Bhutan houdt vast aan sacrale sfeer

De samenleving van Bhutan is doordrenkt van religie. Niet alleen de vogels cirkelen drie keer rond kloosters en tempels, ook veel Bhutanezen doen dat wanneer ze een heiligdom passeren....

Bijna geruisloos zet Rinzin, de gastheer en excursieleider van de dag, het eten op tafel. In Bhutan is dat voornamelijk rijst. De maaltijd is volgens lokaal gebruik compleet want hemadatsi, het nationale gerecht van gedroogde rode pepers in kaassaus, ontbreekt niet. Het moet de rijst wat smaak geven.

De rode groente doet iets meer. Eén mespuntje verandert de witte rijstberg in een vurige vulkaan. De mond snakt naar water, de maag wordt ondersteboven gekeerd, de kleren worden nat van het zweet. Een voordeel is dat de lichaamstemperatuur flink oploopt. Dat kan geen kwaad in de slecht verwarmde en tochtige huizen van het koninkrijk, hoog in de Himalaya.

Zoals het nationale gerecht het lichaam in de war schopt, brengt Bhutan de geest in verwarring. Het land van de donderende draak, zoals het in de nationale taal heet, laat je geen moment los. De inwoners lopen verplicht in klederdracht, de huizen en andere bouwsels - tot het stoplicht toe - zijn opgetrokken volgens strenge boeddhistische, architectonische regels.

Soms hebben boerderijen symbolen op de gevel in de vorm van opgerichte penissen. Die zijn een teken van vruchtbaarheid en moeten de boze geesten verdrijven. Alles bijeen geeft het de toerist de indruk rond te reizen in een soort boeddhistisch Marken, maar dan met 700 duizend inwoners in een land iets groter dan Nederland.

Gids Rinzin is de bewaker van de zwartnek-kraanvogel, een zeldzame vogelsoort, waarvan er naar schatting van het Wereld Natuur Fonds (WNF) nog twee- tot drieduizend in de Himalaya leven. In de Phobjikha-vallei waar Rinzin zijn boerderij heeft, zitten er 106. En ook deze vogels wakkeren de religieuze gevoelens van de Bhutanezen aan.

De kraanvogels overwinteren in de barre vallei op drieduizend meter hoogte, honderd kilometer ten oosten van de hoofdstad Thimphu. In april vertrekken ze om te broeden naar het noorden, naar Tibet waar 's zomers voldoende koele valleien zijn. Want de kraanvogel houdt niet van de warmte, verklaart Rinzin.

Conflicten tussen vogel en mens in de Phobjikha-vallei vallen mee. Er was een project om de aardappelteelt te verbeteren, maar dat is niet doorgegaan. De vogel kan zijn gang blijven gaan. Sterker nog: als hij niet komt, is dat een teken van rampspoed, aldus Rinzin via een tolk.

Vanuit het raam van zijn woonkamer overziet hij de vallei; wanneer hij iets vreemds ziet, tuurt hij langdurig naar buiten. De steenkoude kamer is behangen met prullaria. Foto's van de vier opeenvolgende koningen van het land hangen prominent aan de muur.

Wanneer Rinzin de houtkachel aansteekt, wordt het benauwd, want de schoorsteen trekt matig. Gelukkig is het huis slecht geïsoleerd, dus komt er nu en dan wat frisse lucht binnen. De rook in de kamer maakt duidelijk waarom de levensverwachting van de gemiddelde Bhutanees zo laag is: 48 jaar. Het scherpe eten met al die pepers doet de gezondheid waarschijnlijk ook geen goed.

's Avonds is er alleen in de huiskamer van de herberg elektrisch licht. Op het dak zit een zonnepaneel dat overdag een accu laadt. Met de stroom kan een kleine tl-buis de huiskamer een uur of tien redelijk verlichten. In de overige, steenkoude kamers zijn kaarsen nodig om voor het slapen wat te kunnen lezen.

De zwartnek-kraanvogels zijn zo zeldzaam dat toeristen in de herfst, wanneer het weer nog mooi is en de moesson voorbij, deze primitieve overnachting voor lief nemen. Het zijn er zoveel dat het WNF enige jaren geleden een vogelobservatiehut heeft gebouwd. Het bouwsel biedt de vogelliefhebbers beschutting tegen de kou en schermt de westerse bezoekers met hun soms fel gekleurde kleding af van de vogels. De hut is om onduidelijke redenen niet opgetrokken in de traditionele bouwstijl, maar onderweg houdt een chorten, een offerplaats, de herinnering aan het boeddhisme warm.

Het bezoek aan de overnachtingsplaats 's avonds is niet tevergeefs. De vogels komen terug om te rusten. In een half uur landen er zeker zestig, rustig cirkelend in de nauwe vallei om aan hoogte te verliezen. Hun vlucht lijkt op die van de ooievaar, alleen sierlijker en vloeiender. Ze maken een hoog en klaaglijk geluid dat in de doodstille vallei kilometers ver te horen is.

De vogels betekenen veel voor Rinzin. 'Het zijn heilige vogels. Ze maken drie grote cirkels met de wijzers van de klok mee boven het klooster hier in de buurt voordat ze naar Tibet vertrekken.'

Het is de zoveelste aanwijzing dat de samenleving is doordrenkt van religie. Niet alleen de vogels cirkelen drie keer met de klok mee rond kloosters en tempels, het is een gewoonte van veel Bhutanezen wanneer ze een heiligdom passeren.

De Dochu-pas (iets meer dan drieduizend meter hoog) biedt bij helder weer een magnifiek uitzicht op de Himalaya-toppen, met als blikvanger de net geen 7500 meter hoge Gangkar Punsum, de hoogste berg van het land. Op de rustige asfaltweg - er passeert hooguit een auto per kwartier - komt een versierde vrachtwagen aangereden. Aandacht voor het panorama heeft de chauffeur niet, maar hij neemt wel de tijd om op de pas linksom drie rondjes te rijden om de chorten.

De pas wordt gemarkeerd door een aantal relikwieën. Behalve de chorten is er een bidmuur waar in de lokale taal (het Dzongkha) de Heer in de Lotus om bescherming wordt gevraagd op de verre en gevaarlijke reis. Er hangen gebedsvlaggen, lange stokken met veelal witte doeken met teksten van gebeden. Ze wapperen in de altijd waaiende wind en verspreiden de boodschap van Boeddha over het land en de wereld.

Gebedsvlaggen en chortens zijn op tal van plaatsen te zien. De districtskantoren van de overheid, de dzongs, zijn imposante witte gebouwen met gele daken op strategische plaatsen, waar het bestuur en de geestelijkheid zetelen. Verder is de religie aanwezig door de vele kloosters en tempels waar de gelovigen aan gebedsrollen kunnen draaien en een bankbiljet mogen offeren voor het beeld van Boeddha in ruil voor een wens.

De woonhuizen versterken dit beeld met boeddhistische tierelantijntjes. Op veel daken wappert een vlag als bewijs dat de bewoners aan hun religieuze verplichtingen hebben voldaan. Maar het versieren van huizen en gebouwen gaat soms ver. Zelfs op de enige stuwdam van het land, waarheen alleen een doodlopende weg voert en die dus geen toevallige passanten kent, zijn versierselen aangebracht. In de ondergrondse elektriciteitscentrale met een twaalf meter hoge hal wordt de hand gelegd aan twaalf grote schilderijen die de levensloop van Boeddha uitbeelden. Er zijn acht panelen klaar. Als ze alle twaalf af zijn, komt het plafond aan de beurt.

De religie is nog nadrukkelijker aanwezig op de tocht naar Taktsang, de meest bekende tempel van het land, ook Tigers Nest genoemd. Op folders van Bhutan pronkt een foto van dit bouwwerk dat hooggelegen en bijna onaantastbaar boven steile bergwanden ligt. Toch is het te voet bereikbaar.

Tigers Nest is het beroemdste bedevaartsoord, zonder dat dit leidt tot vertoningen zoals bij de katholieken, waar gelovigen soms hele stukken op de knieën afleggen als boetedoening. Het boeddhisme is een wat aangenamere godsdienst; de wandeling is wel vermoeiend, maar mag gewoon te voet worden afgelegd.

Het dorp dat we onderweg passeren, heeft talrijke gebedsrollen die met stromend water worden aangedreven. Ze blijven dag en nacht draaien en raken bij elke omwenteling een bel.

Na een fikse klim door het bos zien we een veld met gebedsvlaggen bij een provisorisch gebouwde tempel. Tigers Nest komt steeds dichterbij. De gids stopt echter bij dit punt. 'Tot hier en niet verder. Als je als toerist verder wilt, moet je een vergunning hebben.' Zelf daalt en klimt hij langs steile trappen naar het heiligdom. Onderweg wordt hij ingehaald door een van de monniken die het heiligdom bewaken. Op zijn rug draagt de geestelijke een radio, die het nieuws meldt.

In de belangrijkste ruimte staat een beeld van de geestelijke Guru Rinpoche, die het boeddhisme naar Bhutan heeft gebracht. Hij arriveerde in de achtste eeuw op de rug van een tijgerin en begon de bekering vanuit de heiligverklaarde plek. Later kwamen zijn stoffelijke resten hier terecht, wat voldoende aanleiding was om er in de veertiende eeuw drie tempels te bouwen.

Dat de toeristen de heiligdommen en de dzongs niet mogen bezoeken, heeft te maken met het beleid van het land. De regering wil de sacrale sfeer in stand houden, de monniken moeten ongestoord kunnen mediteren, studeren en zingen. Aan toestanden als bij de St Pieter in Rome, waar toeristen in- en uitlopen, hebben ze in Bhutan geen behoefte.

Dat zal ook niet snel gebeuren, want een toerist komt het land niet zomaar in. Daarvoor heeft hij een goed gevulde portemonnee nodig. Niet om de ambtenaren om te kopen (daar zijn ze niet gevoelig voor, zegt iedereen), maar om de gepeperde tarieven te betalen die de overheid vraagt.

Tot enige jaren terug mochten maximaal 2500 toeristen per jaar de bergstaat in, maar dat was in de tijd dat er maar één staatsreisbureau was. Sinds 1992 is dat geprivatiseerd en nu vechten 33 particuliere bureaus om de markt. Het quotum is afgeschaft en er wordt gemikt op vierduizend personen per jaar. De overheid bepaalt de tarieven die een reiziger per dag kwijt is. De reisbureaus concurreren met service en kwaliteit.

De tariefstructuur was tot dit jaar ondoorzichtig omdat het land was onderverdeeld in drie zones: een luxe zone rond de hoofdstad, waar redelijke tot goede hotels zijn, een tussenzone met mindere hotels, en de afgelegen gebieden met minder luxe voorzieningen zoals in de kraanvogelvallei. De dure zone kost 120 dollar per dag, de primitieve negentig. Van dat geld gaat ongeveer een derde deel naar de regering.

In dat bedrag is alles inbegrepen: auto met chauffeur, eten, overnachting en een gids/tolk. Alleen de drank is voor rekening van de reiziger. Dat de hotels soms kwalitatief wat minder zijn, moet de toerist voor lief nemen. 'Ze komen niet voor goede hotels naar Bhutan. Dan kunnen ze beter elders op vakantie gaan', redeneert de overheid.

Sommige reisbureaus maakten misbruik van de regeling en zeiden hun gasten goedkoop onder te brengen. Dan hoefden ze weinig af te dragen. In werkelijkheid berekenden ze het hoge tarief zodat ze zelf meer geld verdienden, onthulde de enige Bhutanese krant, Kuensel, onlangs.

De tarieven voor 1995 zijn duidelijker: de bezoeker moet rekenen op tweehonderd dollar per hotelnacht tijdens een culturele reis en 120 dollar voor een trektocht, waarbij 's nachts wordt gekampeerd.

De beste tijd om het geld uit te geven is in de lente en de herfst. In de lente staan de planten in bloei en is de temperatuur dragelijk. Het wordt op tweeduizend meter dan maximaal een graad of dertig. In de zomer barst de moesson los. In de bergen betekent dat geen aanhoudende regenval zoals bijvoorbeeld op sommige plaatsen in India, maar de kans is groot dat wegen vanwege aardverschuivingen tijdelijk worden gesloten.

Het najaar is het tweede hoogseizoen. Het is nog niet zo koud als hartje winter, wanneer sneeuw en vorst in grote delen van Bhutan (Thimphu ligt op 2400 meter) niet ongewoon zijn. Vanwege de gebrekkige verwarming in de hotels is een verblijf dan niet altijd aangenaam.

In 1994 brachten vierduizend toeristen ongeveer vier miljoen dollar binnen. De regering vergaart op deze wijze flink wat geld zonder dat het land een massale toeloop krijgt te verwerken zoals Nepal, waar met name in de jaren zeventig duizenden rugzaktoeristen voor minder dan vijf dollar per dag goedkoop vakantie vierden.

De toerist is ook verplicht het land binnen te komen of te verlaten met de koninklijke Bhutanese luchtvaartmaatschappij Druk Air. Die hanteert hoge tarieven voor de korte vlucht naar Delhi, Calcutta of Dacca vanaf het enige vliegveld, in Paro op 2100 meter hoogte. Daar mag alleen Druk Air met kleine vliegtuigen landen en opstijgen. Voor grote vliegtuigen is de landingsbaan te kort en de lucht te ijl.

Naast de religieuze overrompeling krijgt de toerist heel wat onbedorven natuur te zien. Bhutan is klein, zoiets als Zwitserland, maar binnen de grenzen liggen op driehonderd meter hoogte dampende, vochtige oerwouden met olifanten en tijgers, en op 7500 meter hoogte, op de grens met Tibet, de toppen van de Himalaya met eeuwige sneeuw.

De boomgrens ligt niet zoals in de Alpen op tweeduizend meter hoogte, maar op vierduizend. En zelfs boven de drieduizend meter lijken de ongerepte bossen op een oerwoud, waar volop bomen met grillige baardmossen groeien. De sneeuw langs de weg maakt echter duidelijk dat we ons niet in de tropen bevinden. Op die kille hoogte zijn vele soorten rododendrons te vinden. Zeldzame apen (hoelmannen) spelen in roodbloeiende koraalbomen en blijven keurig zitten wanneer de auto stopt.

In het land van de donderende draak wordt dit alles in stand gehouden en ook dit heeft Bhutan te danken aan het religieuze bewustzijn. Wie Nepal of de Alpen kent, weet dat veel berghellingen zijn ontbost waardoor vaak een troosteloos landschap achterblijft.

Maar niet in Bhutan. Het ontzag voor de levende dingen is in het boeddhisme groot als gevolg van de reïncarnatie-gedachte. Jacht is in Bhutan streng verboden en bomen zijn levende wezens (het kan een van je voorvaderen zijn), die je niet zo maar omkapt. Maar de religie is niet dogmatisch. Als je zelf een boom nodig hebt om je maaltijd te bereiden of een huis te bouwen, mag de bijl erin, na toestemming van de bosbeheerder. Buitenlandse ondernemingen maken echter geen enkele kans op een concessie om bossen te kappen.

In het verlengde van de visie over de natuur krijgt ook het milieu veel aandacht. Vervuiling is er nauwelijks en dat willen de machthebbers - koning, kerk en een elite in de hoofdstad Thimphu - zo houden. En de bevolking kan zich erin vinden, ondanks de niet geheel op de westerse democratie geschoeide staatsinrichting, waar de koning, getrouwd met vier vrouwen, veel macht heeft.

Aangezien de machthebbers een heldere visie hebben over de toekomst, lukt het aardig om Bhutan schoon te houden. Politiek gezien is de enige smet de uitzetting van enige tienduizenden Nepalezen een aantal jaar geleden in een poging te voorkomen dat allochtonen de meerderheid gingen vormen in het land.

Reizen door Bhutan lijkt soms op een tocht in de middeleeuwen. Ergens eindigt de asfaltweg bij een ingeslapen dorp met een door brand verwoeste dzong, waar uit de winkel annex café Bhutanese muziek klinkt.

Maar dan doemt de twintigste eeuw op. Op een bord geeft de regering voorlichting over aids. De ziekte krijg je niet van handen schudden of kussen. Vrij alleen met een vaste partner van wie je weet dat die niet is besmet en als het echt niet anders kan, gebruik dan een condoom. Zelfs in Bhutan.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.