Bezwaarsysteem creëert schijnhelderheid

DE vrouw die in Swaziland de plattelandskliniek binnenkomt, ziet er droevig uit. Drie maanden geleden kreeg ze bericht dat haar man in het buurland Zuid-Afrika was omgekomen bij een explosie in de mijn waar hij werkte....

Een maand later begon ze stemmen te horen, en dingen te zien die anderen niet zagen. Haar moeder had haar naar het psychiatrisch ziekenhuis gebracht. Nu zijn de stemmen weg, ze is weer thuis en komt haar maandelijkse dosis anti-psychoticum halen. Maar de medicijnen helpen niet tegen het piekeren.

In Swaziland begraaft men de doden thuis. Als voorouders blijven ze zich om hun nabestaanden bekommeren. Haar man is echter niet thuisgebracht. Misschien is hij het wel die haar met stemmen en visioenen kwelt. Als er geld was kon haar schoonvader afreizen naar de mijn waar zijn zoon was gestorven. Hij zou zijn zoon bij zijn naam noemen: 'Jozef, je vader roept je, kom! We gaan naar huis.' Thuisgekomen zou zijn vader hem vertellen: 'Kijk dan, je bent thuis. Wees tevreden en val ons niet langer lastig.'

Op een ander continent bezoeken Tibetaanse monniken een familie bij wie enige tijd geleden een oude vrouw gestorven is . Een week na haar dood begonnen de problemen. De koeien waren nog niet gemolken of de melk werd zuur, en de ene na de andere bewoner van het huis kwam in zijn dromen de gestorven vrouw tegen. De abt van het klooster stelde de diagnose: tante kan geen afscheid nemen. Ze is zo aan haar familie gehecht dat ze in het huis blijft zwerven. Hij heeft monniken gestuurd om haar met rituelen en gebeden de weg te wijzen naar het dodenrijk vanwaar ze opnieuw zal worden geboren.

Wie niet in voorouders of reïncarnatie gelooft, kan deze verhalen lezen als cultuurspecifieke manieren om het verlies van een geliefde persoon te hanteren. Culturele praktijken helpen mensen geleidelijk aan afscheid te nemen. In beide verhalen wordt het probleem van het loslaten bij de dode gelegd. Het ene ritueel brengt de dode thuis, het andere stuurt hem juist weg.

In onze cultuur wordt een problematisch verlopend rouwproces eerder gezien als een probleem aan de kant van de nabestaanden. We weten wel dat de dode weg is, maar we hebben zo'n moeite hem te laten gaan. Ook daarvoor zijn rituelen. Men hoeft niet in een leven na de dood te geloven, om de dode in rouwadvertenties te vertellen hoeveel men van hem houdt, of een brief te schrijven die men bij het graf begraaft.

Dergelijke rituelen getuigen ervan dat het sterven van een lichaam niet onmiddellijk de verbondenheid met nabestaanden verbreekt. De paradox is dat bij het sterven deze verbondenheid door nabestaanden juist zeer intens wordt beleefd.

In het artikel van Jan Lemmen over orgaandonatie (Forum, 21 februari) mis ik de erkenning van deze verbondenheid. In zijn pleidooi voor het geen-bezwaarsysteem voert hij de duidelijkheid van het systeem als argument aan. De wil van de overledene is bekend, want geregistreerd. De arts hoeft geen rekening te houden met de nabestaanden, en hen ook niet lastig te vallen. Tussen het individu en de staat die zijn organen nodig heeft voor andere burgers, nemen de micro-verbanden waarin mensen leven geen plaats meer in. Als CDA-woordvoerder Lansink ter verdediging van het geen-bezwaarsysteem zegt: 'Wij zijn van elkaar', bedoelt hij op dat moment met 'elkaar' het burgerdom en niet de nabestaanden met wie de dode verbonden is.

Ik schrik van zo'n geconstrueerde duidelijkheid. Of die micro-structuren in een regeling nu een plaats krijgen of niet, op het moment van sterven zijn ze een dwingende realiteit. Ook voor de arts die, zoals Lemmen dat zegt, beslist. Zou het voor een arts werkelijk gemakkelijker zijn als hij nabestaanden moet meedelen dat hun familielid klinisch dood is, dat deze niet als bezwaarde geregistreerd staat en dat ze dus de kamer moeten verlaten opdat men organen kan verwijderen?

Ik stel me voor dat de zorgopdracht van een arts zich bij een sterven ook uitstrekt tot de familie. Kan men nabestaanden op grond van een contract tussen de dode en de staat en op grond van een medisch klinisch criterium voor de dood, verplichten afscheid te nemen van iemand die op dat moment meer dan ooit van hen is en in hun beleving misschien geen dode is omdat zijn lichaam nog warm is, zijn hart, zij het kunstmatig, nog klopt? Volgens mij kan de arts dat alleen maar voorzichtig vragen, zoals hij dat nu ook al geacht wordt te doen.

Een beslissing over orgaandonatie die de directe omgeving van de dode buitenspel zet, creëert schijnhelderheid. Hoe men de verbondenheid van doden met hun nabestaanden ook vormgeeft, die verbondheid wordt als werkelijkheid beleefd. Als men artsen vraagt te bemiddelen tussen de dode, de familie en het algemeen belang, moet men hun ruimte geven om die beleving te respecteren. Bij orgaandonatie dienen de nabestaanden centraal te blijven staan.

Ria Reis

De auteur is cultureel antropoloog, verbonden aan de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.