Beschouwing retrospectief Richard Hamilton in Tate Modern

Kunstenaar Richard Hamilton speelde leentjebuur en creëerde daarmee prachtig nieuw werk. Toch stond hij in de schaduw van Bacon, Freud en Warhol. Is dat terecht?

Er was kort geleden enige ophef over Luc Tuymans' schilderij A Belgian Politician. Tuymans baseerde het werk op een krantenfoto van de Vlaamse politicus Jean-Marie Dedecker, vlak na diens electorale nederlaag in 2010. Het zweet stond de geprangde Dedecker op het voorhoofd. De fotograaf, Katrijn van Giel, tekende bezwaar aan tegen Tuymans' 'annexatie' en de Nationale Vereniging van Beroepsfotografen (NVBF) verklaarde zich solidair met haar protest en kondigde juridische stappen aan.


Het is een opmerkelijk verwijt, alsof Tuymans één op één plagiaat zou hebben gepleegd. De persfotografe legde Dedecker vast op een penibel moment, terwijl Tuymans de foto van de transpirerende politicus promoveerde tot een beeltenis van een machthebber wiens ambities en successen in de schaduw raken van fysieke en psychische gekweldheid. Tuymans vormde het 'beeld' van de politieke macht om tot een tronie - in de schilderkunstige betekenis van het woord: ook Frans Hals en Rembrandt schilderden 'tronies' waaruit kwetsuur, verwonding van het ego, verwarring en angst spreken.


Tuymans schilderde geen foto na; hij benutte de foto om zijn duistere visie op la condition humaine te onderstrepen. Morgen staat dat zweet van de geprivilegieerden misschien óns, eenvoudige schoenlappers, op het voorhoofd. Tuymans' A Belgian Poltician is, heel eenvoudig eigenlijk, één van zijn vele meesterwerken.


Museumwanden zullen heel wat leger worden als de foto als inspiratiebron 'verboden terrein' wordt voor de kunstenaar. Talloze kunstenaars gebruikten foto's als bron, van Pierre Bonnard tot Jeff Koons, van Andy Warhol tot Gerhard Richter, van Marlene Dumas tot Michaël Borremans.


Het grote en grootse retrospectief in Tate Modern in Londen van Richard Hamilton (1922-2011), aartsvader en grootmeester van de Britse pop-art, zou voor meer dan de helft moeten worden gereduceerd als met terugwerkende kracht zijn op foto's gebaseerde en geïnspireerde werken in de ban zouden worden gedaan. Eén van zijn sleutelwerken, dat in zesvoud pronkt aan een van de immense museumwanden van Tate Modern, is Swingeing London (1968) en is gebaseerd op een foto die Hamilton lichtte uit een Britse tabloid.


In 1967 werden, nadat ze een huisfeestje van Keith Richards hadden bezocht, Mick Jagger en kunsthandelaar Robert Fraser ingerekend door de politie op verdenking van drugsgebruik. Na enkele dagen cel werd het tweetal in een politiewagen naar het gerechtsgebouw in Londen vervoerd. Daar aangekomen, wachtte hen een haag van paparazzi. Met een mengeling van triomf, spot én - wie zal het zeggen - gêne hieven de twee hun geboeide handen om hun gezichten af te schermen voor de fotografen. Richard Hamilton kleurde de foto's in met een aan het werk van Andy Warhol herinnerend kleurpalet: roze, zachtgroen. Aan een van de reeks zeefdrukken voegde Hamilton nieuwe handboeien toe, die uit het kunstwerk lijken te stulpen.


Swingeing London groeide uit tot een van de iconische Britse pop-art-werken, mede vanwege de ambiguïteit van het beeld: de rockster en kunsthandelaar zien er ook decennia later door die toevoeging van oogstrelende kleuren onweerstaanbaar cool uit - it's hip to be handcuffed. De fotograaf die het tweetal kiekte, is al lang vergeten, maar Hamiltons werk-in-serie heeft terecht een ereplaats in Tate Modern.


Ook Hamiltons kunstwerk uit 1956, dat wordt gezien als het allereerste werk dat het predicaat pop-art kreeg, is in Tate Modern te zien: Just What Was it That Makes Today's Homes so Different, so Appealing? Het is een collage van (foto)beelden uit kranten, modetijdschriften en reclamefolders en toont een even hilarisch als vervreemdend interieur van een woonkamer die van alle gemakken is voorzien. Een bodybuilder rolt met zijn spieren, terwijl voor zijn naakte lichaam een ingepakt tennisracket fallisch de collage doorsnijdt. Op een gerieflijke tweezitsbank zit een halfnaakte vrouw met borsten als vlammenwerpers, die verveeld de blik afwendt. Op een surrealistisch uitstulpende trap sjort een schoonmaaksters aan de onwerkelijk lange slang van een stofzuiger.


Richard Hamilton maakte met Just What Was It... niet alleen het eerste pop-artkunstwerk, maar bespotte ook als een van de eerste naoorlogse kunstenaars de verlokkende (schijn)wereld van reclame, consumentisme en het ideaalbeeld van de anonieme burger als potentiele celebrity. Hamilton promoveerde de nieuwe gadgets van het modale huisgezin tot blikvangers in de kunst: stofzuigers, broodroosters, hifi-installaties, tv-toestellen en designschemerlampen.


Ik heb Just What Was It... ontelbare keren voorbij zien komen in tijdschriften en catalogi, naslagwerken en handboeken. In Tate Modern zag ik voor het eerst het origineel. Ik had een wandvullend spektakelstuk verwacht, maar Just What Was It... bleek een miniatuur.


In omvang is het, in vergelijking met de vele manshoge werken die Hamilton nadien maakte, een voetnoot in zijn oeuvre, en al met al is het een mirakel dat een werkje dat zo in een handtas past, de statuur heeft gekregen van hét kunstwerk dat het startschot gaf voor de formule 1-race in de kunst die pop-art heet.


In een brief uit 1957, enkele jaren vóórdat Andy Warhol en Roy Lichtenstein hun entree in de kunst maakten, kenschetste Richard Hamilton pop-art door middel van een korte opsomming: 'Pop Art is: popular, transient, expendable (easily forgotten), low cost, mass produced, young (aimed at youth), witty, sexy, gimmicky, glamorous, big business.'


Beter dan in deze telegramstijl is de kern van pop-art zelden verwoord. In het bijzonder Andy Warhol zou er zijn voordeel mee doen. En dat terwijl Hamilton en Warhol elkaar misschien een handvol keren hebben ontmoet en gesproken, want de pop-art in de VS en Engeland vormden twee eilandenrijken. Richard Hamilton evolueerde in de loop der jaren tot niet zozeer een grand old man van de pop-art, maar tot een eeuwig vitale kameleon die álle genres van de kunst verkende en die zich in de jaren zestig meer verwant voelde met het werk van pre-pop-artkunstenaars Jasper Johns en Robert Rauschenberg dan met dat van Warhol en Lichtenstein.


Neem Hamiltons My Marilyn uit 1965. Een scherper contrast met Warhols zeefdrukken van Marilyn Monroe bestaat er niet. Waar Warhol 'zijn' Marilyn klinisch en gladjes in de felst denkbare kleuren vatte, is My Marilyn van Hamilton een rommelig ratjetoe van snapshots, met dwars daaroverheen wilde strepen en kruisen van viltstiften die een ruwe, streetwise indruk maken. Het is alsof de kunstenaar, met de wilde collagetechniek à la Rauschenberg, de diva der diva's uit Hollywood inderdaad 'in bezit nam' door haar te reduceren tot een anoniem schattig meisje dat speciaal voor hem poseerde, ten dienste van een anarchistisch en rauw kunstwerk.


Niet alleen in werkwijze, ook in karakter verschilden Hamilton en Warhol van elkaar als dag en nacht. Warhol cultiveerde een imago van kille, koude sfinx die het liefst een man van plastic wilde zijn, ziel- en gevoelloos. Hamilton was zijn leven lang genereus, warmbloedig, politiek geëngageerd en losjes in de heupen.


Wel koesterden beiden grote bewondering voor Marcel Duchamp. Voor Warhol én Hamilton vormde het bezoek aan Duchamps legendarisch geworden retrospectief in 1963 in het Pasadena Museum of Art in Californië een sleutelmoment in hun leven. In de Warhol-biografieën is na te lezen dat Andy speciaal naar Californië was afgereisd - en vervolgens te verlegen was om de Meester de hand te schudden. Maar voor Hamilton betekende het bezoek aan die tentoonstelling het begin van een jarenlange vriendschap met Duchamp.


Terug in Londen ontpopte Hamilton zich als dé pleitbezorger van Duchamps werken. In 1966 organiseerde hij voor Tate Britain een groot Duchamp-retrospectief. Duchamps meesterwerk, waar hij van 1915 tot 1923 aan werkte, The Bride Stripped Bare by Her Bachelors, Even, was te fragiel om over de oceaan te worden verscheept. En wat deed Hamilton? Hij maakte een tot in ieder detail getrouwe kopie, waar hij een jaar lang onafgebroken aan werkte en die nu in Tate Modern is te zien.


Hamilton speelde leentjebuur bij wel meer kunstenaars, onder wie zijn generatiegenoot Francis Bacon. Hamiltons Portrait of the Artist by Francis Bacon uit 1970 is een zesluik bestaand uit identieke zelfportretten van Hamilton, 'bewerkt' met de van Bacon bekende verfstreken waarmee hij een intact gezicht kon mismaken en mutileren. Het resultaat bij Hamilton is ongrijpbaar. Is het zesluik een ode aan zijn generatiegenoot én rivaal in de Britse kunst of is het een provocatie? Wat de bedoelingen ook mochten zijn, het resultaat is redelijk imponerend: het zesluik lijkt inderdaad een Bacon maar is een Hamilton! Je moet het maar durven. Maar vooral: je moet het maar kunnen.


Hamilton taalde niet naar eigen signatuur, het onderwerp bepaalde de vorm en toonzetting. Op momenten kon hij wel héél radicaal afdwalen naar gelegenheidsstijlen die, achteraf, de indruk van een te lang volgehouden geintje maken. Zo schilderde hij rond 1973, na een periode van wilde en rauwe collages, een reeks opzettelijk kneuterige biedermeierachtige bloemstukken. Na drie van die bloemstukken is het grapje duidelijk en hou je het verder voor gezien. Hamilton maakte er helaas tientallen.


In latere jaren bereikte hij vaak een indrukwekkend niveau, met als hoogtepunt een portrettenreeks uit 1982-'83, waaronder The Citizen, een portret van een jong lid van het verboden Ierse Republikeinse leger (IRA). We zien een langharige begin twintiger met half ontbloot bovenlichaam en een jezusbaard. Weer een kunstwerk dat is gebaseerd op een krantenfoto. Hamilton benadrukte dat hij zeker niet sympathiseerde met de IRA. Maar die jongen had volgens hem onmiskenbaar een messiaanse allure, met dien verstande dat déze Messias duister, bitter en met ingehouden woede in de lens staart. The Citizen is voor de helft een bijna naturalistisch geschilderd portret en voor de andere helft een sferisch abstract schilderij. Harde, confronterende figuratie ontmoet zachte, tedere abstractie: met The Citizen maakte Hamilton een onontkoombaar kunstwerk .


Tot op hoge leeftijd bleef Hamilton vitaal, vindingrijk en provocerend. Na de eeuwwisseling maakte hij door middel van een fotomontage een portret van premier Tony Blair als een oenige cowboy die op het punt staat zijn pistool te trekken. Titel: Shock and Awe . Hamiltons spotlust werkt aanstekelijk, maar is het grote kunst? Hmm. Het mansgrote werk had als cartoon in een tijdschrift volstaan. Ook andere werken van na 2000 missen de urgentie en kracht van zijn beste werken uit de jaren zestig en zeventig, maar kun je dat de kunstenaar, toen de 80 gepasseerd, verwijten?


Dan, in de allerlaatste zaal van Tate Modern, davert je alsnog een meesterwerk tegemoet. Het is Untitled (2011), dat Hamilton vlak voor zijn dood vervaardigde. In dit werk buigt een jonge Gustave Courbet voorover naar een oude, bebaarde Titiaan, terwijl op de achtergrond Nicolas Poussin ons waakzaam aanstaart. Ook hier kopieerde Hamilton er lustig op los. De drie beeltenissen van de kunstenaars uit verschillende voorbije eeuwen zijn gebaseerd op zelfportretten. De drie staan aan het bed van een vrouwelijk naakt, dat lijkt te wachten om te worden vereeuwigd op doek. Maar het model is hier autonomer en onaanraakbaarder dan de drie grootmeesters, alsof zij de scheppende kunstenaar is, met de drie mannen als achtenswaardige maar timide figuranten.


Untitled is gebaseerd op Honoré de Balzacs korte roman Het onbekende meesterwerk, waarin een fictieve kunstenaar, Frenhofer, poogt het perfecte naakt te schilderen en hierin steeds jammerlijk faalt. In Untitled lijkt Hamilton te willen aanstippen dat er een falende Frenhofer in misschien wel iedere kunstenaar schuilgaat, ook in de allergrootsten. Untitled behoort tot die zeldzame categorie werken waarin een kunstenaar of schrijver zichzelf op hoge leeftijd nog blijkt te kunnen overklassen met een meesterwerk dat al het andere werk op zijn minst evenaart.


Een leven lang maakte Hamilton inventieve en schrandere kunst die zich vaak ongemakkelijk in het brein etste. Maar met Untitled dringt zich toch nog een nieuw aspect op: melancholie. Die grootmeesters uit voorbije eeuwen benadrukken de vergeefsheid van alles. Het lijkt erop dat de oude Hamilton zijn enorme productiviteit en vitaliteit tegen het daglicht hield en de zin ervan betwijfelde. Overal elders in het retrospectief overheersen vreugde en woede, bluf en bravoure, protest en spot, maar in Untitled laat Hamilton op de valreep twijfel en mistroostigheid toe.


In 2011 domineerde het overlijden van Lucian Freud de Britse media. De rouw was massaal. In datzelfde jaar overleed ook Richard Hamilton. Zijn dood werd respectvol doch summier gememoreerd in diezelfde media. Het retrospectief in Tate Modern lijkt publiek en kunstcritici wakker te schudden. Engeland dweepte massaal met Lucian Freud, maar met dit retrospectief blijkt dat Freud, met zijn eeuwig blauw dooraderde naakten en doorleefde portretten, in essentie een one trick pony was, terwijl Richard Hamilton zoveel veelzijdiger, inventiever, speelser, gewaagder, vernieuwender, kosmopolitischer én ongrijpbaarder was. Stel dat we moeten bepalen welk kunstwerk het Groot-Brittannië van de afgelopen vijftig jaar het meest avontuurlijk typeert, Lucian Freuds Portrait of Queen Elisabeth II (2001) of Hamiltons portret van onder anderen Mick Jagger in Swingeing London (1967), dan is de keuze toch direct gemaakt?


Joost Zwagerman


Richard Hamilton, Tate Modern, Londen, t/m 26/5.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.