Beter voor de onderkant dan voor de top

Iedereen vindt goed onderwijs belangrijk. Maar wat is het eigenlijk en hoe bereik je het? De leraar, natuurlijk, die moet het doen. Maar juist in dat vak hebben we de afgelopen decennia een forse niveaudaling toegestaan.

'Laat nu niemand beweren dat schoolmeesteren geen avontuurlijk baantje is...' , zegt Meester Staal, hoofdpersoon in De Gelukkige Klas (1926) van de schrijvende schoolmeester Theo Thijssen. Wie een idee wil krijgen van de waarde die we in Nederland hechten aan goede leraren, leze er de literatuur op na.


Meester Staal probeert met de destijds gebruikelijke orde en tucht, maar ook met humor en een gezonde weerzin tegen orders van de inspectie, een klas Amsterdamse arbeiderskinderen taal, rekenen en enigszins beschaafde omgangsvormen bij te brengen. Thijssen zelf, socialist en overtuigd volksverheffer, deed het precies zo. Meester Staal is verre van volmaakt, maar zijn hart klopt voor het onderwijs en in het bijzonder voor zijn klas. Hij is een held.


Dat geldt ook voor zijn eigentijdse incarnatie: de chaotische en onconventionele Mees Kees, geschapen door schrijfster Mirjam van den Oldenhave en onlangs nog vereeuwigd in een succesvolle bioscoopfilm.


Natuurlijk zijn niet alle leraren in de Nederlandse literatuur helden, denk aan de dictatoriale Bint uit het gelijknamige boek van Bordewijk, maar de boodschap van Bordewijks schrikbeeld komt overeen met die van Thijssen of Oldenhave: zonder goede leraar geen goed onderwijs.


Hoe goed is de Nederlandse juf of meester? Kan hij of zij zich meten met zijn archetypes?


Hij of zij oogst in elk geval niet meer het vanzelfsprekende ontzag en vertrouwen als in de tijd van Thijssen. Een eeuw geleden was het ondenkbaar dat ouders na een laag uitgevallen middelbareschooladvies van hun zoon of dochter verhaal gingen halen bij de meester of juf. Nu komt dat geregeld voor. Maar honderd jaar geleden stonden op de opiniepagina's van kranten ook nog geen verhalen over leerkrachten die zelf de dt-regels niet beheersen, of zich verslikken in een staartdeling. Nu wel. En deden ook geen verhalen de ronde over reusachtige hbo's, waar docenten leerlingen ondanks abominabele eindscriptie toch laten slagen.


'De kwaliteit van het onderwijs moet omhoog.' Dat zeggen de politici, lobbyclubs, professoren, juffen, meesters en de krantenkoppen. De zin zingt als een mantra binnen de Nederlandse samenleving.


De Onderwijsraad, het belangrijkste adviesorgaan van de regering op onderwijsgebied, presenteerde eind januari het advies Kiezen voor kwalitatief sterke leraren. Beter onderwijs begint bij betere docenten, vindt voorzitter Geert ten Dam. Dat houdt in: meer universitair opgeleiden voor de klas, ook in het basisonderwijs en strenge selectie aan de poort van lerarenopleidingen.


'Vanwege het lerarentekort was het overheidsbeleid de afgelopen twintig jaar lang gericht op kwantiteit', zegt Ten Dam. 'Daardoor is het opleidingsniveau gedaald.' Maar nu het lerarentekort door een terugloop van het aantal geboorten tijdelijk minder groot is dan verwacht, vindt de Onderwijsraad het tijd voor een kwaliteitsimpuls.


In het basisonderwijs is het aantal universitair opgeleide leerkrachten 20 procent lager dan in 1998. In dezelfde tijd is het aantal juffen en meesters dat van het mbo komt met 40 procent gegroeid. In het voortgezet onderwijs voltrekt zich een vergelijkbare trend: het aantal 'eerstegraders' (universitair opgeleide docenten) neemt af, terwijl het aantal onbevoegden voor de klas stijgt.


Een kwart van de lessen in het voortgezet onderwijs wordt gegeven door onbevoegde docenten, blijkt uit een peiling in opdracht van het ministerie van OCW waaraan 517 middelbare scholen meededen. Om voor de klas te staan op het hbo of mbo, is een diploma in het vak waarin je lesgeeft niet eens nodig. Een hbo-diploma in welke richting dan ook, volstaat.


'Echt heel erg', vindt Ten Dam dat. 'Natuurlijk is een hoog diploma geen garantie dat iemand een goede docent is. Maar om vragen van nieuwsgierige leerlingen buiten de lesstof om te kunnen beantwoorden, moet je wel vakkennis hebben en een brede intellectuele bagage.' Ze maakt graag de vergelijking met de zorg: 'onbevoegde handen mogen niet aan het bed. Dus ook niet voor de klas.'


Vanwaar die zorgen? Is het Nederlandse onderwijs zo gruwelijk slecht? Integendeel.We behoren tot de wereldtop. In de driejaarlijkse internationale PISA-onderzoeken naar de prestaties van 15- en 16-jarigen wereldwijd, staat Nederland in de toptien, of net daarbuiten. Op Finland na zijn we de beste van Europa. Wel is Nederland sinds het eerste onderzoek in 2000 een paar plaatsen gezakt. Maar die daling is relatief, omdat ze grotendeels wordt veroorzaakt door hoge noteringen van landen uit Azië die eerder niet meededen aan PISA.


Toch is er wel degelijk iets opmerkelijks aan de hand: Nederland dankt zijn topklassering aan de laagste regionen van het vmbo. Onze laagstopgeleiden zijn in hun klasse zelfs de besten van de wereld. Onze hoogst-opgeleiden niet. De beste Nederlandse vwo'ers zijn lang niet zo goed als hun leeftijdgenoten in Nieuw-Zeeland, Zuid-Korea of Finland. Maar we staan nog steeds dertiende, van de 67 deelnemende PISA-landen.


Ook blijft het aantal universitair en hbo-geschoolden in Nederland stijgen. En in de Times Higher Education World Reputation Rankings, waaraan 17 duizend universiteiten wereldwijd meedoen, staan vier Nederlandse universiteiten in de tophonderd.


Ervan uitgaande dat goed onderwijs het resultaat is van goed leraarschap, kunnen we stellen dat de Nederlandse leraren, van basisschool tot universiteit, prima werk leveren. Dat de grootschalige volksverheffing waarvoor Theo Thijssen en zijn tijdgenoten een eeuw geleden streden, werkelijkheid is geworden. Het Nederlandse onderwijs produceert misschien weinig nieuwe Einsteins, maar is zeer democratisch en levert veel tamelijk hoogopgeleide arbeidskrachten af .


Maar precies daar wringt de schoen: met middelmaat maak je het niet in de kenniseconomie, vinden politici en beleidsmakers. Sinds de kabinetten-Balkenende staat onderwijs in toenemende mate in dienst van de internationale economische concurrentie.


'Goed onderwijs voor iedereen en een open, geschakeerd cultureel leven zijn van grote betekenis voor de individuele ontwikkeling en de weerbaarheid van mensen.' Zo luidt de eerste regel van de onderwijsparagraaf uit het regeerakkoord van het eerste kabinet-Kok, 1994. Bijna een decennium later stelt Balkenende II: 'Onderwijs en onderzoek zijn een essentiële basis van de samenleving en de economie.'


En dan Rutte II, weer tien jaar later: 'Onderwijs en wetenschap in Nederland zijn van hoog niveau, maar onze ambitie reikt verder: wij willen tot de topvijf van de wereld gaan horen.'


Het Nederlandse onderwijsbestel, bastion van de verguisde zesjescultuur, wordt bestookt met verbale beleidsmunitie: topuniversiteiten, honoursprograms, hoogbegaafdenklasjes, waarbij het predikaat 'excellent' scheutig wordt gebruikt.


De leraren zijn de frontsoldaten die deze woordenstroom moeten omzetten in werkelijkheid, zo maken Rutte en Samsom in de tweede zin van de onderwijsparagraaf expliciet: 'De kwaliteit van de man of vrouw voor de klas of in de collegezaal is daarbij van doorslaggevende betekenis. (...) Dit zijn de mannen en vrouwen van wie we het moeten hebben: in hen willen we investeren.'


Die investering wierp haar schaduw de afgelopen jaren al vooruit in de oprichting van academische pabo's, in promotiebeurzen voor docenten, maar vooral in strengere eisen aan leraren in de dop. Finland geldt daarbij als lichtend voorbeeld. Daar, zo schijnt het, staan alleen academisch opgeleiden voor de klas, scoren de scholen uitmuntend in PISA-tests en dromen de pienterste koppen in de collegezaal van een carrière als docent.


Op het Theo Thijssen-instituut, de Utrechtse pabo, zitten op maandagochtend twee meisjes en een docent gebogen over een kubieke decimeter van hout. Hoeveel er daarvan in een kubieke meter gaan, is de vraag. De eerste gok, tien, is fout. De tweede, honderd, ook. Pas als rekendocent Konstant Ciach de omvang van een kubieke meter met grote armgebaren aanschouwelijk maakt, valt het kwartje. 'Duizend. Wow. Dat had ik niet gedacht.'


De meisjes zijn al twee keer gezakt voor de instaptoets rekenen die iedere eerstejaars pabo-student moet halen om verder te mogen met de opleiding. Met een diepe frons op het voorhoofd, pennen ze de adviezen van Chiach in hun bloemetjesschriften. 'Maar we houden de moed erin', zegt Chiach, somme- tjes schrijvend op zijn digibord. 'Voor de derde en laatste poging gaan jullie slagen, als jullie elke dag een uur oefenen.'


'Er ligt de laatste jaren een vergrootglas op leraren', vindt pabodocente Jacqueline Breedijk (50). 'Door de grote toestroom van mbo-studenten hebben we het niveau van het aanbod ongemerkt naar beneden aangepast. Dat was niet goed. Nu willen we weer meer van leerlingen vragen, maar er wordt erg veel van ons verwacht. We moeten vakkennis hebben, én didactisch vaardig zijn én managen, pedagogisch gevoelig zijn, het is én, én, én. Aan de andere kant: juist die complexiteit maakt het beroep ook zo mooi.'


De overheid legt de verantwoordelijkheid voor goed onderwijs te eenzijdig bij de leraar neer, vindt Jelmer Evers, geschiedenisdocent op het Utrechtse Unic College voor havo en vwo. 'Wij voelen de druk van de groeiende hoeveelheid rankings en lijstjes van excellente scholen. Als onze school niet goed scoort, worden we daar toch op aangesproken door ouders en plaatselijke media.'


Evers, universitair opgeleid, geeft vier dagen per week les. Op de vijfde dag schrijft hij lesmethodes en opiniestukken over onderwijs. 'De overheid wil het onderwijs verbeteren. Mooi, dat wil ik ook.' Maar dan moeten ze niet alleen de leraren aanpakken, vindt hij. 'De kwaliteit van het Nederlandse onderwijs staat vooral onder druk omdat de klassen veel groter zijn dan in onze buurlanden. Ook geven leraren veel meer uren les dan de meeste Europese collega's. Maar dat veranderen gaat de overheid veel te veel geld kosten.'


Van de jonge, universitair opgeleide leraren in het voortgezet onderwijs houdt 40 procent het binnen drie jaar weer voor gezien. Evers begrijpt dat wel. 'Vanwege de werkdruk, maar vooral omdat dat juist de mensen zijn die iets willen. Ze willen creatief zijn, meer dan alleen maar een methode volgen en lessen afraffelen.'


'Wie carrière wil maken in het onderwijs, moet weg uit het klaslokaal. Dat is de kern van het probleem', zegt filosoof Ad Verbrugge, oprichter van het platform Beter Onderwijs Nederland.' 'Die ziekte zit in het hele onderwijssysteem. De schaalvergroting in het onderwijs heeft van leraren managers gemaakt.'


Het woord 'excellent' vindt hij vreselijk, 'elke keer dat iemand het gebruikt is het onderhevig aan inflatie'. Maar hij vindt wel dat het onderwijs beter moet en dus de leraren. Niet omwille van rendement, maar vanwege het belang van 'vakinhoudelijke en algehele vorming'. Daarbij hoeven selectie en hogere ingangseisen niet geschuwd te worden.


'De taal- en rekentoetsen op de pabo zijn gegeven de huidige situatie absoluut noodzakelijk. Maar ze maskeren het werkelijke probleem: de cultuur op de Nederlandse onderwijsinstellingen. De docent is ondergeschikt geworden aan de rendementseisen, het zijn managers geworden, die werkstukken nakijken en ervoor moeten zorgen dat leerlingen een diploma krijgen.'


Ook Verbrugge bepleit de 'Finse oplossing': maak de selectie voor lerarenopleidingen zwaarder, maar geef de leraar ook meer autonomie. Dan wordt het beroep populairder, is de redenering. 'Persoonlijkheden die iets te melden hebben moet je niet te veel lastig vallen met regels, maar juist vrijheid geven. Doe je dat niet, dan krijg je wat er nu gebeurt: dat de pabo's volstromen met lieve meisjes die op zichzelf heel aardig zijn, maar niet de drive hebben tot een avontuurlijke manier van kennisoverdracht.


Theo Thijssen zou het roerend met hem eens zijn geweest. In een tijdschrift voor onderwijsvernieuwing schreef hij een eeuw geleden: 'Niet de letters van den man aan de schrijftafel, maar de daden van den man voor de klasse zijn paedagogiek.'


Altijd weer dat Finland...


In een discussie over onderwijskwaliteit valt steevast het woord 'Finland.' De Finnen hebben het op onderwijsgebied goed bekeken. Ze zijn het enige Europese land dat zich in PISA-onderzoeken kan meten met de Aziaten. Wat is het Finse geheim? Veertig jaar geleden gooide de Finse overheid, uit onvrede met de onderwijskwaliteit, het roer om. Uitgangspunt werd dat het onderwijs voor alle niveaus even goed moest zijn, om alle leerlingen dezelfde kansen te bieden. De school moest midden in de maatschappij komen staan. Schoolgebouwen in Finland herbergen nu niet alleen leerlingen, maar ook gezondheidscentra, kantines waar warm kan worden gegeten, artsenpraktijken en centra voor psychologische hulp. Het leraarschap werd exclusiever. Wie in Finland voor de klas wil, moet behoren tot de beste tien procent van de universiteit en daarnaast een speciale pedagogische opleiding volgen. De klassen zijn klein: 22 leerlingen maximaal, en de docenten geven minder uren les dan in Nederland. Zo is er meer tijd om lessen voor te bereiden en eigen methoden te ontwikkelen. Het Finse onderwijs is sterk gedecentraliseerd. De overheid heeft weinig invloed en leraren stellen hun eigen curriculum samen. Ook de leerling heeft veel vrijheid, en kan uit veel, soms onorthodoxe, vakken kiezen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden