Bestuurlijk landjepik

Een week na dato zijn de provinciale verkiezingen vergeten. Ten onrechte. De zich dik makende provincie leert hoe Nederland in de bestuurlijke spaghetti is geraakt.door Martin Sommer..

Wat beklijft er een week na de provinciale verkiezingen? Niet veel. De lage opkomst, de meerderheid voor de coalitie in de Eerste Kamer. Eigenlijk vooral het afscheid van Maartje van Weegen. De provinciale bestuurders mogen weer vier jaar sukkelen onder algemeen schouderophalen: laat die mensen toch. Ergens moet een reservaat zijn voor afgedankte wethouders en raadsleden. Een rimpelloze politieke vijver, waar ditmaal even een steen in dreigde te worden gegooid toen bestuurskundige Klaartje Peters een week voor de verkiezingen de provincie ‘het opgeblazen bestuur’ noemde.

Ze schreef een boek met die titel en haalde alle radio’s en kranten. De provincie, is haar idee, lijdt al jaren aan bloedarmoede. Het is een magere bestuurslaag, klem tussen Rijk en gemeente. Maar in plaats van gepaste bescheidenheid, kiest men voor de aanval en ‘een overdaad aan daadkracht’. Een onafzienbare reeks maatregelen, voorstellen, projecten, cursussen en workshops verlaat de provincieburelen, vaak op gebieden waar men niets in de melk te brokkelen heeft. Een klein beetje googlen leert dat Noord-Holland er eigen ontwikkelingshulp op na houdt, dat Utrecht de slachtoffers van loverboys helpt en dat Zuid-Holland driftig werkt aan een klimaatbestendig Zuid-Holland.

Klaartje Peters had even geen klagen over aandacht voor haar mooie, feitelijke studie. Toch vrees ik dat weldra De Slegte haar deel zal zijn. Geen mens in de provinciehuizen zit te wachten op kritiek en daarbuiten denkt men dat het zijn tijd wel zal duren. Kijk eens wat er is geworden van het voorstel van de zwaarwichtige commissie-Kok om de vier Randstadprovincies samen te voegen; een paar maanden na dato ligt het in de diepste duisternis van de onderste la.

Toch zou het jammer zijn als Het opgeblazen bestuur binnenkort vergeten is. Niet vanwege de inventaris van ongerijmde projectjes over armoedebeleid, gehandicaptenbeleid of provinciaal integratiebeleid, die vanwege geldgebrek altijd blijven steken in een mooie brochure hier of een workshopje daar. In dat geval is de grootste makke dat ‘de provincie in de weg loopt’ van anderen die er echt over gaan. Het probleem wordt serieus als er wél geld is, en daar hield Klaartje Peters geen rekening mee. Maar zojuist promoveerde in Groningen de econoom Eduard Gerritsen, met een inventarisatie van de spaarpotten van de provincies. Die blijken stinkend rijk. 9,4 miljard euro ligt er aan stille reserves. Heel veel geld, als je weet dat de provincies jaarlijks 4 miljard te verspijkeren hebben. Vooral als er aandelen in elektriciteitsbedrijven verkocht gaan worden, komt er een immens bedrag vrij. Dan gaat het niet meer over schattige projectjes.

Het blad Binnenlands Bestuur, in een bespreking van de dissertatie van Gerritsen: ‘Het is heel goed voorstelbaar dat provincies gekke dingen gaan doen. Wat zoal? Snel investeren of potverteren.’ De tekenen zijn er. In Zuid-Holland hebben we de Ceteco-affaire gehad, toen de provincie dacht eens flink te moeten bankieren. In Zeeland dringen de gedeputeerden aan op de aanleg van een container-terminal bij Vlissingen. Die is omstreden vanwege een natuurgebied; het CPB betwijfelt de opbrengst. Hebben we niet Rotterdam voor containers? Maar het geld moet rollen, net als de provinciale spierballen. Daar komt bij dat het voor gemeenten moeilijk is de verleiding van ‘positieve financiële incentives’ te weerstaan, schrijft de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). In Noord-Holland heeft de provincie voorgesteld een tunnel onder de historische binnenstad van Haarlem te graven voor een vrije busbaan. Kosten: honderd miljoen. De gemeenteraad kijkt met hongerogen naar dit offer you can’t refuse, en inderdaad, als de raad nee zegt, even goede vrienden maar dan gaat het geld ergens anders heen. De ROB was minder enthousiast over dit regeren met de geldzak en suggereerde dat gemeenten in een afhankelijkheidsrelatie komen. In bestuurstaal: ‘Dat leidt vanuit een oogpunt van allocatie tot suboptimale afwegingen.’ Tot slechte beslissingen dus.

Besturen, zeker met een zo lange traditie als provincies, laten zich moeilijker terugsnoeien dan brandnetels. Waar de noodzaak ontbreekt, komt het op de lobby aan. En met de lobby zit het van oudsher meer dan goed, omdat de commissarissen van de koningin politieke zwaargewichten zijn met directe toegang tot de minister. Zo haalden de provincies na intensieve bewerking van de regering twee jaar geleden de uitvoering van de jeugdzorg binnen. Noodzaak of ervaring op provinciaal niveau was er niet. Een zuiver voorbeeld van bestuurlijk landjepik. Vorig jaar, midden in de crisis van de jeugdzorg, rapporteerde jeugdcommissaris Steven van Eijck dat de provincie niet meer dan een extra bemoeilaag vormt. En dat ze ‘ertussenuit moet’. Het ziet er niet naar uit. Jeugdminister André Rouvoet komt naar je toe deze lente, lees ik in de krant. Vooralsnog niet om de provincies dwars te zitten. ‘Binnen het bestaande stelsel’ krijgen nu de gemeenten ‘meer grip op de jeugdzorg’. Nog meer vergaderingen voor nog meer bestuurders. Laten we wel wezen, daar was het om begonnen. Mag ik ook een provinciaal project suggereren? Alle politici en medewerkers een gratis exemplaar van het boek van Klaartje Peters.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden