Beschouwing onrust en zelfverwijt

Het is nooit te laat om te leren, maar toch: het zelfverwijt groeit als je moet vaststellen dat je jarenlang topwerken over het hoofd hebt gezien.

Op een van de wanden van het decor van De Wereld Draait Door staat, als ode aan Martin Bril, diens uitspraak 'Je mist meer dan je meemaakt'. Het kan niet anders of presentator Matthijs van Nieuwkerk zal er voor, tijdens of na iedere uitzending vrijwel zeker even een blik op werpen; als ik er te gast ben, blijft míjn blik tenminste altijd even haken aan Brils oneliner.


De zin op de decorwand bij DWDD is niet helemaal compleet, want luidde oorspronkelijk: 'Je mist meer dan je meemaakt, helemaal niet erg.' Uit Brils pen was dit verrassend, want juist hij was er, als dagelijks columnist van eerst Het Parool en daarna de Volkskrant, op gespitst 'alles' mee te maken, van tumult in politiek Den Haag, besognes in huiselijke kring, tot en met het zieltogend bestaan van een half leeggedronken blikje, weggegooid op een verlaten plein in een buitenwijk van, zeg, Middelburg.


Brils zin kan tweeledig worden gelezen: als blijk van berusting in ons onvermogen om van zo veel mogelijk voorvallen en fenomenen getuige te zijn, of als een aansporing om, ondanks de betrekkelijke vergeefsheid, toch zo veel mogelijk mee te maken, opdat de hoeveelheid van al het goede, schone en ware dat zich aan je waarneming openbaart, maximaal kan worden benut.


Bij een recent bezoek aan het in december vorig jaar geopende Musée Fin-de-Siècle, gehuisvest in het Paleis voor Schone Kunsten in Brussel, moest ik denken aan Brils zin en besefte ik dat veel had gemist - en inderdaad véél meer dan ik had meegemaakt.


Vaak wordt de wereldtentoonstelling in Parijs in 1889 genoemd als het evenement dat het begin van het fin de siècle markeert: die tentoonstelling introduceerde de doem, het doodsverlangen, het (soms overdadig) symbolisme en de decadentie van de fin-de-sièclekunstenaars uit Frankrijk en België aan een breed publiek.


Gezien dit jaartal 1889 neemt het Brusselse Musée Fin-de-Siècle een lange aanloop, met veel werken van ver voor dat jaar, van kunstenaars van wie ik vaag had gehoord. Waarom kende ik De overstroming (1871) niet, van Hipollyte Boulenger? Een ronduit dramatische wolkenlucht overhuift in dit werk een zwarte, logge zee. Pal ernaast hangt, uit datzelfde jaar, Het wrak van Louis Artan de Saint-Martin, een schilderij dat zo van de museumwand lijkt te daveren, vanwege een al even woeste, onheilszwangere lucht boven een grimmig-gevaarlijke zee.


Ik rekende het mij aan dat ik die beide schilderijen én de kunstenaars niet kende - daar hielp Bril noch moedertjelief iets aan. Een paar zalen verder namen de onrust en het zelfverwijt nog toe. Ik stond oog in oog met een verstild en adembenemend landschap van Guillaume Vogels: De sneeuw, avond uit 1883. Een eenzame gestalte baant zich een weg door rulle sneeuw, met op de achtergrond een onbestemde sneeuwlucht waardoorheen nog nét het vaal en vertroebeld oranje van het avonduur schemert.


Het 'en dat is niet erg'-gedeelte van Brils oneliner was nu totaal verdampt: waarom kende ik ook déze kunstenaar niet?


Pas bij de werken van na 1890 pakt het Musée Fin-de-Siècle uit met internationaal gepatenteerde Belgische namen die onmiskenbaar figureren op de eerste rang van de nieuwe schilderkunst rond de eeuwwisseling: Félicien Rops, Fernand Khnopff, Jean Delville en, natuurlijk, de onvergelijkelijke James Ensor.


Ook in onze tijd, gekenmerkt door een tsunami aan internetporno, oogt het werk van Félicien Rops nog altijd subversief, radicaal en nu en dan zelfs enigszins gevaarlijk. Op Rops' De verzoeking van Sint-Antonius (1878) 1 vliegen engelen met doodshoofden rondom een kruis waar Christus zojuist vanaf is gemept door een duivel in narrenkostuum. Christus moest plaatsmaken voor de naakte godin Eros, die alleszins op haar gemak en in haar nopjes aan het kruis hangt, haar heupen glooiend en met haar borsten, om het met Jan Wolkers in Turks Fruit te zeggen, 'recht omhoog waarvan iemand eens vroeg: 'Bestaat dat?' Jazeker, bij Rops.


Om haar hoofd draagt Eros een kleurig kransje als van een bloemenkind uit de jaren zestig, en haar schaamhaar is secuur weggeschoren, alsof Rops' Eros niet uit het fin de siècle stamt maar trouw is aan de - zo langzamerhand verplichte - schaamhaarmode van onze tijd. Fijn en geil meisje, hoor.


De heilige Antonius deinst geschokt terug, terwijl rechts op het doek een varken stoïcijns toekijkt. Wow! De verzoekingen van Sint-Antonius is vintage fin de siècle, in vergelijking waarmee het fameuze Liefkozingen van Fernand Khnopff 2 toch een redelijk zoetsappige en weeë indruk maakt.


Op Liefkozingen vlijt een sfinx - half vrouw, half panter - zich tegen een androgyn ogende jongeman die ons teerhartig, op het weke af, recht in het gezicht kijkt, met in diens rechterhand een scepter met blauwgroene vleugels. Ongetwijfeld hardcore en vernieuwend in de eigen tijd, maar in de loop van de decennia is het toch alsof er een laklaagje van kitsch over dit sleutelwerk uit het fin de siècle is komen te liggen.


Aan sommige kunstwerken is tegen wil en dank zo'n laklaagje gaan kleven. De werken in Musée Fin-de-Siecle van Jean Deville hebben er ook een tikje onder te lijden. Deville's schilderijen schitteren heus wel in het Brusselse museum, maar evenzogoed schitteren ze in reproductie ook op vlooienmarkten en in slaapkamers van pubermeisjes die in een moeite door dwepen met je reinste kutmuziek.


Nog niet een begin van zo'n laklaag over om het even welk schilderij van James Ensor...! De maskers, de laaiende en kleurdoorschoten luchten boven zee, de parades en het carnaval: Ensor behoort, met in zijn werk die telkens terugkerende motieven, tot die 'bovencatogorie' van kunstenaars die immuun lijken voor welke vorm van verkitsching dan ook die de tijd kan aanbrengen.


Het Musée Fin-de-Siècle toont onder meer het werk van Ensor waar zijn personages voor het eerst een masker dragen: De geërgerde maskers uit 1883 3. Een man aan een kleine tafel met daarop een halflege fles kijkt betrapt op naar de vrouw met puntmuts die vervaarlijk in de deuropening staat. Man en vrouw dragen beiden een masker-met-olijke-varkenssnuit, zodat hun gezichten aan het oog worden onttrokken, maar hun lichaamstaal laat niets te raden over. De man aan tafel delft hier het onderspit tegen de, inderdaad, geërgerde vrouw. Wat heet: de vertoornde vrouw.


Hier staat een echtelijke twist op springen, en het vervolg van het tafereel laat zich raden: de drinkende arme drommel zal ervan lusten. De man als lamme - laffe - goedzak en de vrouw als tirannieke sirene; welkom in de hel die huwelijk heet.


Ook naar dít werk keek ik met toenemende onrust en zelfverwijt, want ik meende toch enigszins thuis te zijn in Ensors oeuvre, maar dit eerste-werk-met-maskers had ik blijkbaar altijd over het hoofd gezien. Inmiddels zal ik het niet licht meer vergeten.


Is dat erg, mijn kennelijke onwetendheid over zo veel sleutelstukken uit het Belgische fin de siècle? Ik kan mij nu verlaten op de dooddoener dat het nooit te laat is om te leren - maar daar poets ik, los van het halfhartige karakter van die dooddoener, mijn schuldgevoel niet mee weg.


Een panacee voor onrust en zelfverwijt bij ieder museumbezoek bieden de beginregels van het gedicht dat Remco Campert schreef bij de heropening in 2013 van het Rijksmuseum in Amsterdam:


Ik wist dat ik iets miste


maar wist niet wat.


Maar ook bij de ontdekking, recentelijk in Brussel, van datgene wát ik dan had gemist, blijft het onbestemde onbehagen over het feit dát ik dit voordien allemaal had gemist. Maar: soit. Uiteindelijk wint de vreugde het van het onbehagen. Ik maak steeds meer mee naarmate ik ruiterlijker erken dat ik eerder zo veel heb gemist. En ook hier bieden de openingsregels van een gedicht van Remco Campert, het gedicht Vorm, een leidraad voor het kijken:


ik ging op weg die dag


en zag al snel


er was teveel te zien.


Zo werkt dat idealiter bij museumbezoek. Je ziet meer dan je aankunt.


Helemaal niet erg.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.