Beste Rick van der Ploeg,

Wat heerlijk dat je vorige week zaterdag in de Volkskrant een ingezonden stuk schreef over economie, het vak dat je al sinds je vlegeljaren bezighoudt....

Dat je over economie schrijft, is dus heel plezierig, maar wat je te berde bracht was in twee woorden samengevat baarlijke nonsens. Dat Kees Vendrik, de financieel woordvoerder van GroenLinks, die een week eerder over hetzelfde onderwerp schreef, zijn politieke wensen laat prevaleren boven zijn economische verstand vind ik te billijken, maar van een gelouterd macro-econoom als jij had ik meer verwacht.

Ter zake.

Politici hebben het afgelopen jaar een schril contrast geschetst tussen private rijkdom en publieke armoede. Deze zogenaamde feitelijke vaststelling leidt dan tot een pleidooi voor het verhogen van de overheidsuitgaven (ook door jou, Rick, je weet toch beter, investeringen genoemd). Dit politieke debat is gevoerd met woorden, niet met cijfers. Het enige wat de politici, ook jouw PvdA, cijfermatig te berde brachten, was de vaststelling dat Gerrit Zalm periodiek omvangrijke inkomstenmeevallers kan melden. Ik mag hopen dat ook jij vindt dat dat terzake irrelevant is.

In een nieuwsverhaal in de Volkskrant van 24 januari heb ik gepoogd het debat naar een feitelijk, cijfermatig niveau te tillen. Dat lijkt me een publiek belang, eerlijk gezegd. Die poging wordt niet gewaardeerd, is me gebleken. In Het Parool ben ik door een collega-journalist, zelf te beroerd om op zoek te gaan naar feiten, uitgemaakt voor rechtse bal, of woorden van gelijke strekking. En ook jij schrijft - hoe durf je!- : Het is onbegrijpelijk waarom de Volkskrant in de strijd om de miljardenmeevallers demagogie bedrijft. Dat zul je bij gelegenheid echt terug moeten nemen.

Wie serieus op zoek is naar de relevante feiten, moet eerst publieke armoede en private rijkdom operationaliseren. Jij noemt, net als Vendrik een week eerder, de overheidsuitgaven als percentage van het nationaal inkomen (die de laatste jaren met 10 procentpunt zijn gedaald). Als je er langer dan drie seconden over had nagedacht, had je vast begrepen dat dit nooit de relevante maatstaf kan zijn. Immers, in een opgaande conjunctuur, zoals onder de kabinetten-Kok, groeien het nationaal inkomen en de werkgelegenheid. De collectieve uitgaven aan uitkeringen - de overdrachtsuitgaven - dalen substantieel. Dat is, zoals je schrijft, zichtbaar in een daling van de overheidsuitgaven als percentage van het nationaal inkomen. Maar daarmee is de collectieve sector toch niet armer geworden? Je bewering is dus wel juist, maar tevens irrelevant. Over How to lie with statistics gesproken. Wie relevante feiten zoekt, zal in elk geval de overdrachtsuitgaven buiten beschouwing moeten laten.

Op zoek naar iets beters, kwam ik uit bij de verdeling van het netto nationaal inkomen na herverdeling, zoals dat sinds jaar en dag in de publicaties van het Centraal Planbureau wordt afgedrukt onder het kopje: Wie krijgt de groei?

Bij die verdeling wordt in een moeite door het economisch betekenisvolle onderscheid gemaakt tussen quasi-collectieve goederen (zorg en onderwijs) en echte collectieve goederen (straatverlichting, defensie). De quasi-collectieve goederen worden gerekend tot het inkomen van de gezinnen. Dat compliceert de zaak, maar jij weet net zo goed als ik dat je die complicatie met een druk op de knop ongedaan kan maken. Bovendien verandert dat de strekking van de conclusies niet.

Kijk eerst naar de inkomensgroei. Inkomensgroei gezinnen, inclusief quasi-collectieve goederen: 39 procent tussen 1995 en 2001. Exclusief quasi-collectieve goederen: ook 39 procent. Want inderdaad, de uitgaven aan quasi-collectieve goederen door de overheid, en dus de inkomsten in natura van de gezinnen, groeiden ook met 39 procent. Inkomensgroei bedrijven: 16 procent in beide gevallen. Collectieve sector: 132 procent als de quasi-collectieve goederen bij de gezinnen worden gerekend, en 75 procent als ze bij de collectieve sector worden gerekend. In beide gevallen geldt: het inkomen van de collectieve sector groeide het snelst.

Nee, Rick, daarmee zijn we inderdaad niet klaar. Want in een hoogconjunctuur hoort het inkomen van de collectieve sector ook sneller te stijgen dan dat van anderen. De overheid spaart, de staatsschuld wordt afgelost opdat in een laagconjunctuur de schuld weer kan oplopen.

De beste maat voor de ontwikkeling van de publieke en private rijkdom is de bestedingsgroei uit het nationaal inkomen. Aan wie we de quasi-collectieve goederen ook toerekenen, voor de collectieve sector komt die groei in de paarse periode uit op 40 procent. Voor de gezinnen komt de inkomensgroei uit het nationaal inkomen, waaruit moet worden besteed én nog moet worden gespaard, lager uit: 39 procent. De publieke armoede ontgaat me.

Resteert één punt. Gezinnen hebben onder paars nog een inkomstenbron gehad: inkomen uit vermogen dat, zoals je weet, niet tot het nationaal inkomen gerekend wordt. Door de hausse op de aandelen- en huizenmarkt kon de consumptiegroei van gezinnen (46 procent) hoger uitvallen dan de inkomensgroei (39 procent).

De vraag is, en daarover is echt debat mogelijk, of je die consumptie uit vermogensgroei moet meerekenen, gegeven de vraagstelling. Ik denk oprecht van niet. Ten eerste vanwege het tijdelijke en hoge papieren karakter van die vermogensgroei (een flinke beursdip, en het vermogen is weer weg). Ten tweede vanwege de rare consequentie: wie zou nu met droge ogen willen verdedigen dat een beurskrach moet leiden tot een verlaging van de collectieve uitgaven? Dat is te mal voor woorden.

Ik vind, kortom, dat je een slecht en beledigend stuk hebt geschreven over een belangrijk thema. Kun je hier serieus op reageren, of ben je alleen nog politicus?

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden