Reportage Suriname

Bij de Marrons in Suriname zijn de gevolgen van slavernij nog volop voelbaar

Kenneth Lazo staat op de steiger in de Saramaccarivier, lange tijd de enige verbinding van het dorp Santigron met de buitenwereld. Beeld Guus Dubbelman

Op bezoek bij de Marrons, de boslandcreolen die zichzelf al in 1760 bevrijdden van de slavernij. Ruim een eeuw dus voordat op 1 juli 1863, zondag precies 155 jaar geleden, de slavernij officieel werd afgeschaft. ‘10 oktober 1760 is een dag die we elk jaar herdenken. Dat is voor ons het echte einde van dat slavernij-ding.’

‘Stop’, zegt Kenneth Lazo. ‘Hier mag je niet verder, dit is een gebedsruimte.’ Hij heeft al eerder plekken in zijn dorp aangewezen waar ‘contact met de voorouders’ wordt gelegd. Sacrale plaatsen dus. Maar wat de bezoeker feitelijk ziet, is enkel dit: een groepje kletsende jongeren dat televisie zit te kijken.

De 49-jarige Lazo, de gids in Santigron die een bontgekleurde doek om de rechterschouder heeft geknoopt, ziet mogelijk dingen die voor een niet-Marron onduidelijk blijven. Hij leeft met een geschiedenis die voor anderen is verborgen.

Het maakt zijn rondleiding door het dorp tot een soms verwarrende wandeling. Ook voor Kenneth Lazo zelf. Nog niet zo heel lang geleden leefden hij en zijn pakweg achthonderd medebewoners van Santigron tamelijk afgescheiden van de rest van Suriname, net als andere zogeheten boslandcreolen. Toen werd een verharde weg aangelegd. Kwam ook in zijn dorp mobiele telefonie. En gingen jongeren uit verveling televisie kijken in plaats van de voorouders vereren.

De boslandcreolen, tegenwoordig meestal Marrons genoemd, zijn net als de Creolen in Suriname van Afrikaanse oorsprong. Het grote verschil tussen beide groepen is dat de Marrons als slaafgemaakten in de vroegere Nederlandse kolonie terechtkwamen, maar ‘zichzelf bevrijdden’ ruim voordat, op 1 juli 1863, deze zondag 155 jaar geleden, de afschaffing van de slavernij werd geproclameerd.

Lazo’s voorouders waren de slavenplantages ontvlucht en hadden in het oerwoud van Suriname eigen gemeenschappen opgericht. Al in 1760, een eeuw voor het einde van de slavernij, hadden de eerste Marron-groepen vrede gesloten met de blanke bestuurders. Andere Marrons, zoals de beroemde verzetsheld Boni, bleven strijden tot de dood.

Kenneth Lazo bij de steen die het dorp Santigron markeert. Beeld Guus Dubbelman

Vlak bij het ‘roze huis’ van Santigron, waar menstruerende en dus ‘onzuivere’ vrouwen verblijven tot het einde van hun ongesteldheid, is de gemeenschapsruimte van het dorp. Dansi Waterberg is een van de ‘kapiteins’, de lokale bestuurders van Santigron. ‘Soms vieren we 1 juli, soms niet’ zegt hij. ‘Maar 10 oktober 1760 is een dag die we elk jaar herdenken. Dat is voor ons het echte einde van dat slavernij-ding, dat voor de Nederlanders natuurlijk een vorm van zakendoen was. Gewoon, als een bedrijf. Op 10 oktober vieren we dat wij als vrije mensen over ons eigen leven kunnen beschikken.’

Kenneth Lazo bij een “Heilig Huis” in het Marrondorp Santigron. Beeld Guus Dubbelman

Junglecommando

De binnenlandse oorlog in Suriname - toen tussen 1986 en 1992 het zogeheten Junglecommando van de Marron Ronnie Brunswijk vocht tegen het leger van Desi Bouterse, van wie Brunswijk een lijfwacht was geweest - heeft het leven en de cultuur van de boslandcreolen fors overhoop gehaald.

Veel Marrons vluchtten, naar Frans-Guyana of de hun onbekende grote stad Paramaribo. Hun eeuwenoude leefgebied is sinds die tijd steeds meer het terrein geworden van al dan niet illegale houtkappers en goudzoekers, met Brunswijk overigens zelf als een van de rijke en machtige mannen die grote stukken grond zeggen te beheren. De Marrons krijgen ondertussen veel kinderen. Maar genieten vaak weinig aanzien.

‘Wij Creolen of Marrons zijn natuurlijk allemaal afkomstig uit dezelfde Afro-Surinaamse groep,’ meent de historicus en slavernijkenner Marlyn Aaron-Denz. ‘Maar we laten ons nog altijd tegen elkaar uitspelen. Vroeger deed de kolonisator dat, nu doen we het vaak zelf.’ 

'Als we samen zouden optrekken, zouden we veel verder kunnen komen'

Marrons gelden als ‘minder’, omdat zij vaak een meer donkere huidskleur hebben dan Creolen. En Marrons voorkomen dat Creolen buiten de stad grondrechten verwerven. ‘Als we samen zouden optrekken, niet zielig maar trots, zouden we zo veel verder kunnen komen.’

Vrouwen bereiden een maaltijd voor in het dorp Santigron. Beeld Guus Dubbelman

Dat dat lang niet altijd lukt, heeft volgens Kenneth Lazo, de gids in Santigron, nog een andere reden. ‘In Suriname bestaat bij alle bevolkingsgroepen, ook bij Hindoestanen en Javanen, nog altijd het idee dat je pas succesvol kunt zijn als je je ‘als Nederlandertje’ weet te gedragen. Kijk maar hoe ons onderwijs is vormgegeven. Nog altijd met een Nederlandse bril. Wie met heel andere, eigen ideeën komt, wordt al snel veroordeeld. Dan fronsen mensen hun wenkbrauwen. En al helemaal als die ideeën komen van iemand met een heel donkere huidskleur.’

Lazo loopt door zijn dorp, tussen de houten hutten in driehoeksvorm en de grotere, stenen gebouwen. Hij wijst op bomen en struiken, plukt kruiden en legt uit hoe zijn gemeenschap aan de oever van de kronkelende Saramacca-rivier ooit vrijwel zelfvoorzienend was. Zoals dankzij de krappa. ‘Als uit deze boom een noot valt, en die blijft liggen, dan komt er vanzelf weer een nieuwe boom. Maar je kunt hem ook gebruiken om notenolie te maken. De Marron haalt alles uit het bos. En verspilt niets. Kijk, hier zie je de opengespleten pitten van vruchten. Daar maken we ritmische enkelbanden van. Salomon kan je hier nog veel meer over vertellen. Wacht, laat me even kijken of ik hem kan bellen.’

De Pier van het dorp Santigron aan de Saramaccarivier, lange tijd de enige entree van het Marrondorp. Beeld Guus Dubbelman

Bij een andere gebedsruimte dan die met de televisie hangt een gordijn. Niet-Marrons mogen hier niet de drempel over. ‘Mensen komen hier om te bidden tot de geest van de slang. De witte slang op het altaar. Dat doen we om familieproblemen op te lossen. Of dat werkt? Wij geloven van wel.’

Keti Koti: Verbroken Ketenen

Frans Paulus Banjo is een van de andere ‘kapiteins’ van Santigron. De 71-jarige mijmert over de herdenking van ‘Keti Koti’ (Verbroken Ketenen), de officiële afschaffing van de slavernij, die ook voor de Surinaams-Nederlandse gemeenschap nog altijd van grote betekenis is.

‘Herdenken is belangrijk. De gevluchte Marrons hadden het misschien minder moeilijk dan de slaven op de plantages. Maar de emancipatie van de vroegere slaafgemaakten is voor iedereen belangrijk. Ook voor de Nederlander. Een bosneger pleegt niet snel een moord, want de vloek daarvan blijft generaties lang over je hangen. Zo zie ik het ook met de slavernij. De Nederlanders brachten de Afrikanen als slaven naar Suriname. Dat is een vloek. En daarvoor moet je je ook in 2018 nog verantwoordelijk voelen.’

Burgemeester Aboutaleb: Kabinet moet excuses maken voor slavernij 

De Rotterdamse burgemeester Ahmed Aboutaleb roept het kabinet op dit gebaar te maken. 'Voor het leed dat tienduizenden is berokkend. Om definitief een punt te zetten achter deze donkere bladzij uit de geschiedenis.'

De geschiedenis van de slavernij moet verplichte lesstof zijn
Overheidsadviseur en oud-PvdA-Kamerlid Amma Asante veranderde radicaal van standpunt over het oprakelen van het slavernijverleden, vertelde ze vorig jaar.  

Portugal ziet zijn slavernijverleden voorzichtig onder ogen

De Portugezen zijn ongekend trots op hun zeevaardersverleden. Zelfs over hun rol in de mondiale slavenhandel hebben ze jarenlang een ethisch verantwoord sausje gegoten. Maar daarin komt verandering.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.