Beter onderwijs begint bij eerherstel docent

De plotselinge belangstelling voor het basisonderwijs komt vooralsnog alleen tot uiting in het trekken van de beurs. De bestedingsplannen zijn echter verre van consistent, betoogt Amos van Gelderen, en gaan voorbij aan onwelkome feiten....

NA VELE berichten en politieke manoeuvres rond het fenomeen 'kleine klassen' is de publieke meningsvorming over de manier waarop de kwaliteit van het basisonderwijs kan worden verbeterd nog geen stap vooruit gekomen.

Dat blijkt zonneklaar uit de volgende standpunten die de laatste tijd in de pers zijn geventileerd:

1. kleine klassen zijn beter voor het onderwijs;

2. onderwijs kan worden verbeterd door ongerichte stimulerende maatregelen op het niveau van de school;

3. de politiek hoeft alleen te letten op de resultaten aan het eind van de basisschool;

4. de kwaliteit van scholen kan gelijkgesteld worden met de prestaties van leerlingen in groep acht;

5. achterstanden van groepen leerlingen zijn geheel weg te werken door beter onderwijs.

Geen van deze standpunten houdt stand bij nadere aanschouwing, en het is daarom pijnlijk te constateren dat verantwoordelijke politici en ambtenaren voor dergelijke standpunten willen tekenen, en er zelfs hun beleid op inrichten.

Het is zinvol dit lijstje nader toe te lichten. Wat te denken van punt 1? Staat onomstotelijk vast dat kleine klassen betere prestaties leveren? Allerminst. Er is in de loop der tijd (vanaf de jaren '70) een hele vracht onderzoek gedaan naar deze eenvoudig lijkende vraag, maar een eenduidig antwoord is nog steeds niet gegeven.

Sommigen vinden dat zo onbevredigend, dat ze liever hun vooroordelen geloven dan zorgvuldig en uitgebreid onderzoek. 'Je voelt het toch aan je water dat het zo is? Nou dan', is een tamelijk populaire stelling in deze discussie.

Zelfs hooggeplaatste ambtenaren en hoogleraren blijken er last van te hebben. In de commissie die het effect van kleine klassen moest evalueren (de commissie-Van Eijndhoven) is een ad hoc onderzoek uitgevoerd. Hoewel dit (en ander) onderzoek geen stellige uitspraken toelaat over de wenselijkheid van klassenverkleining, spreekt de commisse zich hier toch voor uit.

De politieke wenselijkheid telde vervolgens ook zwaarder bij de staatssecretaris voor Onderwijs. Mevrouw Netelenbos heeft een koerswending ten gunste van de kleine klassen aangekondigd. Verwachte kosten volgens de gemeenten: enkele miljarden!

De onderwijsredactie van de Volkskrant heeft overigens ook haar steentje bijgedragen. Met veel bombarie haalde ze enkele maanden geleden een Amerikaans onderzoek aan waarin fantastische effecten - tot vér in het voortgezet onderwijs - zouden zijn aangetoond.

Helaas is van dit onderzoek niets in wetenschappelijke tijdschriften verschenen, en contrasteren de beweerde resultaten met de vele andere onderzoekingen die zijn verricht. We zouden in dit verband eens terug moeten denken aan de ontdekking van de koude kernfusie.

En wat te denken van stelling nummer 2? Kan onderwijs worden verbeterd door ongerichte stimulerende maatregelen op het niveau van de school?

Dit is een favoriete stelling van veel politici. Wethouder Van der Aa van Amsterdam (in de Volkskrant van 18 januari) zegt bijvoorbeeld dat hij weinig vertrouwen heeft in de visie van het ministerie als het gaat om de vraag hoe kleine klassen tot beter onderwijs moeten leiden.

Zijn eigen antwoord is dat niet de centrale overheid, maar de gemeente de verbetering van het onderwijs in banen moet leiden. Het geld voor de klassenverkleining zou hij aan de scholen geven, en die mogen dan zelf weten wat ze met dat geld doen (zie ook stelling 3). Als ze de kwaliteit maar verbeteren. Wie goed presteert, krijgt extra geld. Wie zonder aanvaardbare uitleg slechte resultaten behaalt, verliest zijn rechten. Klare taal. Maar wat is de onderwijsinhoudelijke visie achter dit beleid? Laisser faire!

Net zomin als het ministerie weet hoe het onderwijs moet verbeteren, weet wethouder Van der Aa het. Voor politici is het prettig te kunnen zeggen dat het moeilijke werk door anderen moet worden gedaan. Zij betalen alleen naar prestatie. Daarvoor gebruiken ze drogredenen, namelijk dat de kwaliteit van het onderwijs geheel bepaald wordt door schoolbeleid, en dat directeuren en politici naar believen hun invloed kunnen doen gelden.

Uit onderzoek blijkt echter van een stabiel schooleffect helemaal niets. Scholen die in het ene jaar hoge scores halen op de Cito-eindtoets, verdwijnen in het volgende jaar in de grijze middenmoot of zelfs daaronder, en ook omgekeerd blijken scholen met lage scores in het ene jaar soms tot de toppers in het volgende te behoren.

Onderzoek van Henk Blok uit 1992 naar de resultaten van vijf jaren eindtoets basisonderwijs heeft dit duidelijk aangetoond. Als we de theorie van de beleidsmakers moeten geloven, dan gaan deze scholen gebukt onder een wel erg wispelturig management. Een geloofwaardiger verklaring is echter dat effectiviteit niet op schoolniveau bereikt wordt, maar op klasniveau.

Het lijkt wel of de politici zijn vergeten dat het nogal wat uitmaakt wat de deskundigheid is van de persoon voor de klas. In die deskundigheid is men de afgelopen jaren stomweg vergeten te investeren. De status (en de beloning) van het leraarschap is de afgelopen jaren duizelingwekkend gedaald, en daarmee ook het niveau van de beroepsopleiding.

Bovendien vereist een beleid gericht op deskundigheidsbevordering meer onderwijsinhoudelijke visie dan het gerammel met geldbuidels. Het vereist bijvoorbeeld een visie op de eisen die men moet stellen aan de vakdidactische kwaliteiten van de leerkracht op gebieden als taal, rekenen en wereldoriëntatie.

Over stelling nummer 4 kunnen we kort zijn. Het is onverteerbaar de kwaliteit van scholen gelijk te stellen met de prestaties van leerlingen in groep 8. Wat er aan stabiele schooleffecten gevonden wordt in onderzoek, blijkt voor het grootste deel verklaard te worden door verschillen in de leerlingpopulaties. Scholen met veel leerlingen uit gezinnen in een lage sociaal-economische positie scoren gemiddeld duidelijk slechter dan scholen waarvan de leerlingen in een meer bevoorrechte situatie verkeren.

De stelling hangt samen met de onuitroeibare mythe dat achterstanden voor alle leerlingen door het onderwijs kunnen worden weggewerkt (stelling 5 ). Van der Aa zegt dat de leerlingen op Amsterdamse scholen op zijn minst even goed moeten zijn als de gemiddelde Nederlandse leerling. Hij gaat er dus aan voorbij dat de invloed van de gezinssituatie op schoolprestaties van kinderen vele malen groter is dan het genoten onderwijs.

Bovendien bestaan er ook grote verschillen in aangeboren leervermogen die door het onderwijs nooit weggewerkt kunnen worden. Onderwijs kan de achterstanden proberen te verkleinen. Maar als men de Amsterdamse scholen met een landelijk gemiddelde wil vergelijken, zullen ten minste ook de verschillen in omstandigheden en aangeboren vermogens van de leerlingpopulaties in aanmerking genomen moeten worden. Het streven naar een landelijk gemiddeld prestatieniveau getuigt niet van realiteitszin en wekt overspannen verwachtingen over de mogelijkheden van het onderwijs.

Kwaliteit van het onderwijs wordt niet gemeten door scores op een toets aan het eind van de rit, maar door zorgvuldig na te gaan of leerlingen er elk schooljaar, uitgaande van hun kennisniveau en intelligentie, voldoende bijleren. Niet het absolute prestatieniveau, maar de leervorderingen bepalen de kwaliteit van het onderwijs.

Jammer voor de politiek, want dat is niet eenvoudig te meten. Jammer ook voor veel onderzoek naar het effect van kleine klassen, want daarin is niet gekeken naar leervorderingen.

Amos van Gelderen is onderwijsonderzoeker bij de Programmagroep Taalonderwijs van het SCO-Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden