Beulen onder de platanen

De Tour de France van 1903 was een monsteropdracht. Een nog nooit vertoond waagstuk, bedacht door de journalist Géo Lefèvre, over grote afstanden en slechte wegen....

Het jonge personeel van brasserie Sunset Bld op de Parijse Boulevard Montmartre kijkt verbaasd op. Waar Henri Desgrange en Géo Lefèvre gezeten hebben? Geen idee. Achter in de zaak hangt wel een stokoude renfiets aan de muur, glanzend zwart, met een foto van Maurice Garin onder de stang. Maar wie wáren dat dan wel, die twee?

De één was een meneer, de ander een jonge hond. Voor Desgrange was de fiets een nieuw middel voor sterking van lichaam en geest. Met ideologische bevlogenheid en een groot zakeninstinct was hij hoofdredacteur geworden van het sportblad L' Auto. Pierre Giffard was de grootste concurrent met zijn Le Vélo. Wielerverslaggever Lefèvre opperde op 20 november 1902 het idee van een Ronde door Frankrijk. Ze zouden het doornemen in de Brasserie Zimmer, waar dik honderd jaar later de hamburgers en steaks van Sunset Bld op de kaart staan.

Desgrange was gegrepen door het concept van de Nieuwe Mens in het neo-moderne Europa. Frankrijk beleefde haar Belle Époque, met een uitbundigheid aan literatuur, schilderkunst en nieuwe industrie. Het elan had spieren nodig. Frankrijk was nog sterk verdeeld door de affaire rond de joodse legerkapitein Dreyfus, die in 1894 wegens vermeend verraad veroordeeld was en verbannen naar Duivels Eiland.

Op de redactie van L'Equipe legt Tourdocumentalist Serge Laget vol vuur uit: 'Er was in die tijd veel moffenhaat. Die dateerde nog van de verloren oorlog tegen Duitsland in 1870. Met het ontwerp van de Tour kon Frankrijk laten zien dat het nog gezonde spierkracht had. Desgrange liet zien dat Frankrijk geen grenzen kende.'

Het ontwerp van de eerste grote Franse ronde voor wielrenners had alles te maken met treinen. Lyon, Marseille, Toulouse, Bordeaux en Nantes waren belangrijke stations, goed te bereizen voor reporter Lefèvre. De Alpen en de Pyreneeën bleven nog buiten de route: te onbereikbaar, onberijdbaar. Het was al zwaar genoeg gezien de ontzaglijke afstanden. De coureurs vertrokken halverwege de middag, laat in de avond, of na het middernachtelijk uur. Elke rit werd een reis naar het eind van de nacht. De renners zochten hun weg over donkere landwegen, bijgelicht door soms een heldere sterrenhemel.

De aankomsten waren gesitueerd in voorsteden. De wet verbood wielerwedstrijden in stadscentra. Zo'n finish in een banlieu was ook makkelijker te organiseren. De allereerste plek van vertrek was een oude pleisterplaats voor postkoetsen en handelsvolk: Le Réveil-Matin in Montgeron, een voorstadje ten zuidoosten van Parijs. Het restaurant heeft jaren leeg gestaan en is aan een nieuw Tex-Mex-leven begonnen als Hacienda Réveil-Matin.

Hier tekenden de favorieten van de eerste Tour op 1 juli 1903 de presentielijsten: Maurice Garin, Hippolyte Aucouturier en Emile Georget. Naast hen kwam een ongeregeld stelletje avonturiers aan het vertrek. Desgrange noemde hen liefkozend gaillards, vermetele kerels, zoals Dargassies, een smid uit Grisolles, een dorp in de buurt van Toulouse. Ook hij kwam af op het prijzengeld van in totaal 20 duizend francs. De époque was vooral belle voor de elite; arbeidersvolk kon zich op de fiets naar het welstandsniveau van de bourgeoisie trappen.

Naast het peloton dat voor het klassement inschreef was er ook plaats voor partiels, liefhebbers die maar aan één etappe wilden meedoen. Desgrange had alles in een reglement vervat dat in zijn rigiditeit een hele vernieuwing bood. De Tour de France moest een individuele prestatie zijn en daarom was gangmaking en verzorging uit den boze. Uitvallers mochten nog deelnemen aan de volgende etappes, maar niet voor het klassement.

Op het spoor terug van 1903 heb ik Fedor den Hertog (57) meegevraagd. Als verwoestende hardrijder kreeg hij ooit de bijnaam Iwan de Verschrikkelijke. Anders dan generatiegenoot Zoetemelk was hij té anarchistisch voor de codes van het profpeloton. Hij won als profrenner één Tourrit, Rouen 1977, na een doldrieste solo.

Terug naar 1903, over de oude N6, de Route Nationale naar Lyon, ervaren we voor het eerst de dagen van toen. Een wereld die al bekend was van grove zwart-witfoto's en routekaarten krijgt kleur en begint te leven.

Het immense, statige paleis van Fontainebleau. Maurice Garin moet het gezien hebben, op die late middag van 1 juli 1903. Verder gaat het, steeds verder, over de oude Nationale 7. Aan weerszijden van de route is het oude Frankrijk nog verbazend goed herkenbaar. In de steden en de dorpen staan nog steeds de rijen huizen, hoog en laag, overal gekenmerkt door ramen met houten luiken en gepleisterde muren. Soms zijn ze goed onderhouden maar vaak ogen ze grauw en verweerd, vol van de littekens van een eeuw.

Over de uitgestrekte, glooiende plattelandsvelden voert de weg traag tussen rijen platanen door. Bomen die in de loop van de negentiende eeuw werden geplant als wegmarkering, maar ook om beschutting en schaduw te brengen voor de gebruikers. Op sommige stukken loopt de weg als een kaarsrechte potloodstreep van asfalt door het boerenland van la France profonde. In 1903 bestond het wegdek uit aangestampt zand en leem. Die zomer was het erg droog en de renners veroorzaakten grote stofwolken.

Anno 2003 is het oude traject rond de grotere plaatsen grotendeels verdwenen. Daar is de poëzie van de platanen geplet door de nieuwste tijd in de Zônes d' Activités, de onvermijdelijke suburbane, commerciële gezwellen van bouwmarkten, garages, wegrestaurants en supermarkten. Omgekeerd heeft de achteruitgang van de landbouw juist voor het behoud van de authenticiteit van de route en veel boerenplaatsen gezorgd, zei het in veelal deplorabele staat van onderhoud. Het leven is er bijna verdwenen.

Garin en de zijnen moesten dwars door zo'n plaats heen. Nu draaien moderne rondwegen weg van de oude rijen platanen die nog steeds zo'n inmiddels vergeten gat ingaan. Het doet sterk denken aan Route 66, de weg van Chicago naar Los Angeles, die dateert van 1926.

Het tracé ligt er nog, maar is in verval geraakt, of verdwenen onder de latere Interstate Highways. Er is wel een belangrijk verschil: van de Route du Tour 1903 is veel meer over dan van Route 66.

Verder dan de Tour kon de Tour niet gaan, in 1903. De huidige directeur Jean-Marie Leblanc kijkt met scepsis naar de kaart: 'Ze moesten wel een beetje gek zijn, toen om zo'n wedstrijd te organiseren, met alle risico's die erbij hoorden. De fietsen waren zwaar, de renners slecht getraind, de wegen beroerd. Ik heb respect voor de pioniers die het bedachten en doorgezet hebben.'

Fedor den Hertog heeft zelf twee keer deelgenomen aan de verdwenen klassieker Bordeaux-Parijs. Hij raakt hoe verder we vorderen diep onder de indruk van de eindeloosheid van de route van toen. Gekkenwerk? 'Ach, gek zijn doet geen zeer', overpeinst hij. 'Het blijft een zaak van de ketting strak houden. De hemel geeft, wie vangt die heeft.'

In Moulins, op de 281ste kilometer van de eerste etappe staat midden in het centrum aan de Rue de Paris het Hotel de Paris (drie sterren), een kloeke kolos met gietijzeren balkons en witte luiken. Het is uiterlijk nauwelijks veranderd sinds 1903, toen het een controlepost was, waar de renners moesten vechten om een pen om de lijst te tekenen.

Daarna gaat het door halfversleten dorpen. Varennes-sur-Allier, St-Gérand-le Puy, Périgny. In La Palisse, op de 332ste kilometer van die eerste rit domineert een kloeke burcht dorp en streek. Daaronder, pal aan de weg staat een rijtje armetierige, ontmantelde winkels.

Hier hield Hippolyte Aucouturier het in die eerste nacht niet meer uit van de maagklachten en gaf op. Maurice Garin lag toen al een uur voor, samen met de jonge Pagie. Op de keien van de Quai de Vaise langs de Saône werd Garin na 17 uur en 44 minuten de eerste ritwinnaar. Géo Lefèvre miste die finish. Zijn trein was op tijd, maar Garin had simpelweg te snel gefietst.

De verzamelplaats voor de nachtelijke start van de tweede etappe was het Café de la Paix op de Place Bellecour, een groot, goed geconserveerd plein in het centrum van het oude Lyon met uitzicht op de imposante Notre Dame de Fourvière. De weg uit de stad was slechts verlicht door olielampen.

In Saint-Étienne ligt de Place Fourneyron. Het Café du Vingtième Siècle was er ooit een vaste controlepost. Nu is er een bank gevestigd. Even voorbij dit plein is Garin ten val gekomen. Midden in de nacht. Het was het moment voor Aucouturier - na twee volle rustdagen weer geheel opgeknapt - om ten aanval te trekken.

Op de Col de la République, de enige klim van betekenis ging Georget met hem mee, die hem uiteindelijk liet voorgaan op de meet in St. Antoine, voorstadje ten noorden van Marseille. Garins schade was overkomelijk: 31 minuten. De renners werden door een grote schare zeer enthousiaste supporters welkom geheten op de nog steeds bestaande paardenrenbaan van het klassieke Parc Borely.

In Parijs vernam Desgrange telefonisch dat Georget als klassementsrenner danig was gesteund door Aucouturier. De Tour-directeur besliste op verre afstand dat er vanaf dat moment in twee groepen zou worden gestart: eerst de wedstrijdrijders en een uur later de partiëlen, met Aucouturier.

In Toulouse won Brange. Garin volgde vlak achter hem als derde. Georget verloor door bandenpech en maagklachten bijna twee uur. Aucouturier had als lid van de tweede groep vertrekkers 32 minuten sneller gereden dan iedereen en werd uitgeroepen tot dagwinnaar. Het publiek was uitzinnig op de Place Saint Michel. Het is een klassiek plein gebleven met hoge, smalle gevels van baksteen en pleisterwerk dat nu bouwplaats is voor de metro.

Anno 2003 begint Fedor den Hertog per fiets aan de vierde etappe, van Toulouse naar Bordeaux over 268 kilometer. Het vertrek van toen was op de Boulevard des Anonimes bij het Café St. Roch, dat is verdwenen. Ik zoek het oude traject verder af in de auto, terwijl Fedor doortrapt. In Moissac (Ville des Sources Pures et des Raisins Dorés) staat nog het oude Hotel de Luxembourg dat in 1903 een controlepost was. De gevel is identiek, alleen de bomen ervoor zijn verdwenen.

Lamagistère ligt dertig kilometer verder sereen langs de blinkende Garonne. Een prachtig verstild dorpje. Hier is Hippolyte Aucouturier op de Avenue Saint-Michel over een overstekende hond gevallen. Hij gaf definitief op en nam de trein naar Bordeaux. Ik vertel het aan een gemeentewerker, die kalm bezig is aan een plantsoentje. 'Oh, ja?' zegt hij, verbaasd. Er zijn nog maar heel weinig mensen in Lamagistère die weet hebben van de geschiedenis van Hippolyte en de hond.

De aankomst ligt aan het eind van de N113, bij het nog altijd bestaande Restaurant Le Petit Trianon op vijf kilometer van het centrum van Bordeaux. Hier won de Zwitser Charles Laeser de sprint van de kopgroep, in een vette stofwolk en na een rit over 8 uur en 50 minuten.

Fedor den Hertog heeft honderd jaar later de laatste 75 kilometer gereden in de stromende regen en komt binnen als een verzopen oude kat, na 10 uur en 10 minuten, waarin hij een dik uur heeft gepauzeerd. 'Wat heb ik afgezien,' is het eerste wat hij uitbrengt.

Na een warme douche zegt hij: 'Als ik het niet had gedaan was ik ook maar een watje. Ik kan me nu inbeelden hoe die mannen vroeger tegen de elementen moesten rijden. Ik heb over prachtige asfaltwegen kunnen rijden. Ik ben een gelukkig mens dat ik dit heb ervaren. Het gaat om je eigen potentie en de durf die in te zetten. Dan kom je tot grote prestaties.'

De vierde etappe van 1903 vertrok in Bordeaux Nord, La Bastide, onder de groene Col de Cenon. In Nantes kwamen ze aan op het Vélodrome. Dat bestaat niet meer, maar de weg erheen is er nog wel: de Rue du Vélodrome Longchamps.

Garin kwam er als eerste de baan op, zeker van de zege. Georget bereikte Nantes niet meer als deelnemer. Hij had lek gereden na de doortocht door La Rochelle en was onder een boom in slaap gevallen. Nog even had hij het geprobeerd, maar bij Luçon gaf hij definitief op.

De laatste etappe startte op de nog steeds aanwezige Rond Point de Paris in Nantes-Nord. De Boulevard des Belges en de Boulevard Jules Verne komen erop uit. De schepper van de Reis van de Wereld in Tachtig Dagen heeft de wonderbaarlijke fietsers nog gezien die Frankrijk deden in minder dan drie weken.

Die laatste rit werd een geweldige zegetocht voor Maurice Garin. Na Angers en Saumur ging het langs de Loire, met de kastelen van ver voor 1903. In de ochtendschemering lagen de keien van Blois. De kathedralen van Orleans en Chartres stonden weer in het volle daglicht, net als het Château van Versailles. Ze moesten daar de bocht om bij het Café de la Place d' Armes (dat er nog staat) en denderden daarna door het bos de Côte de Picardie af.

Garin passeerde op 19 juli 1903 als eerste de officiële finish in Ville d' Avray, pal voor het Café Le Père Auto. Het pand staat nog net als vroeger tegenover het bos. Sinds vijftien jaar is het Pizzeria Le Boccaccio. Je rijdt er zo voorbij, bescheiden als de plek is.

Het typeert de aandoenlijke kleinschaligheid van de Tour de France van toen, hoe enorm ook de afstanden waren. Het gigantisme van de ronde kwam pas veel later. Garin werd gehuldigd in het Parc des Princes in Auteuil, west-Parijs. Het legendarische stadion is in 1968 afgebroken. In het oerjaar was de heroïek van de monsterkilometers bewezen.

Fedor den Hertog bleef het maar herhalen: 'Ongelooflijk, wat een afstanden.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden