Beter, bourgondischer en chiquer

Cécile Narinx is daverend Limburgs, en verlangt steeds heviger naar haar bakermat Maastricht

De uit een oer-Limburgse familie afkomstige Cécile (Marie Josée Christiane) Narinx heeft in 'Holland' geprofiteerd van haar afkomst. Maar terugverhuizen lijkt inmiddels een reëele optie.

Foto Els Zweerink

Feitelijk ben ik er al langer weg dan ik er gewoond heb. Mijn zachte g ben ik kwijt, en mijn moeder zegt soms - gekscherend, maar ondertússen - dat ik zo verhollandst ben. Ik woon al 28 jaar in Utrecht en werk al 22 jaar in hartje Amsterdam, waar ik met mijn ogen dicht de weg kan vinden. Een bruisende stad is het, een dorp eigenlijk, waar iedereen elkaar kent en je struikelt over onnozele toeristen die de weg vragen. Waar taxichauffeurs en andere fietsers je de takketyfus toewensen als je ze voor de voeten rijdt; wat het ook een opgefokte en benauwde stad maakt, die me af en toe - maar steeds vaker, en om heel eerlijk te zijn: steeds heviger - doet terugverlangen naar mijn bakermat Maastricht.

Daverend Limburgs

Flashback: op mijn 15de kwam ik voor het eerst in Amsterdam, op Tienertoer. Aan een tramconducteur vroeg ik of hij misschien wist hoe ik bij Madame Tussauds kon geraken. Hij zei: 'Rot op naar je eige provinsie. Met je sachte gggee.' Ik was verbijsterd, iets wat in het Maastrichtse dialect verpopzak heet.

Voor ik het vergeet, en dat zou bijzonder on-Limburgs onbeleefd zijn: laat ik me even voorstellen. Cécile Marie Josée Christiane zijn de doopnamen, Narinx is de achternaam, en ik ben daverend Limburgs. Ik werd geboren in Maastricht, in een straat die van de Sint Pietersberg naar de Jeker leidt, en ik bleef daar wonen tot ik op mijn 19de het huis verliet, om te gaan studeren - maar daarover later.

Katholiek

Voor wie zich afvraagt hóé Limburgs ik eigenlijk ben: dankzij mijn vaders noeste stamboomonderzoek weet ik dat de voorvaderen Narinx zich vanuit Beieren via de champagnestreek in 1642 in Zuid-Limburg hebben gevestigd - een traject dat mijn warme affiniteit met bier en mousserende wijn genetisch gezien totaal plausibel maakt. Ook van moeders kant is het een en al Limbourgeoisie wat de klok slaat. Van die kant wortelt de stamboom diep in het Geuldal.

Nodeloos te zeggen dat mijn hele jeugd, en die van mijn twee oudere zussen, een enorm Limburgse toestand was. En dientengevolge een hele katholieke. Mijn zussen werden gedoopt door mijn vaders broer noonk Jef, die pastoor was. Zelf werd ik gedoopt door mijn moeders neef No, eveneens pastoor. Ik zat op een kleuterschool waar nog de laatste twee van een roedel stokoude nonnen les gaven - zuster Clara Magdala en zuster Maria Virginia, in mijn herinnering qua teint even flets als het boord van hun habijt.

Uiteraard baden we elke ochtend voor de les en elke avond thuis voor het eten, deed ik met de volledige schoolklas (op één protestantse, Hollandse jongen na) de eerste heilige communie en het vormsel, liep ik mee in de jaarlijkse processies en de heiligdomsvaart van 1983. Ons huis hing vol met Mariabeelden, wijwatervaatjes en crucifixen-met-palmtakjes. Boven het eikenhouten bed van mijn ouders, de plek waar ik op 15 juni 1970 kerngezond ter wereld kwam, hing een reproductie van Dürer die de hemel voorstelde.

Dat schilderij vond ik eng. Er stonden kale mannen met baarden op die hologig naar God staarden, en bleke engelen met palmtakken. Verder vond ik alles wat met de kerk te maken had picobello gezellig, zij het tijdens de zondagsmis een beetje saai. Gelukkig viel er veel te kijken, naar alle beelden, glas-in-loodramen en kruiswegstaties. Naar parochiegenoten die hun best hadden gedaan om iets chics aan te trekken. Een hoogtepunt qua opwinding was de keer dat de harmonie speelde tijdens de dienst en een van de meegekomen majorettes flauwviel van de wierook.

Foto Els Zweerink

Geloof in het gelóóf

Flash forward: afgelopen palmzondag zat ik in Rome in een stadsbus richting de Bocca della Verità. Naast me zat een volslagen onbekende man, die danig uit zijn mond stonk naar asbak - een Bocca dello Puzzo dus. Hij vroeg: bent u Christen? Toen ik ja zei, vroeg hij: 'Gelooft u in God of gelooft u in de kerk?' Ik zei na enig nadenken: 'Poeh, dat is een grote vraag! Iets te groot voor de zondagmorgen.'

Toen ik uren later langs de basiliek van San Bartolomeo op het eilandje in de Tiber slenterde, stopte ik om te kijken naar een groep vroom zingende nonnen en broeders. Eromheen kuierden opgewekte types met manden vol verse olijftakken, ter ere van Palmpasen. Ik nam twee struikjes aan, kon ik mijn ouders vast blij mee maken, voor achter al die crucifixen thuis. Ik dacht nog eens na of ik geloofde in God of in de kerk - het was er de uitgelezen plek voor - en bedacht me dat ik vooral geloof in het gelóóf. In de kracht en troost die mensen putten uit oude verhalen en rituelen, de vanzelfsprekendheid van naastenliefde, barmhartigheid en vergeving, het nut van sacramenten. En de noodzaak van een uitgebreide koffietafel met broodjes én vlaaien én borrels na een droevig afscheid. Het is de matrix van ons familieleven, altijd geweest ook - en in ons geval meer een ondersteuning dan een beklemming. Het onderstreepte, legitimeerde en versierde alle grote gebeurtenissen in het leven. Logisch dus dat ik ook fantaseerde over een huwelijk in de kerk, met het Ave Maria halverwege en beierende klokken na afloop. Logisch dat mijn moeder - gekscherend, maar ondertússen - herhaaldelijk hintte dat ik later toch vooral aan een katholiek moest blijven hangen, en bezwoer: 'Kom miech neet toes mèt unne Hollender!'

Binnen de lijntjes kleuren

Wat ik ook luid en duidelijk meekreeg door mijn Limburgse opvoeding: dat je diep respect moet hebben voor notabelen. Naar de burgemeester, de gouverneur, het hoofd van de school, de dokter en natúúrlijk de pastoor werd met heilig ontzag opgekeken. Niet dat we ze reverences makend tegemoet traden en gebogen achterwaarts schuifelend weer vaarwel zwaaiden, maar veel scheelde het niet. Vriendelijk knikken, glimlachen, zwijgen. Klagen en onaardige dingen over anderen zeggen deden we thuis wel. Stiekem. Maar naar buiten toe was het altijd mooi weer.

Dat mooi weer spelen, de schijn zo veel mogelijk ophouden, de hiërarchie respecteren en de buitenkant verzorgen, dat is even diep verankerd in het rooms-katholicisme en de Limburgse volksaard als in mij. Als ik iets goed kan, dan is het wel binnen de lijntjes kleuren. Ook letterlijk trouwens, want ik won als lagere scholier de ene na de ander kleurwedstrijd.

En toen, ergens in 1983, ging ik puberen. Ik vond het be-la-che-lijk dat ik elke week naar de kerk moest, dat iedereen in Limburg zo indolent en hypocriet was, dat ik altijd weer het zusje van haar en het nichtje van hem was en dat Maastricht een ouderwets, benauwend dorp was.

In 1986 ging ik met de school op studiereis naar Rome en besloot daar dat ik iets met reizen, schrijven en mooie kleren wilde doen - en dat ik zo vaak mogelijk terug naar Rome zou gaan. Ik bereidde me voor op een nieuw begin in een grote stad, buiten Limburg. Niet in Amsterdam, want daar was ik ooit uitgekafferd, en dat deed nog steeds een beetje zeer.

Ouwe jeans en paardenstaart

In augustus 1989 stak ik de rivieren over om in Utrecht Letteren te gaan studeren. Ik sloot me aan bij studentenvereniging Veritas - van origine katholiek - en leerde op kamp studentenliederen zingen. Als de rest al aan het eind van het liedje was, hing ik nog halverwege de laatste zin, een gevolg van mijn Limburgse tongval waardoor ik woorden nét iets langer trok. Gaandeweg leerde ik dat af, al helemaal toen ik mijn Maastrichtse middelbareschoolvriendje had uitgezwaaid en verkering kreeg met een jongen uit Lochem. De Achterhoek, inderdaad, maar voor Limburgers heet alles benoorden Venlo Holland.

Ik leerde ook een heleboel dingen bij: dat het in studentenkringen niet gebruikelijk was om je met geföhnd haar, oorbellen en een handtas uit te dossen, maar dat een ouwe jeans, een brasjasje en een paardenstaart goed genoeg waren. Dat mensen gewoon wél zeiden wat ze dachten en niet per se iedere oudere of hoger geplaatste vousvoyeerden. Dat in Utrecht de gemeente er niet als de kippen bij was om graffiti en onkruid te verwijderen en de binnenstad aan te harken. Dat er plastic terrasstoelen voor cafés stonden, waar je koffie zonder geschulpte, zachtpapieren druppelvanger maar mét voetenbad geserveerd kreeg en op warme dagen soms mannen in hun blote bast zaten. Zoiets is in Maastricht ondenkbaar.

Foto Els Zweerink

Calimerocomplex en superchauvinisme

Ik switchte naar de School voor de Journalistiek en vroeg een stage aan bij De Gazet van Antwerpen. Omdat daar geen plek was, keerde ik met enige tegenzin voor drie maanden terug naar Maastricht, naar de redactie van De Limburger. Daar pikte ik de kerstperiode mee, waarin iedereen die graag een gunstig stukje in de krant wenste, of al had gehad, met een grote doos vlaai of een kist wijn langskwam op de redactie: quid pro quo. Tijdens een interview met een lokale zakenman werd ik door hem getrakteerd op nouvelle cuisine en dure wijn op Chateau Neercanne, en na plaatsing van het (uiteraard, wat wil je na zo'n lunch) ronkende portret werd ik daarvoor bedankt met een joekel van een bloemstuk. Wat achteraf niet zo heel journalistiek-integer voelde, maar wel weer heel Limburgs: quid pro quo in het kwadraat. Ik mocht ook meedraaien als verslaggeefster tijdens de Eurotop, toen Maastricht overspoeld werd door buitenlandse cameraploegen en zich trots wentelde in alle aandacht. Eindelijk, hoorde je iedereen denken, weten 'ze' ook dat we bestaan. Eindelijk mocht het stadje aan de Maas, door de Hollenders altijd maar weer afgeschilderd als een corrupt gat waar schlemielen tussen de nonnen al carnavalsliedjes zingend vlaai zaten te eten en met steekpenningen jongleerden, meedoen op het wereldtoneel. Het is daar en toen dat ik voor het eerst besefte dat er in Maastricht, en misschien wel in de rest van Limburg, een vreemd humeur heerst. Een combinatie van calimerocomplex en superchauvinisme: wij zijn beter en bourgondischer en chiquer dan de rest van het land, maar we worden nondepie altijd maar weer gediscrimineerd door die hoge maar lompe en luidruchtige heren in het Westen. Een sentiment dat elk carnaval wel weer ergens culmineerde in de dronken hymne 'Hollenders, Hollenders, sjeet ze mèr kepot.'

Grappig genoeg is het exact die Eurotop, het Verdrag van Maastricht, die me jaren later nog van pas komt. Nu ik een blitse baan heb in de modejournalistiek, de globe over trotter en de nodige smalltalk uit moet wisselen, krijg ik vaak de beleefdheidsvraag waar ik vandaan kom. Utrecht, waar ik woon, kent geen kip. Maar Maastricht doet bij iedereen een bel rinkelen: 'Yes! From the Treaty of Maastricht!' Ook van de Maastrichtse mores heb ik veel profijt gehad. Toen ik bij een lunch op het Parijse ELLE-hoofdkantoor op moest staan en een kleine reverence moest maken omdat de grote adellijke baas binnenkwam, keek ik daar niet raar van op. Toen ik erover vertelde tegen collega's die een antiautoritaire opvoeding hadden genoten en de Vrije School hadden doorlopen, rolden ze schuimbekkend met hun ogen. Dat het onder het genot van wijn een en al brave prietpraat en geglimlach is wat er uitgewisseld wordt tijdens zo'n lunch: snap ik toch! Dat alle orders als cryptische indirecte hints worden verpakt: herkenbaar. Zelfs het calimerochauvinisme van de Fransen ten opzichte van de Amerikanen doet denken aan dat van de Maastrichtenaren versus de Randstad.

Niet alleen de internationale uitgeverij blijkt een echo van Limburg, ook de modewereld. Tijdens modeweken zegt niemand hardop wat-ie echt denkt, maar doet iedereen aardig tegen elkaar om achteraf flink en vuig te roddelen. Hier is de buitenkant en make-believe de kurk waar de godganse industrie op draait, en word ik voortdurend gefêteerd op etentjes en snoepreisjes in de hoop dat het positieve publiciteit oplevert. En al heb ik inmiddels precies leren zeggen wat ik denk, en doe ik dat zónder boterzachte g - ik begrijp ook dat het niet altijd de verstandigste optie is.

Ongeëvenaard prachtig

Misschien is het daardoor dat ik wat milder ben gaan kijken naar Maastricht. Al snel na mijn verhuizing naar Utrecht realiseerde ik me dat de oude dame aan de Maas en haar omgeving ongeëvenaard prachtig zijn. En na jaren van carrière maken, jakkeren door drukke wereldsteden, uitwijken voor bierfietsende Chinezen en vier keer op een dag geduldig uitleggen waar Madame Tussauds is, realiseer ik me dat het tragere tempo en de leegte van Limburg misschien wel een zegen zijn. Een voorrecht. Toen ik een tijdje terug door VVV Maastricht gevraagd werd om, net als André Rieu en Tom Dumoulin, een van de ambassadeurs te worden van een nieuw Maastrichts vlaaienproject, was ik oprecht vereerd en apetrots.

Eind vorige eeuw trouwde ik met een ongelovige en vrij luidruchtige Noord-Hollander. Niet in de kerk uiteraard. Zonder klokken of Ave Maria. We kregen een prachtige zoon en een even prachtige dochter, die we niet lieten dopen, want 'dat zou maar hypocriet zijn'. Na negentien jaar is ons huwelijk onlangs in goed overleg ontbonden. Onze onverenigbare verschillen braken ons op. Natuurlijk heb ik me afgevraagd of het anders was gelopen met een katholieke Limburger, zoals mijn moeder voor ogen had. Gedachten waar je niks aan hebt, maar die soms passeren. Mijn zoon studeert al, in Amsterdam. Mijn dochter droomt ervan om volgend jaar naar de hogere hotelschool te gaan. In Maastricht. Als dat ervan komt is mijn nest leeg en staat het ook mij vrij om uit te vliegen waarheen ik maar wil.

Heimwee

Ook ik verlang naar Limburg, ik zei het al. Ik heb zelfs heimwee. Iets wat ik hardop uitsprak tijdens het afgelopen carnaval, waar ik 's avonds laat een oud-klasgenoot tegenkwam die ooit in Amsterdam woonde maar is terugverhuisd naar Maastricht.

'Weet waar je aan begint', zei hij - duchtig aangeschoten maar ongetwijfeld goudeerlijk. 'Er is hier helemaal niks veranderd. Het is misschien nog wel erger geworden. Ut zien gein chauviniste mie, mèh fasjiste.'

Daar schrok ik van.

Waar ik ook van schrok is de populariteit van de PVV, die in Venlo, Heerlen, Sittard-Geleen én Maastricht de grootste partij werd bij de verkiezingen. Wat nader beschouwd niet eens zo gek is als je bedenkt dat Wilders de grootste calimero van allemaal is.

Zou ik misschien heimwee hebben naar een Limburg dat niet meer bestaat? Of naar een Limburg dat nooit bestaan heeft? Een oord dat ik in gedachten mooier, zonniger en lieflijker heb gemaakt? Liederlijk heb geromantiseerd?

Misschien ben ik een sentimentele muts aan het worden. Ben ik de weinige wilde, ongehoorzame haren die ik had alweer kwijt. Heb ik, nu alles weer openligt, lijntjes nodig om binnen te kleuren. Wil ik dolgraag het zusje van mijn zussen en de dochter van mijn ouders zijn. Ik heb nog even om erover na te denken. Maar wie weet polijst ik op een goeie dag mijn g weer, slik ik mijn gedachten in en rot ik op, terug naar mijn eigen provincie.