Bevlogen priester redt Glencolumbkille

Traditioneel zijn het in Ierland vooral graafschappen als Cork en Kerry, waarnaar de buitenlandse bezoekers trekken. Donegal ligt wat achteraf, verscholen achter Noord-Ierland....

Glencolumbkille ligt aan het eind van de R263, met uitzicht op Amerika. Als je ogen maar goed genoeg waren en de aarde plat genoeg. Het ligt beschut in de ronding van Glen Bay en aan de monding van de Murlin River. Je kunt er appeltaart eten in het Folk Village en een videofilm huren boven het winkeltje van Lace House. En natuurlijk de Turas Cholmcille aflopen: de vijftien staties ter ere van St. Columba, de missionaris die in de zesde eeuw, in het kielzog van St. Patrick, het Christendom naar Ierland bracht, en ook enige tijd in Glencolumbkille verbleef. Glencolumbkille betekent immers de Vallei van St. Columba's Kerk.

Maar de meeste bezoekers van het afgelegen dorpje komen niet voor appeltaart, video of een penitentiaire voettocht langs stenen markeringen ter ere van een heilige, waarbij telkens één credo, zeven onzevaders, zeven weesgegroetjes en zeven gloria's dienen te worden gebeden. Ze komen voor de Oideas Gael, de school voor Ierse taal en cultuur, die in het dorpje is gehuisvest. Van eind maart tot begin oktober kun je hier cursussen volgen in de Ierse taal, dans, het weven van wandkleden, zang, schilderen en het bespelen van traditionele instrumenten zoals de tinfluit en de uilleann pipes, een doedelzak die met bewegingen van de elleboog vol lucht wordt gepompt.

'De helft van onze leerlingen is afkomstig uit het buitenland', zegt Liam O'Cuinneagain, directeur van de Oideal Gael. 'Sommigen hebben een Ierse connectie, bijvoorbeeld nakomelingen van Ieren die naar de Verenigde Staten zijn geëmigreerd. Maar veel anderen komen puur uit belangstelling voor de Keltische cultuur. Dat is een van de oudste levende culturen ter wereld, en Ierland biedt er de best bewaarde overblijfselen van.'

De belangstelling voor de Keltische cultuur is een relatief recent verschijnsel, herinnert O'Cuinneagain zich. 'Neem de muziek, daar waren we dertig jaar geleden nauwelijks trots op. Als je toen met een viool door O'Connell Street in Dublin liep, werd je uitgelachen. In de jaren zeventig hebben groepen als The Chieftains en The Dubliners veel gedaan voor de popularisering van de traditionele Ierse muziek. Toen vervolgens het buitenland belangstelling ging tonen, kregen de musici in Ierland zelfvertrouwen. Wanneer buitenlanders onze muziek mooi vonden, was die misschien toch niet zo belachelijk.

'Zo kreeg ook het traditionele sean-nós singing een nieuwe impuls. Dat zijn liederen over treurige zaken, vanouds een manier van de Ieren om trieste gebeurtenissen te verwerken. Wanneer daar twintig jaar geleden een wedstrijd in werd gehouden, kwamen vijftig bejaarden luisteren. Er werd op neergekeken. Men associeerde het met armoede en achterlijkheid. Nu komen er met gemak duizend man op af, en van alle leeftijden.'

Zoals in meer landen vindt de hernieuwde belangstelling voor de traditie in Ierland hoogstwaarschijnlijk haar wortels in het wereldwijde proces van globalisering. De Ierse toetreding tot de Europese Gemeenschap, in 1973, geldt als markeringspunt. O'Cuinneagain: 'Er ontstond toen op veel kleinere culturen een druk zich te herdefiniëren. Natuurlijk, wij willen graag deel uitmaken van de grote Europese familie. Maar we zijn in de eerste plaats Iers.'

Glencolumbkille heeft 1800 inwoners en maakt deel uit van een parochie - heel Ierland is opgedeeld in parochies - van 2400 mensen. De ontwikkelingen die het dorp de laatste decennia heeft doorgemaakt, zijn representatief voor die van heel Ierland, op een paar significante details na. In de jaren vijftig was het dorp, zoals de rest van het land, een toonbeeld van moedeloosheid en gebrek aan perspectief. De werkloosheid was hoog en zij met ambitie trokken weg. Naar de Verenigde Staten of naar aartsvijand Groot-Brittannië. Het was aan een bevlogen priester te danken dat de gemeenschap niet geheel teloor ging en Glencolumbkille niet veranderde in een spookdorp.

James McDyer, de 'communistische priester' die in 1952 in het dorp werd gestationeerd, blies de gemeenschap nieuw leven in. 'Hij kwam vaak bij ons thuis', herinnert O'Cuinneagain zich. 'Mijn vader was de dorpsjournalist, en Father McDyer was zeer bekwaam in het bespelen van de publiciteit. Hij realiseerde zich dat die hem kon helpen bij het bereiken van zijn doelen. Je kon hem vergelijken met de Ierse verzetsstrijder Michael Collins. Hij was bloedfanatiek, maar hij deed tenminste wat voor de mensen.' Dankzij James McDyer kreeg Glencolumbkille een dorpshuis, waar de mensen konden samenkomen. Hij organiseerde dansavonden, voetbalwedstrijden en andere activiteiten. En hij zette een groentenfabriek op, waar in de omgeving verbouwde groenten werden schoongemaakt en verpakt.

In 1967 kreeg het dorp een Folk Village, dat nog altijd een goed beeld vormt van de traditionele manier van leven, en toeristen een reden geeft om Glencolumbkille te bezoeken. In die tijd waren dergelijke cultuurhistorische centra nog zeer uitzonderlijk. O'Cuinneagain: 'Om dergelijke projecten te kunnen bekostigen lobbyde Father McDyer veel, en er zijn inmiddels documenten openbaar geworden, waaruit blijkt dat de overheid zich indertijd ernstig zorgen maakte over zijn activiteiten. Want het kostte veel geld. Maar dankzij hem stierf onze gemeenschap niet uit.'

Daarmee werd Glencolumbkille echter nog geen florerend dorp. Emigratie bleef, net als in de rest van Ierland, voor velen een noodzaak. Nog in 1989 werkten maar liefst veertig jongeren uit het dorp in Eurodisney, zoals het toen heette. Pas sinds 1997 is de emigratie zodanig afgenomen, dat de Ierse bevolking weer groeit, in plaats van steeds verder af te nemen. 'We zijn ons nu aan het herstellen, zeggen ze', aldus O'Cuinneagain, een beetje schamper. 'Met deze school, die ik in 1984 ben gestart, nadat ik een tweede hypotheek had genomen op mijn huis in Dublin, probeer ik een bijdrage te leveren aan de werkgelegenheid. Maar het blijft seizoengebonden werk, omdat het toch een vorm van toerisme is. Ik sprak gisteren in de pub een neef van me, die hier een restaurant probeert te runnen. Dat liep heel aardig in de zomer, maar nu denkt hij er toch over om de tent te sluiten en naar Dublin te gaan. Ach, er is in dit dorp nooit een normale demografische ontwikkeling geweest.'

Glencolumbkille krijgt dankzij het Folk Village en de Oideas Gael een redelijk stroompje toeristen, maar een solide plek op de toeristische landkaart heeft het nog niet. Dat geldt eigenlijk voor het hele graafschap Donegal. Traditioneel zijn het vooral graafschappen als Cork en Kerry, waarnaar de buitenlandse bezoekers trekken, vooral de Amerikanen, maar ook de Britten. Donegal ligt dan ook wat achteraf, verscholen achter Noord-Ierland en slechts via een nauwe corridor verbonden met de rest van de Ierse republiek. Gelukkig behoren de grenscontroles tussen de twee Ierlanden inmiddels tot het verleden. Sterker: je moet goed opletten om te weten of je je nu in het 'noorden' of in het 'zuiden' bevindt, en veel inwoners van Donegal doen hun inkopen in Londonderry (al zullen zij de stad naar goed katholiek gebruik uiteraard Derry noemen). Maar psychologische barrières blijven dikwijls nog een tijdje overeind als de fysieke al zijn verdwenen. Donegal moet nog even geduld hebben.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden