verplicht integratieproces te hebben doorlopen – hij haalde een 10+ voor de taalcursus, vertelt hij vrolijk – kreeg Beširević op 13 oktober 2003 eindelijk zijn Sloveense documenten terug.

Schadevergoeding

Maar ondanks beslissingen van het hooggerechtshof en het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, die beide oordeelden dat de uitwissing illegaal was en ongedaan moest worden gemaakt, zijn de problemen nog altijd niet voor iedereen opgelost.

Ongeveer de helft van de uitgewisten kreeg hun verblijfsstatus terug, van wie een deel ook Sloveens staatsburger geworden is. Anderen kregen of behielden de nationaliteit van hun ‘eigen’ land, maar een enkeling is nog altijd stateloos.

Hamida Ajrizi: ‘Tot 2007 heb ik als een hond geleefd.’ Pas sinds dat jaar heeft ze het recht in Slovenië te verblijven. Beeld Marlena Waldthausen
Hamida Ajrizi: ‘Tot 2007 heb ik als een hond geleefd.’ Pas sinds dat jaar heeft ze het recht in Slovenië te verblijven.Beeld Marlena Waldthausen

In een klein flatje in een buitenwijk van Ljubljana haalt Hamida Ajrizi (34) haar vreemdelingenpaspoort met een misprijzend gezicht tevoorschijn. Haar moeder vertrok in 1992 met haar en haar zus vanuit Slovenië, waar ze geboren werd, naar Duitsland. Ze zijn Roma, maar haar moeder had voor vertrek wel geldige Joegoslavische papieren uit Servië.

Toen de familie in 2001 terugkeerde naar Slovenië en de toen 14-jarige Ajrizi hoge koorts kreeg, ontdekte haar moeder pas dat er iets grondig mis was, toen het haar met geen enkele mogelijkheid meer lukte om haar gezin weer in het zorgsysteem in te schrijven.

Er volgden moeilijke jaren, met veel heen- en weerreizen tussen Slovenië en Duitsland. ‘Tot 2007 heb ik als een hond geleefd’, zegt Ajrizi somber. Pas in dat jaar kreeg ze, na de tragische dood van haar peuterzoon, eindelijk het recht om in Slovenië te verblijven, al moet ze de vergunning nog steeds ieder half jaar verlengen.

Ze zou wel staatsburgerschap aan kunnen vragen, maar heeft het geld voor de benodigde examens niet. Ook is ze bang om te zakken en het hele proces nog eens te moeten doorlopen. Met hulp van oud-rechter Krivic is ze nu bezig met een civiele procedure, om een hogere schadevergoeding van Slovenië te eisen voor de uitwissing.

Het Europees Hof verplichtte het land in 2013 namelijk tot het betalen van schadevergoedingen, maar die bedraagt slechts 50 euro per maand dat de uitwissing geduurd heeft. Voor Irfan Beširević, die geheel buiten zijn schuld tien jaar onder de radar moest leven, in die tijd geen pensioen opbouwde en geen gezondheidszorg kon krijgen, komt dat neer op een bedrag van 6.000 euro.

Zwarte bladzijde

De afwikkeling verliep bovendien uiterst moeizaam, omdat veel slachtoffers in het buitenland wonen en lang niet iedereen op tijd op de hoogte was gebracht van de regeling, die na drie jaar verliep. Slechts achtduizend mensen dienden een claim in. Toch is het geld niet waar Beširević, die moeilijk loopt omdat hij in beide benen slecht behandelde trombose heeft gehad, zich het drukst om maakt.

De izbrisani, zoals de uitgewisten in Slovenië heten, zijn nog steeds een gevoelige zwarte bladzijde, die vooral de rechterzijde liever ontkent of bagatelliseert. Maar voor Beširević valt er niets kleiner te maken. Dertien jaar lang had hij geen contact met zijn zoon, uit angst dat hij hem en zijn ex-vrouw met zijn illegaliteit in de problemen zou brengen. Ook de schade aan zijn gezondheid is nooit meer terug te draaien. ‘Ik ben alles kwijtgeraakt.’

Op 26 februari is het precies dertig jaar geleden dat ambtenaren de namen uitwisten, maar nog steeds zijn er geen officiële excuses gemaakt. Een minister van binnenlandse zaken bood in 2010 wel excuses aan, net als twee parlementsvoorzitters, maar voor Beširević is dat niet genoeg.

Hij wil erkenning voor zijn leed van de premier en het staatshoofd, al weet hij dat de kans daarop onder de huidige rechts-populistische regering nihil is. Ook hoopt hij op excuses van Milan Kučan, de president die hem jaren geleden in de chique hotelbar zo onterecht geruststelde.

Het uiteenvallen van Joegoslavië

Na de dood van leider Tito in 1980 namen de etnische spanningen in Joegoslavië toe. Het land bestond sinds de Tweede Wereldoorlog en was een communistische federatie van zes republieken: Slovenië, Kroatië, Servië, Bosnië Herzegovina, Montenegro en Macedonië. Na de dood van Tito, een belangrijke verbindende factor, begonnen steeds meer republieken naar onafhankelijkheid te verlangen.

Vooral het relatief welvarende Slovenië en Kroatië waren ontevreden omdat zij relatief veel bijdroegen aan het federale budget, maar naar hun mening te weinig inbreng hadden bij de regering in Belgrado. Eind jaren tachtig belandde Joegoslavië in grote economische moeilijkheden, die de tegenstelling tussen enerzijds Servië en anderzijds Slovenië en Kroatië verder verscherpten.

Uiteindelijk riepen zowel Slovenië als Kroatië hun onafhankelijkheid uit op 25 juni 1991, na binnenlandse referenda. Voor Slovenië volgde een tiendaagse oorlog tegen het door Servië gecontroleerde Joegoslavische leger. In Kroatië zou de onafhankelijkheidsoorlog nog tot 1995 duren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden