Betere controles, meer geheimzinnigheid

De dopingregels in het schaatsen zijn aangescherpt. De jacht op Epo krijgt eindelijk vorm. Was tot voor kort hematocriet het ijkpunt, nu gaat het om hemoglobine....

EEN bloedpaspoort. Het klinkt onsmakelijk, een beetje macaber zelfs. Maar de eenvoud en directheid spreekt schaatsers aan. Het belooft helderheid, maakt korte metten met vage geruchten en niet te weerleggen beschuldigingen over dopinggebruik. Alsof het een document betreft dat ieder moment te voorschijn kan worden getoverd. Kijk. Hier staat het. Schoon.

Het wonderpaspoort laat op zich wachten. Misschien komt het, misschien niet. Het IOC is ermee bezig, het wereldwijde antidopingagentschap WADA werkt eraan, en ook de medisch specialisten van verschillende sportbonden buigen zich over tijdrovende vragen. Welke data komen in het bloedpaspoort (of moet het medisch paspoort heten?), wie moet de gegevens verzamelen en controleren, en wie gaat het betalen?

Ondertussen zijn de dopingreglementen voor schaatsers aangescherpt, na een paar jaar waarin werd geëxperimenteerd met mogelijke aanpassingen. Voortschrijdend inzicht noopt de bestuurders van de International Skating Union (ISU) tot nieuwe initiatieven - vooral als het gaat om het verboden, moeilijk traceerbare wondermiddel: Epo.

De gehoopte eenvoud is ver te zoeken.

En of de nieuwe controles voldoende zijn om verdenking weg te nemen valt te bezien.

Hematocriet, het sleutelwoord in de strijd tegen Epo sinds de internationale wielrenunie in 1997 gezondheidscontroles invoerde, is door de medische commissie van de ISU naar de subparagrafen van de dopingcode verbannen. Het gehalte aan hemoglobine geldt nu als maatstaf, net als bij de internationale skifederatie. En dan zijn er nog extra methoden gevonden om het bloed zijn geheimen te ontfutselen, zoals het tempo waarme bloedcellen worden aangemaakt.

De ISU spreekt van bloedscreening. In het bloed is namelijk geen direct bewijs te vinden voor het gebruik van Epo, dat atleten in staat stelt beduidend meer zuurstof op te nemen.

De schaatsunie hoopt dat deze methode een einde maakt aan de vergelijkingen waarmee schaatsers de afgelopen jaren in kwaad daglicht konden worden gesteld. Eerst werd jarenlang niet naar Epo gespeurd, toen slechts op beperkte schaal én met een methode die buiten de schaatswereld kritiek uitlokte.

Waarom, zo vroegen wielerliefhebbers zich vorig jaar af, krijgt een schaatser pas een tijdelijk startverbod als zijn hematocriet 54 of hoger is. Een seizoen eerder, het eerste waarin bij schaatsen op Epo werd gecontroleerd, was het nog 50, net als bij wielrenners. (Voor skiërs gold toen 52, bij zwemmers wordt het uit vrees voor geldverslindende juridische procedures niet gemeten).

De vergelijkingen missen nuance, zegt de ISU. Elke schaatser met een hematocriet van 50 of hoger is aan een nader onderzoek onderworpen. Een verhoogde aanmaak van jonge bloedcellen is namelijk een betere indicatie voor het gebruik van Epo, dan alleen de hematocriet. Dat gehalte komt soms op natuurlijke wijze boven de 50, zoals herhaaldelijk is gebleken in de wielersport. De extra toets is bedoeld om te voorkomen dat schaatsers ten onrechte worden uitgesloten.

Op grond van deze methode heeft de ISU vorig seizoen verschillende schaatsers aan nader onderzoek onderworpen. Ze moesten meewerken aan een urinetest. Wat met bloed niet kan, lukt sinds de Olympische Spelen van Sydney namelijk wel met urine. Het gebruik van Epo kan, tot vier à vijf dagen na het inspuiten, met zekerheid worden aangetoond. Daarna zijn de sporen verdwenen. In bloed blijven de onregelmatigheden, die dus geen direct bewijs opleveren, bijna een maand lang zichtbaar.

De vorig seizoen geteste schaatsers kwamen ongeschonden door de relatief dure urinetest. (De skibond hanteert eenzelfde procedure, de wielrenunie sinds deze zomer ook).

Deze winter gaat de schaatsunie nog een stap verder met het bloedonderzoek. Het hematocriet (het percentage rode bloedcellen in bloed) maakt plaats voor de hemoglobine (een eiwit met ijzeratomen dat zuurstof bindt). Het gehalte hemoglobine per cel is minder gevoelig voor factoren die niets met doping te maken hebben. Inspanning, vermoeidheid en een tekort aan vocht zijn op de uitslagen van de nieuwe test minder van invloed.

Ondanks de initiatieven van de schaatsunie is niet duidelijk of de bloedscreening voor schaatsers de gewenste steun in de rug is. De controles mogen dan verbeterd zijn, de schaatsers wordt lang niet zo vaak de maat genomen als ze zouden willen. Coryfeeën als Rintje Ritsma en Gianni Romme hebben herhaaldelijk gezegd dat ze vaker bloed willen afstaan. Ze zoeken een verweer tegen de beschuldigingen. Vooral van Epo-gebruik.

De afgelopen jaren hebben de dopingcontroleurs van de ISU en DoCoNed, de instantie die namens de sportbonden atleten onderzoekt, regelmatig tests uitgevoerd. Bij de meeste wedstrijden en bij tussentijdse controles is urine afgenomen, vooral door de ISU. Die urine is geanalyseerd op de lange IOC-lijst van verboden stoffen.

Maar niet op Epo.

DoCoNed verricht geen bloedcontroles zolang er geen helderheid bestaat over de juridische status van die ingreep. 'Ik denk zelf dat er goede redenen zijn om over te gaan tot bloedtesten', zegt directeur Maarten Koornneef. Als atleten vrijwillig meewerken aan de bloedtest kan het volgens hem ook. Het Nederlands Centrum Dopingvraagstukken twijfelt echter. In de grondwet staat dat er gewichtige redenen moeten zijn om de lichamelijke integriteit van mensen te schenden.

DoCoNed gaat dit jaar wel een beperkt aantal schaatsers via een urinetest op het gebruik van Epo controleren. Dat is voor het eerst.

De ISU heeft zich weinig aangetrokken van de Nederlandse grondwet. Het heeft gebruik gemaakt van de vrijheid van sportbonden om bloedtesten in te voeren. Maar sinds de officiële introductie van de bloedtest, vorig seizoen in Heerenveen, zijn bij slechts twee evenementen controles verricht. Buiten de wedstrijden om zijn nooit bloedmonsters genomen. Bij eerdere proeven (in Milwaukee en Nagano) telde de uitslag niet.

Het aantal bloedcontroles is volgens de ISU vooral zo gering geweest vanwege logistieke problemen. De Bayer Advia, het testapparaat, was vaak niet beschikbaar in ziekenhuizen nabij de ijsbaan. Dit seizoen zal er vaak genoeg worden getest om een betrouwbaar beeld van ontwikkelingen in het bloed te krijgen.

'Het aantal controles is tot nu toe te laag geweest', meent KNSB-arts Hans van Kuijk. 'Het systeem werkt eigenlijk alleen als je het hele jaar door onverwachte out-of-competition-controles houdt.'

In een poging om schaatsers tegen beschuldigingen te beschermen is de KNSB in 1999 zelf begonnen met het nemen van bloedmonsters. Elke vier tot zes weken is de schaatsers van de KNSB-ploegen bloed afgenomen, om te kijken of zich onregelmatigheden voordoen. Bij de commerciële ploegen gebeurt iets soortgelijks.

De waarde van de eigen bloedtests is onduidelijk. Als een schaatser via een urinetest op Epo wordt betrapt, zal de eigen databank hem weinig goed doen. Zolang het om onregelmatigheden in het bloed gaat, zal het materiaal door de ISU misschien worden gezien als bruikbare informatie. Zeker is dat niet. Er is dan sprake van rechtsongelijkheid aangezien de meeste buitenlandse schaatsers geen eigen bloedbank bijhouden.

Van Kuijk: 'Tot voor kort konden schaatsers zich niet verweren tegen beschuldigingen van Epo-gebruik. Nu kan dat wel, mits er goed wordt gecontroleerd. Onze bloedtesten wijzen uit dat er niets aan de hand is. Maar ik realiseer mij dat we ons niet echt kunnen verdedigen. Ik word op mijn woord geloofd. Of niet.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden