Beschouwing How Music Works van David Byrne Zwagerman leest

David Byrne heeft de rock naar de domeinen van de kunst en kunstgeschiedenis gebracht. Het is tijd dat hij daarvoor de erkenning krijgt die hij verdient.

Dát zag ik nooit eerder: een bijna paginavullende foto van een popmuzikant voor op The New York Review of Books. Het portret van de jonge David Bowie ten tijde van zijn album Aladdin Sane (1973) siert de cover van het Amerikaanse bastion van kwaliteitsessayistiek, als ankeiler voor een gedegen essay van Ian Buruma van rond de zesduizend woorden - in welk tijdschrift ter wereld is daar nog plaats voor?


De aanleiding is de veelbesproken tentoonstelling in het Victoria and Albert Museum in Londen over Bowies kunstenaarschap. Zo begint Buruma zijn Bowie-Forschung ook, hij heeft het zonder omwegen over 'de kunst van Bowie'.


En passant laat Buruma zich ook uit over Bowies album The Next Day. Buruma is opgelucht dat Bowie 'niet zijn best doet' om als 'een jonge man' te klinken. En: 'This is dignified, mature.' Maar, vraagt Buruma zich af, is het nog wel rock 'n' roll? Buruma vermoedt naar aanleiding van The Next Day dat Bowie de artrock tot in alle uithoeken heeft verkend, en dat pop en rock, gemaakt door oudere muzikanten, onvermijdelijk de statuur krijgt als van jazz, het genre dat zich volgens Buruma al sinds lang heeft losgemaakt van de 'rauwe energie van de jeugd'. The Next Day markeert volgens Buruma het einde van de rauwe energie van rock 'n' roll. Buruma: 'Rock is (...) now entering a venerable old age.'


Huh? Wordt popmuziek nú ineens, bij verschijning van The Next Day, respectabel, deftig zelfs? Ik vrees dat Buruma veel is ontgaan van de popmuziek van, zeg, de laatste dertig jaar, en in het bijzonder van de artrock, met als bloeiperiode de postpunk en new wave van eind jaren zeventig, begin tachtig.


Dé Amerikaanse band die, misschien meer dan in Engeland Roxy Music en, later, Sonic Youth, de nauwe banden tussen kunst en rock belichaamde was Talking Heads. Drie van de vier bandleden studeerden in Providence, Rhode Island, aan de School Of Art and Design aldaar en trokken later naar New York, omdat, zo zou voorman en leadzanger David Byrne later zeggen, 'in die stad nu eenmaal het levendigste kunstklimaat te vinden was'.


Talking Heads maakte op de eerste albums 77 en More Songs About Building and Food gejaagde, nerveuze, kaalgestripte artrock met funk-invloeden. De songs gingen níét over liefde, seks en dood, maar over vervreemding in Cosmopolis; over architectuur, voedsel, industrialisering, spleen, depersonalisatie.


Gedurende drie albums werkte Talking Heads samen met Brian Eno - niet toevallig de man met wie Bowie midden jaren zeventig twee van zijn kunstzinnigste albums maakte: Heroes en Low.


Waar Bowie al vroeg in zijn carrière een cultureel voorland had geschapen dat onder andere bestond uit - bien étonnés - het Duitse expressionisme, proza van William Burroughs, Warhols pop-art en het Japanse kabukitheater, entten Talking Heads en Eno zich, al even eclectisch, op het dadaïsme uit het Zwitserland van 1916 en de collages en klankgedichten van, onder anderen, Kurt Schwitters.


In I Zimbra, de openingstrack van het Heads-album Fear of Music, maakte de band gebruik van de nonsenstekst van dadaïst Hugo Ball: 'gadji beri bimba glandridi laula lonni cadori¿gadjama gramma berida bimbala glandri galassassa' - en zo verder. Het klinkt als een klok in I Zimbra. In 1916 droeg Hugo Ball in Zürich dit klankgedicht voor in de obscure club Cabaret Voltaire, verzamelplaats van dadaïsten en hun selecte publiek van geestverwanten.


Over het dadaïsme en de klankgedichten van Kurt Schwitters en Hugo Ball als inspiratiebron zou David Byrne later zeggen: 'Ik weet nog dat ik op school een oude opname van Kurt Schwitters' Ursonate hoorde. Ik (...) vond het heel (...) ritmisch en grappig (...). Het was een van de eerste keren dat ik de muzikaliteit van 'taal' zo expliciet had gehoord. Het maakte niet uit dat het een verzonnen taal was. Brian Eno stelde voor om Hugo Balls tekst te gebruiken. Ik voelde dat het de perfecte oplossing was voor het dilemma waarin we terecht waren gekomen: hoe krijgen we een 'chant-achtige' vocale partij die geen overdreven nadruk legt op de tekstuele inhoud.'


Zonder de rest van de band kwamen David Byrne en Brian Eno in 1981 met het voor die tijd volstrekt nieuwe, eigenzinnige en bij vlagen raadselachtige My Life in the Bush of Ghosts, een kunstwerk dat op zéér avontuurlijke wijze ver buiten de oevers trad van de gangbare artrock. Ver voor het tijdperk van 'samples' zochten Byrne en Eno de wereld af naar mixbare klanken en 'soundscapes' - al heetten die toen niet zo.


Ook wilden Byrne en Eno afwijken van de traditionele zang; de twee wilden stemmen en teksten verweven van found voices: een bijna hysterisch sprekende christenfundamentalistische dominee; een gestoord pratende beller naar een radioprogramma; een opzwepende 'chant' van een duiveluitdrijver, fragmenten Arabische traditionele liederen. Al die overal ter wereld 'uit de lucht' geplukte geluidsflarden werden, ver voor het computertijdperk, door Byrne en Eno in een blender gestopt. Het resultaat: een volstrekt nieuwe collage van duizend-en-een muziekvormen.


De muziek was al even ongrijpbaar: Arabische melodieën uit Noord-Afrika vermengd met West-Afrikaanse polyritmiek, en dat aangelengd met funk en hier en daar 'ouderwetse' psychedelica à la Pink Floyd. Alleen al die mix van onverenigbaar geachte muzieksferen maakt van My Life in The Bush of Ghosts een onvergelijkbaar conceptalbum waarvoor de etiketten rock of pop hopeloos tekortschieten.


Anders dan Buruma dus in The New York Review of Books opmerkte, koos David Byrne al ver voor Bowie's The Next Day uit 2013 voor het uitbreiden van de rock naar de domeinen van de kunst en kunstgeschiedenis. My Life In The Bush Of Ghosts was mature and dignified - en opwindend om andere redenen dan 'rauwheid'.


Er is natuurlijk wel een groot verschil tussen Bowie en Byrne. Bowie wist blijvend een groot publiek te bereiken. Maar liet in de loop van zijn carrière ook weer uit zijn handen glippen wat hij daarvoor had bemachtigd: een avontuurlijke en eigenzinnige incorporatie van kunst binnen de pop en rock. Bowie verloor de greep op die incorporatie van kunst en zeilde pardoes alsnog de mainstream in. Zoals ten tijde van Heroes en Low zou het nooit meer worden. Maar een superster en popicoon zou hij altijd blijven.


Zo niet David Byrne. Hij groeide niet uit tot megaster. Na de zelfontbranding van Talking Heads bekwaamde Byrne zich in soloprojecten: conceptalbums, muziek voor kunstfilms en documentaires en ook spoken word-projecten die hem buiten het brandpunt van het poppubliek brachten.


In 2012 was daar ineens Byrne's boek How Music Works. Het is een lijvig non-fictieboek, een meanderend essay dat aangenaam van de hak op de tak springt. Passages over vogelgeluiden uit de Pacific gaan ineens over op laconieke commentaren op de muziektheorieën van Theodor Adorno. Waarna de schrijver plotseling overschakelt op een uiteenzetting over het inmiddels langjarige huwelijk tussen dance en computertechnologie.


Met David Byrne blijkt de Amerikaanse artrock een eersteklas literaire essayist te hebben voortgebracht. Ik vind dat wel een klein mirakel. Wie kan ik, uit Nederland, noemen om een indruk te geven van Byrne's nuchtere stijl, in The New York Times effectief omschreven als artfully artless? Tijs Goldschmidt misschien, of wijlen Rudy Kousbroek. Maar ik denk vooral aan K. Schippers, de meester van de verraderlijk laconieke stijl.


How Music Works is afwisselend innemend, wereldvreemd, speels, licht autistisch, broodnuchter, laidback, informatief, aangenaam dillettantisch. Bij vlagen denk je met een weliswaar ongevaarlijke, maar toch ook eigenaardige mad scientist te maken te hebben - Byrne is op momenten nerdy excentriek. Hij hink-stap-springt, niet uit warrigheid, maar bij wijze van een elegante literaire variatie op de alles-in-de-blender-methode die het album My Life in the Bush of Ghosts zo uniek maakte.


Het is tijd voor een canonisering van Byrne's verrichtingen. Het wachten is op, om te beginnen, een borend essay van zesduizend woorden in The New York Review of Books. Want: als Bowie, dan ook Byrne.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden