Column

Bevroren woorden van onze grootste judoka

Judo

Willem Ruska is zeer leesbaar.

Terwijl ik dit schrijf, wordt Willem Ruska begraven. Ik stel een ruim graf voor. Ruska was onze grootste judoka, verfijnder dan Geesink, sneller, technischer. Een man van het pure judo, aldus de kenners. (Het moet maar eens uit zijn met de schaduw van Anton.)

Maar hoe groot is de grootste?

Er zijn relatieve antwoorden. In het Fries van 1970 betekende Ruska: Ard Schenk. En in het Braziliaans misschien zelfs: Pele. In zekere zin was hij onze Eddy Merckx, voor wie van wielrennen houdt.

Ook kan tot de verbeelding spreken: een anekdote. Na de Olympische Spelen van München, waar Ruska zoals bekend twee gouden medailles won, werd hij bondscoach van de heren. Voor de eerste training stroomde pers toe. Het werd geen succes, want wat Ruska voornamelijk deed, was zijn ongeveer dertig pupillen mores leren, zo ongenadig dat er na twee maanden nog maar tien jongens durfden op te dagen.

(Of maakt dit verhaal Ruska juist kleiner? Hij wilde altijd winnen. Behalve van Sylvia Witteman toen ze 6 was, zei ze.)

Soms heeft het zin de allerbeste zelf aan het woord te laten, maar vaker niet. Ik herinner me Mart Smeets die aan Bep van Klaveren vroeg hoe hij olympisch kampioen was geworden. 'Ik gaf hem gewoon een spetter op z'n murf', antwoordde de stokoude bokser. 'Maar had u geen speciale tactiek?' 'Ik verkocht hem gewoon een hak voor z'n kiezen.' 'Maar was er dan geen strijdplan?' 'Hij kon een peut tegen z'n hersens krijgen.'

De surreële ochtend in 2011 waarop ik Ruska in zijn rolstoel door Hoorn duwde, heb ik hem niks gevraagd. Waarom moest juist deze man, een fysiek genie, met zijn lichaam uit miljoenen, eenzijdig verlamd raken? Aan iets anders kon ik nauwelijks denken. Zelf vond Ruska het erger dat hij niet meer kon praten, vertelde zijn vrouw. De hersenbloeding die hem in 2001 trof, maakte hem tot een gijzelaar van zijn lijf én hoofd. Vertellen over judo kon hij al tien jaar niet meer.

Een troost is de levensschets die Wim Koesen in 1972 van Ruska maakte, een boekje dat Vallen & Opstaan heet (en in 2011 herdrukt is als Ruska), waarin zijn denken over judo, over topsport, over het leven buiten de mat, sprankelend is vastgelegd. Koesen heeft voorgoed Ruska's taal bevroren, zoals hieronder, over de aanloop naar een wereldkampioenschap:

'Je sluit je op, niemand kan geestelijk bij je komen. Je gaat harder trainen. Je gaat je conditie opfokken. Je martelt je lijf, je blokkeert je geest voor andere dingen dan zo'n kampioenschap, je traint met gewichten, je sjouwt heuvels op en af. Je wordt prikkelbaar. Ze moeten thuis hun mond houden. De kinderen moeten stil zijn. Ze moeten niet te veel tegen je kletsen. Je wordt een ontzettende egoïst. Je bouwt, steen voor steen, een soort verwachting op. Je verwaarloost je vrouw, je kinderen kun je nog maar nauwelijks accepteren. Je moet je ertoe dwingen om te zeggen: 'Ik heb twee kinderen, laat ik er maar een dag voor uittrekken.' En die dag beschouw je eigenlijk als tijdverlies. De hele tijd ben je met jezelf bezig. Deze geestelijke vernauwing duurt ruim een jaar. Langzaam groei je naar het kampioenschap toe.'

Aldus Willem Ruska.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.