Beschouwing: De Amerikaanse Essayist

Duiding geven aan Mad Men én Philip Glass zonder labels van hoge en lage cultuur. In de VS lukt dat. Hier is dat een uitzondering.

John Leonard (1939-2008) was een Amerikaanse tv,- film-, muziek- en literatuurcriticus en -essayist. Ik maakte kennis met zijn werk in 2002, toen ik in The New York Review of Books een inzichtelijk essay van hem las over het oeuvre van Stephen King. Titel: King of High & Low.


Leonard legde het weinig geconstateerde feit bloot dat er twee zielen in Kings borst huizen. Die ene ziel, die kennen we maar al te goed, is de horror- en splatterkoning King, scriptschrijver van vele tv-series, succesvol auteur van genietbare pulpfictie. Hij is een bekwame verteller die niet kijkt op een zombie, vampier en seriemoordenaar meer of minder en die zich er niet druk over maakt dat zijn werk ver verwijderd is van de hoge kunst.


Leonard verdiepte zich in die tweede ziel in Kings borst, de ziel die zich obsessief en - zo blijkt uit Leonards essayistieke veldwerk - bijzonder erudiet vastbijt in beklemmende vertellingen (in boekvorm of in filmscripts) over in het nauw gebrachte en tot waanzin gedreven schrijvers, in boeken als The Shining, Misery en Bag of Bones. Met engelengeduld speurde Leonard de talloze - verborgen - citaten en verwijzingen af in het werk dat die tweede ziel afscheidde en analyseerde ook Kings schrijfstijl. Conclusie: een deel van Kings oeuvre bestaat uit literatuur, verwant aan de oeuvres van schrijvers als James Ellroy en zelfs Don DeLillo. Maar dat deel van Kings oeuvre is dan wel literatuur in de verwarrende vermomming van pulpfictie.


Een greep uit Leonards bevindingen: Stephen Kings Bag of Bones blijkt speels te verwijzen naar Daphne du Maurier en Thomas Hardy. Black House rust naar vorm en inhoud op pijlers uit de moderne klassieken van de literatuur en bevat expliciete verwijzingen naar en ontleningen uit het werk van Vladimir Nabokov en - niet toevallig - Jacques Derrida, de filosoof die zich verdiepte in het fenomeen intertekstualiteit. Ook Allen Ginsbergs radicale gedicht Howl doorzindert Black House. Het is maar een greep uit de overweldigend vele vondsten van Leonard. Stephen King put uit volksvertellingen en literaire monumenten; uit de The Wizard of Oz en Shakespeare; uit Tolkien en Joseph Conrad; uit teksten van Grateful Dead en de Matthäus-Passion. Leonards conclusie: There are many files in this man's mind, trillion of cardboard boxes.


Hoe doet King dat toch? Hoe is het mogelijk dat deze schrijver plezier heeft in het schrijven van de vetst denkbare pulp en dat hij tegelijk een voorbeeldig kort verhaal publiceert in The New Yorker, een verhaal dat niet lang na publicatie werd bekroond met de prestigieuze O. Henry Award?


King als onvermoede postmodernist - wie had dat kunnen denken. John Leonard legde het voor ons bloot. Zijn essay had grote gevolgen. Zo werd King in 2006 geïnterviewd in de prestigieuze reeks schrijvers-interviews in het legendarische tijdfschrift The Paris Review. Die eer valt alleen de allergrootsten ten deel.


Dankzij John Leonard ontdekte ik een schrijver die ik links had laten liggen. En: van die essayist wilde ik meer lezen.


John Leonard, onopgemerkt gebleven in de boekenbijlagen van Nederlandse dag- of weekbladen, bleek een respectabel aantal non-fictie boeken te hebben gepubliceerd, met veelzeggende titels als The Last Innocent White Man in America, and Other Writings (1993) en When the Kissing Had To Stop (1999).


Vooral in dit laatste boek is te zien dat Leonard een open oog had voor strikt literaire meesterwerken én allerlei fenomenen uit de pop- en massacultuur. Zijn essay over King als postmoderne goochelaar die hoge en lage kunst verbindt, blijkt geen incident. Bij Leonard gelijkwaardige aandacht voor T.S. Eliot, Joseph Conrad en Arthur Rimbaud én Star Trek, cyberpunk en Kurt Cobain.


Nooit sloeg Leonard een gemeenzaam of lacherig-ludieke toon aan of ging hij op zijn hurken zitten teneinde de popcultuur een opkontje te geven naar de contreien van de high art. Nee, Leonard schreef altijd met dezelfde literaire wapenuitrusting over zowel gecanoniseerde literaire meesterwerken als fenomenen uit de massacultuur.


Evenmin had Leonard een geheime agenda: hij wilde niet tornen aan de statuur van de onvergankelijke iconen uit de hoge cultuur, noch wilde hij stiekem betogen dat popcultuur vaak schromelijk onderschat wordt en eigenlijk ten onrechte wordt buitengesloten van die hoge cultuur. Er woedde geen cultuurstrijd in deze essayist, er woedde iets dat veel interessanter en waardevoller is: een alerte, onbevangen, lenige en levendige interesse voor creativiteit en talent in de breedste zin van het woord. Hij wilde populaire cultuur duiden en doorgronden, niet opwaarderen ten koste van gecanoniseerde cultuur.


Met onverdeelde aandacht en interesse schrijven over alle geledingen in de cultuur: het klinkt zo vanzelfsprekend en eenvoudig, maar dat is het niet, althans niet hier. In Nederland heerst onder menig literator en publicist een aan paranoïa grenzend cultuurpessimisme, met als gevolg een argwaan jegens diegenen die met open mind graag willen schrijven over Harry Mulisch én Herman Brood; over Multatuli én Moke; over dertig jaar na Spetters van Paul Verhoeven en over vijfentwintig jaar na Mystiek Lichaam van Frans Kellendonk.


In Nederland is het nog altijd cultureel correct om op hoge toon te beweren dat Vijftig Tinten Grijs het zicht ontneemt op minstens vijftig dichters van belang. Dat er ook een mogelijkheid bestaat om het werk van die vijftig Nederlandse dichters secuur te lezen zonder die bijna verplichte excommunicatie van E.L. James en haar damesgeiligheid, is veel minder vanzelfsprekend.


In de VS bloeit die open en onbevangen vorm van essayistiek wél. John Leonard was er - gelukkig - geen eenling. Zijn manier van essayeren kent een traditie, van Mark Twain via H.L. Mencken tot John Updike en David Foster Wallace.


Niet lang voor zijn overlijden publiceerde Leonard een al even grondig en vooral emphatisch essay over de romans van de jonge Amerikaanse schrijver Jonathan Lethem. Dat kan geen toeval zijn geweest. Leonard en Lethem zijn in non-fictie verwante geesten.


Wat was voor mij de avontuurlijkste essaybundel uit 2012? The Ecstacy of Influence van ... inderdaad, Jonathan Lethem. Ook al onopgemerkt gebleven in Nederland, op één recensie na, in De Groene Amsterdammer. Lethem essayeert als een soort John Leonard na het drinken van tien blikjes Red Bull. Bij Lethem vliegt en fladdert het alle kanten uit, in onderwerp en stijlvoering, maar nooit wordt het gemakzuchtig of gemeenzaam. Wel is hij in zijn non-fictie gretig en genietbaar. Een greep uit de onderwerpen: J.G. Ballard, James Brown, Norman Mailer, Drew Barrymore, Spider-Man en The Smiths.


Alles mag bij hem meedoen, niets valt a priori af zolang Lethem maar blijft beantwoorden aan zijn zelfopgelegde hoge standaard van avontuurlijk en schrander schrijven.


En tenslotte: onlangs noemde de Los Angeles Times Daniel Mendelsohn 'misschien wel de meest begiftigde essayist van zijn generatie'. Van Mendelsohn verscheen in vertaling het vuistdikke Verloren, een speurtocht naar de toedracht van de moord in nazi-Duitsland op enkele van zijn voorzaten. Verloren is geen boek van een populistisch lachebekje. Deze maand verscheen Mendelsohns nieuwe boek, de essaybundel Waiting for the Barbarians, en geheel in verwantschap met critici als Leonard en Lethem schrijft Mendelsohn over zowel Mad Men als Philip Glass.


Ik las zijn voorafgaande bundel, How Beautiful It Is And How Easily It Can Be Broken (2008). Velen zijn hem voorgegaan in essays over schrijvers als Henry James en Oscar Wilde, maar Mendelsohn maakt, dankzij een robuuste wil tot weten en een originele, scherpe blik, het werk van deze toch redelijk stuk-geanalyseerde auteurs weer als nieuw. Maar let op: in één moeite analyseert hij Tarantino's Kill Bill en speelfilm United 93. Ook deze worden na lezing van Mendelsohn weer als nieuw, omdat je beseft destijds zelf niet goed genoeg naar die films te hebben gekeken.


Het revitaliseren van de canon én het recht doen aan de soms veelkantige hedendaagse pop- en massacultuur: dat was en is de inzet van Amerikaanse essayisten als Leonard, Lethem en Mendelsohn. In de VS is die manier van schrijven zeer gewaardeerd, maar niet uitzonderlijk. In Nederland ervaren wij het wel als uitzonderlijk, áls het al wordt geapprecieerd. Dit verschil in receptie van deze vorm van essayistiek typeert en onderstreept het verschil in intellectuele en literaire traditie tussen de VS en Nederland.


Joost Zwagerman


Foto Redux


John Leonard op de cover van zijn boek The Last Innocent White Man in America.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden