'Beuken, beuken, dat is de Mueller-aanpak'

Zoveel talent moet wel naar een mooie toekomst leiden. Ja-ja, zal allemaal best. Schaatser Mark Tuitert had ook Europees kampioen moeten worden, maar hij ís het niet....

'NOU, HOE zou jij het noemen?', vraagt Mark Tuitert. Hij steekt de kin een beetje naar voren en strijkt bijna uitdagend over zijn ringbaardje. Brutale ogen.

't Heeft iets stoers.

Iets blufferigs.

Het neigt naar arrogantie.

Tuitert: 'Klopt, houd ik wel van. Ik wil de beste worden en dat straal ik ook uit. Mag niet in Nederland toch? Hier mag je pas zeggen dat je olympisch kampioen wilt worden als je het al bent. Daarom wordt onze ploeg, SpaarSelect, ook arrogant gevonden. Ik durf jou te zeggen: al die types die ons arrogant noemen, tekenen morgen een contract bij ons als Mueller ze zou vragen. D'r zit veel jaloezie bij.'

Inderdaad, Mueller had ook zo'n baardje, zoals trouwens alle mannen van SpaarSelect er één hebben, of hebben gehad. 'Schept een band hè.'

Zijn eerste kennismaking met Peter Mueller staat hem nog helder voor de geest: begin vorig jaar in Inzell. In de voorgaande weken had Wennemars hem al meermalen gezegd dat-ie nog nergens moest tekenen. De sponsor wilde hem graag hebben en de coach zou hem binnenkort wel aanspreken. In Inzell dus. 'Ik zat op de hometrainer. Helen, mijn vriendin, was er ook. Ik wil praten, zei Mueller, morgen, in mijn hotel. Bring the boss, zei hij nog, en toen knikte hij naar Helen.

'Zo is-ie. Twee, drie zinnen. Maar wat hij zegt, is raak. Mark, you've got it all, dat werk. Ik wist meteen: dit is mijn ploeg. Alle andere coaches met wie ik gesproken heb, begonnen over trainingsschema's, over de opbouw, een heel technisch verhaal. Mueller niet. Hij zei: jij kunt volgend seizoen het EK en WK rijden en je kunt ze winnen ook. Hij zei het gewoon: winnen. Ik had op dat moment zelfs nog nooit een World Cup-wedstrijd gereden.

'Om de beste te worden, heb je de beste trainingspartners, de beste trainer, het beste team en de beste schema's nodig. Dat zijn wij, zei Mueller. En hij maakt het ook waar. Bij het NK verprutste ik de eerste twee afstanden. Weg EK-ticket, dacht ik. Als je er nu niet meer in gelooft, hoef je je schaatsen niet aan te trekken, zei Mueller. Natuurlijk schrik je dan. Zo praat hij een half uur tegen je aan. Ik redde het op een paar tienden. Dat is geen mazzel, zei Mueller, dat is klasse.'

Al de verhalen over zijn talent maken weinig indruk op hem. Kijk naar het verleden: de grootste talenten haken vaak als eerste af. Vroeger als voetballertje van sv Holten kon Mark Tuitert zich al mateloos ergeren aan jongens die veel beter waren dan hij, maar die na een goal tegen meteen de kop lieten hangen. Mentaliteit is veel belangrijker. Zegt Mueller ook. Romme, Wennemars, Leeuwangh, knokkers die de top hebben bereikt, daar wil hij bij horen.

No pain, no gain. Hij zegt zijn trainer de oneliners zo na - zelfde dictie, zelfde blik in de ogen. Dat is niet zo vreemd, meent Tuitert. 'Vroeger dacht ik al zo, nu zeg ik het ook.'

Altijd maar willen winnen, dat heeft van jongsaf in hem gezeten. Ongeacht hoe sterk de concurrentie is. Fietsend van school naar huis: zijn wiel altijd een stukje voor dat van degene die naast hem fietste. Elk jaar stond Mark Tuitert aan de start van de bevrijdingsloop, in zijn woonplaats Holten, en altijd werd-ie tweede. Altijd dezelfde winnaar ook, twee jaar ouder dan hij. 'Dus ging ik nog fanatieker trainen.

'Beuken, beuken, beuken. Ja, dat is de Mueller-aanpak. Waarom wordt daar zo schamper over gedaan? Alsof hard trainen dom is, of dat Mueller niet weet wat variatie is. Wij trainen hard, én gevarieerd. Zijn schema's zijn loodzwaar. Niemand kan dat helemaal doen. Als je zeventig procent haalt, doe je nog veel. Nee, ik ben niet bang me kapot te trainen. Als iemand stuk zit, is Mueller de eerste die zegt: stoppen.

'Na een trainingskamp thuis op de bank liggen met benen die pijn doen, dat is één van de grootste kicks van sport. Als Peter zegt done, wacht ik altijd even tot iemand anders als eerste de benen stil houdt. Dan rijd ik nog een paar meter door. Heb ik altijd gedaan, ook als ik voor mezelf trainde. Hier, op deze plek, bergje op, tot dát punt. En dan was ik er en dan liep ik nog vijftig meter verder. Even testen.'

We rijden op de Holterberg - zijn berg. Geboren en getogen.

Nu, op zijn 21ste, komt af en toe de behoefte boven om eens een tijdje in de grote stad te gaan wonen, 'waar het gebeurt', maar gelijkertijd weet Mark Tuitert dat hij na pakweg vijf jaar toch weer hier zal terugkomen. Zijn broer studeert in Delft, maar komt elk weekeinde naar huis: heel ander volk daar, zegt-ie. Even buiten Holten staat de boerderij waar Mark Tuitert voor de scheiding van zijn ouders woonde.

Het dorp zit in zijn stem - korte, staccato zinnen.

'Lekker trainen hier, met de mountainbike.'

'Daar, goed plekkie voor de warming-up.'

'Best een klimmetje hoor. Zeventien procent.'

Hij was die jongen die op skeelers door het dorp vloog, lang voordat Nederland ontdekte wat skaten is. Dat was nog leuker dan voetballen, zijn eerste liefde, en aanvankelijk zelfs ook leuker dan schaatsen, waar hij bij toeval aan was begonnen. Als elfjarige werd hij schoolkampioen en de meester zei dat hij maar lid moest worden van een schaatsclub. Ten oosten van Deventer werd een nieuwe ijsbaan gebouwd, een kwartiertje van Holten. Vooruit maar, zeiden zijn ouders.

'De eerste vier jaar was ik een onbeduidend schaatsertje. Ik kan je zo tien namen geven van jongens die veel meer talent hadden. Als ik nieuwe schaatsen nodig had, kochten we tweedehands. Op een gegeven moment kreeg ik een paar schaatsen waar je ook wieltjes onder kon zetten. Op schaatsen reed ik de 500 meter amper binnen de minuut, maar op skeelers knalde ik iedereen voorbij. De keus was niet zo moeilijk.

'Stoepie op, stoepie af, bochtje links, bochtje rechts. Ik kon goochelen op die dingen. Een kennis van mijn ouders zei: laat hem een keer meedoen aan een wedstrijd. In Oldebroek, werd ik één-na-laatste. Stonden ze me een beetje raar aan te kijken in de kleedkamer: Wat zijn dat? Rupsbanden? Bleek dat ik met heel oud materiaal reed, alle lagers waren verroest.'

Tweede wedstrijd, in Staphorst. Derde, brons! Zoenen van de rondemiss en een fotootje in de krant. Helemaal verkocht. 'Trainen als een bezetene.' Her en der scharrelde hij videobanden op van Amerikaanse skate-grootheden. Kijken, kijken en nadoen. Thuis ligt nog een pak dat vol scheuren en gaten zit. Kniebeschermers en elleboogbeschermers zijn voor watjes.

'Ik heb mezelf geleerd naar anderen te kijken, om op details te letten. Daar heb ik nu profijt van. Met schaatsen pik ik heel snel dingetjes op. Het perfecte plaatje zit in mijn hoofd. Stukjes van S ndral, van Romme, van Postma. Ik ben een autodidact, in alles. Deze zomer heb ik drie gitaren gekocht. Nirvana, Pearl Jam, een paar nummers kan ik spelen.'

EEN STER werd Tuitert op de Veluwe. Vergis je niet, daar is skeeleren een grote sport, zegt hij. Criteriums zoals bij het wielrennen, duizenden mensen langs de kant en hij was het fenomeen in opkomst. Als zeventienjarige won hij zijn eerste wedstrijd omdat Hulzebosch hem in de slotfase niet kon bijbenen en een jaar later was hij met acht zeges de kroonprins van het peloton. Er kwamen aanbiedingen uit Italië en Amerika, maar het vwo ging voor.

En op het ijs bleek Tuitert ineens ook geen nobody meer. Is waarschijnlijk geen toeval, zegt hij. Skeeleren heeft hem hard gemaakt: 'als je stuk zit en de tegenstander demarreert, moet je mee'. Die winter werd een aaneenschakeling van persoonlijke records en voor-ie 't wist had hij zich gekwalificeerd voor het WK junioren. 'Ik wist niet eens dat dat bestond. Leuk, dacht ik.'

Op de vijf kilometer kwam hij uiteindelijk twee seconden te kort voor de titel. 'Na de 500 meter had ik nog totaal overstuur naar huis gebeld: ik ben derde, ik ben derde. Op zondag kon ik wel huilen: zo dicht was ik erbij. Ik zei tegen mezelf: volgend jaar win ik.'

Daar, in maart 1998 in Roseville, is de skeeleraar een schaatser geworden. Wat nog geen makkelijke keus was trouwens. Wehkamp, de meest prestigieuze skeelerformatie van dat moment, had hem een contract aangeboden en hij had z'n woord al gegeven. Maar schaatsen, dat is toch wat anders. 'Ineens ging ik begrijpen welke impact schaatsen heeft.

'Tot mijn achttiende vond ik dat skeeler-circuit prachtig, maar ná dat WK junioren wilde ik meer. Die jongens waar ik mee naar het WK ging, gedroegen zich heel anders dan ik. Veel professioneler. Skeeleren heeft toch iets van amateurisme, schaatsen heeft zoveel aanzien.'

Natuurlijk werd Mark Tuitert in 1999 wereldkampioen bij de junioren. 'Ik was zo geconcentreerd. Die titel verraste me niet. Voor de buitenwereld lijkt het misschien alsof ik mezelf overtref, maar dat is niet zo. Als het belangrijk wordt, heb ik iets extra's. Het is nu al zo vaak gebeurt, dat hoort bij mij. Sinds dat eerste WK junioren weet ik: ik kan de beste zijn.'

O ja, het is hem ook weleens opgebroken. Op z'n vijftiende of zo, aan de vooravond van een skeelerwedstrijd in zijn woonplaats, kwam het Holtens Nieuwsblad langs voor een interview. Nu moet ik ook winnen, dacht Mark Tuitert. 'Ging ik elke avond nog een uurtje extra trainen. Op de dag van de wedstrijd had ik maagpijn, buikpijn en ik was oververmoeid. Ik werd vijfde, kotsen na de finish. Nee, dat is geen faalangst, dat is ervaring. Gebeurt me nooit weer.'

Snappen we nu waarom het zo klikt met Mueller? Die heeft dat ook. Altijd willen winnen. Niemand hoeft Mark Tuitert te vertellen dat er geen garanties bestaan in topsport, maar moet hij dan soms bescheidenheid voorwenden? Bescheidenheid is een excuus om te mogen verliezen, houdt Mueller zijn volgelingen voor. 'Gelijk heeft-ie.' In januari bij zijn debuut op een internationaal kampioenschap, het EK in Baselga, wilde Mark Tuitert dus ook maar één ding. 'De titel.

'Ik begrijp niet waarom de meeste Nederlandse debutanten vaak zeggen dat ze op een plaats bij de eerste zes hopen. Wij zijn toch Nederland! Op de 500 meter werd ik gedeeld tweede met Risto Rosendahl. Op het podium heb ik tegen hem gezegd: hou jij die medaille maar. Ik dacht: ik kom hier voor wat anders. Weinig debutanten hebben een EK of WK gewonnen. Zandstra, Vergeer, in dat rijtje had ik ook graag gestaan. Sjepel? Hij is een terechte kampioen. Hij bleef staan. Maar ik denk niet dat-ie ooit nog een toernooi wint.'

DE VAL HEEFT hem veel geleerd. 'Was ik toch net iets te gretig. Eentiende te veel in de binnenbocht willen pakken, dat moet ik afleren. Bij het NK had ik Ids Postma op de 1500 meter verslagen, dus ik dacht: dan nu ook. Ik wilde hem even laten schrikken. Wham, meteen er onderdoor. Stom. Ik stond eerste in het klassement en ik zal op de 1500 nooit dik van Ids verliezen. Kampioen word je over vier afstanden.

'Ritsma kan dat goed. Die weet precies hoeveel hij per race moet geven. Hij verliest bij het WK de 1500 meter net van Postma, maar op de tien kilometer pakt hij daarna wel de titel. Ritsma laat zich niet gek maken. Winnen zoals Romme is het mooiste. De hele boel aan puin rijden. Maar dat kan je ook opbreken. Als je eerste staat, moet je consolideren. Ik moet de balans tussen die twee nog vinden.

'Ik ben al rustiger geworden. Vorig jaar kwamen we terug uit Calgary en wilde ik gelijk de volgende dag weer de baan op. Hup in de auto naar Den Haag, wennen aan het ijs, meteen een tempootje. Heeft geen zin. We hebben nu een maand in Calgary gezeten en over een week is het NK afstanden in Groningen. Eerst een paar dagen thuis op de bank en dan woensdag 'ns rustig een rondje rijden. Ik weet wel wat ik kan.'

Dit zal een ander seizoen worden. Dat Tuitert de komende winter een naam is en niet langer een debutant die onbevangen het strijdperk kan betreden, het schrikt hem allerminst af. 'Niemand kan mij meer druk opleggen dan ikzelf.' Aan tafel verhaalt Romme met regelmaat van zijn olympische ervaringen en op die momenten voelt Tuitert hoe ook in hem het vuur begint te branden. In juli hebben ze getraind in Salt Lake City: toch even kippenvel.

Het kan, waarom niet? Die andere jongens van zijn lichting (Uytdehaage, Janmaat, Verheijen) spreken bij monde van hun coach Kemkers vaak over 2006, waar hun echte piek gepland staat. Zal best, denkt hij dan. Natuurlijk, fysiek is hij vermoedelijk over vier jaar nog beter. Maar wat kan er in vier jaar tijd wel niet gebeuren? 'In '94 zei iedereen ook dat Falko Zandstra nog genoeg kansen op olympisch goud zou krijgen.

'Je moet toeslaan als het kan. Ritsma, Postma en Romme zullen niet veel beter worden; wij wel. Het is niet vanzelfsprekend dat zij naar de Olympische Spelen gaan. De concurrentie is groter geworden. Als Ritsma beweert dat onze generatie daardoor sneller opgebrand zal raken, heeft hij misschien wel gelijk.

'Elke week is in feite een selectiewedstrijd. Maar daar moeten we niet te moeilijk over doen. We verdienen een lieve duit, dus dan mag je ook wat vragen. Normaal gesproken ben ik er over vijf jaar echt nog wel bij. In 2006 een titel verdedigen, dat zou pas gaaf zijn.

'Misschien ben ik door die val op het EK nog wel ambitieuzer geworden. Wat heb ik eraan dat ze mij een talent noemen. Je moet een titel pakken. Na die val heb ik gemerkt hoe snel ze je vergeten zijn: één keer in de week nog een telefoontje. Zo werkt het.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden