Bevroren tot stolsels van de geest van hun tijd

Unser Jahrhundert. Menschenbilder - Bilderwelten. Museum Ludwig, Keulen. Tot en met 8 oktober. Catalogus: DM 78,-..

MICHAEL ZEEMAN

De merkwaardigste gewaarwording op de tentoonstelling 'Unser Jahrhundert' in het Museum Ludwig in Keulen had ik in de zaal waarin Jeff Koons' Jeff and Ilona (Made in Heaven) uit 1990 staat opgesteld, de laatste ruimte gewijd aan het sub-thema 'Glanz und Elend'. We zien, schaal 1:1, een geheel naakte Koons, met zijn in de grotere herenmaten uitgevoerde lid in de aanslag, zich uitstrekken over zijn minnares Ilona. Zij, op haar beurt, ligt in aanzwellende extase achterover en is weliswaar nog niet van alle lingerie ontdaan, maar wat er voor de seconden na deze momentopname in de planning ligt, laat zich tamelijk secuur voorspellen. Het hele tafereeltje speelt zich af op een ongemakkelijk bed van basaltblokken, waarop zich naast de twee pierewaaiers ook nog een ruim bemeten koperkleurige slang bevindt, vermoedelijk van het type boa constrictor.

Het is niet het ernstig particuliere karakter van de voorstelling die de toeschouwer verontrust, noch de natuurgetrouwheid waarmee de kunstenaar zichzelf en zijn wederhelft portretteerde. Zelfs de omstandigheid dat het zaakje eruit ziet als een aardewerken bibelot uit de Biedermeier-tijd, en daardoor tegelijkertijd verbluffend echt èn bespottelijk zoet is, is niet de grond voor die ongemakkelijke gevoelens. Het is een Koons-beeld, en zo zijn die dingen nu eenmaal, vrijbuiterig zigzaggend tussen kunst en kitsch, tussen cliché en ironie, of het nu om rozebillige varkentjes gaat of om parende mediasterren.

Waar het wringt is in de herinnering die het beeld oproept: hoe zat het ook weer, vijf, acht jaar geleden, waarom was er toentertijd zo'n opgewonden discussie over zijn werk, compleet met publieke verontwaardiging en kunstfilosofische verdedigingsstrategieën? En wie maakte zich er ook alweer druk om? Waar is dat varkentje trouwens gebleven en wat zegt het precies dat het zien van dit Koons-beeld nu - en ik denk dat het inwisselbaar is: het zou voor ieder beeld van hem gelden - geen enkele behoefte meer opwekt het weer eens over de verdiensten van dat beeld op zichzelf te gaan hebben, maar louter dwingt tot teruggaan, tot een bespiegeling op de effecten van dat beeld toen, toen het gemaakt en voor het eerst getoond werd. En, ten slotte, wat is er van die Koons geworden, zit die nog in de kunst en wat maakt hij dan, of heeft hij tegenwoordig ook een galerietje?

Het zijn die vragen die zich, soms in wat bescheidener vorm, soms met een wat andere nadruk, vaker voordoen op 'Unser Jahrhundert'. De tentoonstelling is gemaakt om de zeventigste verjaardag van de Duitse chocoladefabrikant Prof. dr dr h. c. mult Peter Ludwig, wiens immense collectie in het naar hem genoemde museum openbaar is gemaakt, luister bij te zetten. Het Keulse museum is overigens niet zijn enige: die man koopt kunst zoals een normaal mens bonbons koopt en strooit die uit in musea, als Kleinduimpje zijn steentjes.

Zijn collectie is al vaker bezongen en nu de tentoonstellingsmakers voor een essayistische opstelling van twintigste-eeuwse kunst uit zijn depots een paar honderd werken hebben vergaard, zie je andermaal hoe onuitputtelijk die is. Waar het hen om ging was niet zozeer een kunsthistorisch verantwoord overzicht van de ten einde nakende eeuw te bieden, maar om het zodanig opstellen van al die werken dat er een bewering uit zou spreken over wat er in die honderd jaar met de beeldende kunst gebeurd is.

Het is een tentoonstelling die niet over de -ismen gaat, van expressionisme tot post-modernisme, maar over het beeld dat de kunst van de mens gemaakt heeft en, zij het in iets mindere mate, van de wereld die hem omringt. Het is een antropocentrische en daarbij ook een Eurocentrische tentoonstelling, die de gelegenheid biedt onze gedachten over onszelf na te lopen en in een gecraqueleerde spiegel te bekijken hoe wij onze nakomelingen ons zelfbeeld presenteren.

Alle grote namen zijn er vertegenwoordigd, van Picasso tot Penck, van Giacometti tot Baselitz, van Tinguely tot Botero, en dat is een beetje misleidend. Onwillekeurig krijg je de indruk dat er althans enigszins geprobeerd is een uitputtend overzicht van de twintigste eeuw te maken, zij het dan met een thematische beperking. Er zit zelfs iets opschepperigs aan, 'almacht uit chocolade' of iets van die orde. De tweehonderd-nog-wat stukken zijn bovendien geordend naar vier polair gedefinieerde thema's, die het elk op hun beurt ook al zo breed laten hangen: 'Glanz und Elend', 'Geist und Körper', 'Erde und Himmel' en 'Utopie und Tod'. De beeldende kunst is er ondergeschikt gemaakt aan een metafysica met alomvattende pretenties.

Het opmerkelijke - en, eerlijk is eerlijk, licht verontrustende - is echter dat die programmatische hoofdstuktitels door hun ongeremde abstractie weliswaar onzinnig zijn en daardoor betrekkelijk weinig over de tentoongestelde kunst zeggen, maar dat die kunst zelf zich tegelijkertijd wel degelijk onttrekt aan de mogelijkheid op zichzelf en individueel te worden beoordeeld.

Met andere woorden, zoals het er nu bijstaat en hangt is er inderdaad telkens sprake van een verzameling met een gemeenschappelijke noemer, al kom je er voor die noemer dan niet met 'hemel en aarde' of 'lichaam en geest'. Je ziet geen 'stukken' meer, maar groepen; het effect van de gezamenlijke opstelling domineert de particuliere kwaliteiten.

Als je er je best voor doet ze wel los van elkaar te bekijken, met je handen als oogkleppen, is andermaal eenvoudig vast te stellen dat Ludwig weergaloos verzameld heeft. De werken van Picasso of Delvaux, maar ook die van mindere goden als Natalia Gontscharowa of Pawel Filonow, ze zijn van grote zeggingskracht, voor zover je dat niet wist doordat ze al lang en breed in de catalogus van je geest waren opgenomen. Maar nu ze op het thema van hun verbeelding van de mens zij aan zij zijn opgesteld dringt zich een andere ervaring voor die van mooi, mooier, mooist.

Dat is die van het aanknopingspunt: het lijkt wel of al die verbeeldingen van mensen en hun decorstukken monumentjes van onze geschiedenis zijn, de geschiedenis die we aan den lijve ondervonden hebben of waarover ons uit de eerste hand bericht is door ouders en grootouders - want het zijn precies drie generaties die de eeuw omspannen. Zoals je voor verder afgelegen perioden jaartallen gebruikt, zo kun je blijkbaar de zee van je eigen tijd markeren met beelden en schilderijen. Op 'Unser Jahrhundert' brengen ze een grit aan in die bijna honderd jaar, dat in strict rekenkundige zin onregelmatig is - niet uit ieder jaar zijn evenveel werken, en zeker niet uit iedere stroming of windstreek -, maar voor het domein van ons collectieve geheugen komen ze in Keulen een heel eind.

Dat wordt, denk ik, veroorzaakt door de welsprekendheid van de beelden. De foto die Andreas Gursky in 1993 van zo'n ellendige woonflat in Montparnasse, Parijs, maakte spreekt boekdelen over wat er met de Westeuropese welvaart en het economisch optimisme gebeurd is: zoveel troosteloosheid laat zich door geen historicus boekstaven. De wand met kantoorordners en zinloze typoscripten van Hanne Darboven (Bücherei: Ein Jahrhundert) uit 1971 is wat dat betreft ook niet mis: tja, dat is wat we hebben uitgespookt, letters tikken waar even later niemand de zin meer van inziet en die vervolgens in mappen opbergen, totdat we bezwijken onder het papier.

De ontregelend realistische beelden van John de Andrea en Duane Hanson, die her en der in de tentoonstelling staan opgesteld, krijgen hier een betekenis die zich eerder laat vergelijken met de brillo-dozen van Warhol dan met de fotorealistische schilderijen: ze worden stolsels van de geest van hun tijd. Zelfs de zware dramatiek van Anselm Kiefer's schilderijen voegt zich naar dat patroon. Het vereist een zekere inspanning om er in deze context achter te komen waarom ze ooit, op een alleen aan Kiefer gewijde tentoonstelling, zo zelfstandig en zo heavy waren, nu ze bovenal een metafoor lijken te worden.

Ach ja, Koons - twee neukende society-figuren, maar vooral ook twee troosteloze types die in hun tijd door al dat gelul over erogene zones en de minimale duur van het naspel enigszins van de kook zijn gebracht op het stuk van erotiek en seksualiteit, en ten slotte de twee logo's in een stuurloos debat waarvan mij de inzet en noodzaak inmiddels ontschoten zijn. 'Unser Jahrhundert' begint de balans maar eens op te maken.

Michaël Zeeman

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden