Bert Schierbeek was kunstenaar en strijder, liefst beide tegelijk

De dichter en prozaïst Bert Schierbeek is zondagavond in Amsterdam overleden. Hij schreef romans, verhalen, essays, gedichten en toneelstukken, vertaalde uit het Duits en Engels, stelde twee schrijversalmanakken samen en een bloemlezing uit moderne Nederlandse verhalen....

SCHIERBEEK werd in 1918 geboren in Glanerbrug (bij Enschede). Na zijn jeugd in het Oostgroningse Beerta en het Twentse Boekelo vertrok hij in 1940 naar Amsterdam, waar hij in kunstkringen doordrong en in het verzet belandde. Die combinatie zou kenmerkend blijken voor zijn leven.

Hij was kunstenaar en strijder, liefst beide tegelijk. Onder de kunstenaars die hij tijdens de oorlog ontmoette, bevonden zich belangrijke collega's als Elburg, Hoornik, Aates, Voeten, Den Brabander, Buddingh' en Kouwenaar, maar ook uitgevers in wording als Wim Schouten, Geert Lubberhuizen en Reinold Kuipers.

Zijn eerste, nog vrij traditionele, roman waaraan hij in die tijd werkte, Terreur tegen terreur, verscheen vanzelfsprekend meteen na de oorlog bij De Bezige Bij, de uitgeverij immers die waarden vertegenwoordigde waarin Schierbeek geloofde: vechtlust, vrijheid, kunstenaarschap en individualisme.

Al in zijn tweede boek, Gebroken horizon (1945), zou Schierbeek breken met de traditie en associatiever te werk gaan. Het bekendst werd hij ongetwijfeld door zijn experimentele roman Het boek Ik (1951), met een tekening van Lucebert op de omslag.

Het was het resultaat van consequent uitgevoerde experimenten met de romanvorm. Het leverde complexe, fantastische taalwoekeringen op met veelvuldige perspectiefwisselingen, die moeilijk leesbaar waren. Zelfs twee Schierbeekspecialisten bekennen in een studie over zijn proza dat ze tijdens de analyse danig in de problemen raakten.

De moeilijkheidsgraad van de teksten stond de publieke waardering grotendeels in de weg. En dan waren er bovendien tegenstanders van het experimentele proza. Zo noemde (toen nog Gerard Kornelis van het) Reve het 'woordkakkerij'. Sceptici vonden dat je bij het lezen van Schierbeek alle kanten op kon; voorstanders daarentegen stelden: 'Schierbeek stuurt je alle kanten op'. Moeilijk vond iederéén het. Niettemin zou Het boek Ik uiteindelijk Schierbeeks meest verkochte boek worden met een totale oplage van meer dan 60 duizend exemplaren.

De moeilijkheid was terug te voeren op Schierbeeks ideeën over literatuur na de Tweede Wereldoorlog. Hij deelde de meningen van zijn generatiegenoten die zich afkeerden van de schoonheid, de romantiek en de 'eeuwige cultuurwaarden'. Hij wenste de harde realiteit onder ogen te zien, geloofde niet in snelle resultaten en keek 'in kwellende onzekerheid' uit naar 'het komende', zonder overigens ongevoelig te worden voor het kleine leed.

De naoorlogse mens stond volgens Schierbeek 'tegenover een generaal failliet. Hij gelooft niet meer in god, niet in den duivel, noch in de gemeenschap en niet in zichzelf. Het leven is een probleem geworden.'

Vanuit die overwegingen zwoer Schierbeek de traditionele vertelvormen af en de boeken met een centrale boodschap. Hij schreef: 'Ik dacht dat het leven 777 verhalen tegelijkertijd was en dat het 'Ik' als een oktopus om zich heen moest grijpen om alles te vatten wat er om je heen en in je gebeurde en daaraan vorm moest geven, een nieuwe vorm.'

Associatieve processen liet hij daarom een grote rol spelen bij de totstandkoming van zijn teksten. Het boek Ik was daarvan de eerste en de meest wilde. Latere romans als De andere namen (1952), Het bloed stroomt door (1954), De derde persoon (1955), De gestalte der stem (1957) en Weerwerk (1977) zijn aanmerkelijk soberder. Een terugkerend thema is de plaats van het individu tegenover de groep.

Zijn ideeën over 'experimenteel proza' zette Schierbeek vanaf het begin van zijn schrijverschap uiteen in een groot aantal bijdragen aan verschillende literaire tijdschriften, zoals Het Woord, Braak (van die twee was hij tevens redacteur), Blurb en Podium. Zijn interesse in taal, technologie en psychologie valt op.

Schierbeek profileerde zich zo vooral als essayist en prozaschrijver. Daardoor ontbrak hij waarschijnlijk in Simon Vinkenoogs bloemlezing Atonaal (1951), maar in Kouwenaars Vijf 5 tigers uit 1954 stond zijn werk wel. Toch zou hij lange tijd de minst bekende van die vijf blijven. Als dichter bereikte Schierbeek pas laat een groot publiek. De deur (1972) bevatte zeer persoonlijke poëzie, die opviel door de eigenzinnige typografie. Een hoofdrol in de bundel speelde de verwerking van een rouwproces, aangrijpend door de kale nuchterheid van de presentatie:

de dood, zei Remco

is een ontroering

ik weet nu beter

de dood is een klap

gieren van remmen

gerinkel van glas

en doodstil liggen

op straat

alleen

de dood is rood

en stil

je laatste woord

nog in mijn oor

dat is dood

(. . .)

Schierbeek heeft de Nederlandse literatuur niet alleen gediend als schrijver en dichter, maar in belangrijke mate ook door andersoortige activiteiten. Hij behoorde tot de eerste lichting leden van de coöperatie De Bezige Bij en werd daar spoedig werknemer.

Als redacteur (vanaf 1946) en als bestuurslid (vanaf 1948) vormde hij met zijn onvermoeibare inzet voor oorspronkelijke Nederlandse literatuur, hedendaagse schrijvers en avant-garde, het belangrijkste tegenwicht tegen de verstandige en veilige koers die de directeuren Schouten en Lubberhuizen wensten te varen.

Schierbeek introduceerde dwars tegen die behoudzucht in onbekende jongeren als Lucebert, Gerrit Kouwenaar, Remco Campert, Hans Andreus en Simon Vinkenoog, die binnen enkele jaren de smaakmakers van de Nederlandse literatuur bleken. Later zou hij ook Hugo Claus binnenhalen en begin jaren zestig de schrijvers van Gard Sivik, Armando, Hans Sleutelaar en Hans Verhagen.

Daarnaast was Schierbeek betrokken bij de oprichting van het Fonds voor de Letteren (in 1965), dat door middel van aanvullende honoraria en werkbeurzen de financiële noden van professionele literatoren lenigt. Als bestuurslid zou hij vele jaren lang het beleid van het fonds medebepalen.

In diezelfde periode was hij bovendien een van de meestbegunstigde auteurs van het fonds, een belangenverstrengeling die veel schrijvers in het verkeerde keelgat schoot. Behalve voor de oprichting van het Fonds stond Schierbeek in 1962 ook samen met onder andere Ed. Hoornik en Mies Bouhuys op de barricaden om het recht op een leenvergoeding te bepleiten. Het drietal organiseerde het eerste schrijversprotest, de schrijversstaking.

Toen Schierbeek in 1980 zijn herinneringen aan die periode opschreef voor een publicatie van de Vereniging van Letterkundigen, bleek het heilig vuur nog niet gedoofd: 'U betaalt ook mee om een bedrijf als de KLM uit de sores te halen als het nodig is. Maar erger: u betaalt niet als u onze boeken leent uit de bibliotheek.' Het heeft Schierbeek ongetwijfeld goed gedaan dat er in december 1995 dan toch eindelijk een leenrechtbepaling in de auteurswet 1912 werd opgenomen.

In 1980 moest Schierbeek zijn schrijverschap en zijn vechtersmentaliteit nog eens combineren, ditmaal om nota bene te voorkomen dat zijn avant-gardistische generatie als achterhaald werd teboekgesteld. De boosdoener was Gerrit Komrij, die in de eerste druk van zijn inmiddels befaamde bloemlezing de Vijftigers bijzonder weinig plaats gunde.

Samen met Campert, Kouwenaar en Lucebert, inmiddels alle in bezit van de P. C. Hooftprijs, vocht Schierbeek de ongeautoriseerde opname aan, maar in het verlengde daarvan de miskenning van zijn generatie voor de Nederlandse literatuur.

De oude Vijftigers verloren het geschil en daarmee verloren ze ook een deel van de onaantastbare literatuur-historische positie die ze als generatie, als beweging, als stroming innamen. Het beeld van de Vijftigers veranderde in een beeld van enkele grote auteurs (vooral dichters), die temidden van anderen naam hadden gemaakt.

Bert Schierbeek behoorde niet tot de kern van dat gezelschap, maar dat hij een meer dan verdienstelijk auteur uit die generatie is, moge toch onder andere blijken uit de vele belangrijke prijzen die hem gedurende zijn carriëre ten deel vielen.

Schierbeek won onder andere de Poëzieprijs van de gemeente Amsterdam, 1956; de Henriëtte Roland Holst-prijs, 1960, de Lucy B. en C.W. van der Hoogt-prijs, 1961; de Vijverberg-prijs, 1971; de Herman Gorterprijs, 1978; de Hendrik de Vries-prijs, 1986 en de Constantijn Huygens-prijs, l991.

Opmerkelijk is dat Schierbeeks werk zelfs aan het eind van zijn leven nog werd bekroond. Als eeuwig avant-gardist zocht hij dan ook nog altijd naar nieuwe wegen, nieuwe mogelijkheden van de taal. Hij bleef experimenteren, niet in exuberantie zoals vroeger, maar in soberheid.

In Formentera (1984) bleek hij ook binnen die beperking nog steeds te kunnen goochelen met het 'taalmateriaal', zoals in 'de text':

in de text

van het blad

is de nerf

het hart

zijn de neven

nerven de

aderen

wat rest

in de herfst

is het blad

dat sterft

ontgroend

in 't patroon

van nerf en

nevennerf

met niks

daartussen

Gaandeweg veranderde zijn werk in deze jaren in de richting van een bijna onpersoonlijke natuurlyriek, zachtmoedige observaties. Hij zette een, inmiddels te verwachten, stap naar poëzie die op China is geïnspireerd, maar die ook sterk aan de Japanse Haiku-traditie verwant is. Representatief voor die poëzie is de bundel De tuinen van Suzhou uit 1986, waarin met beperkte middelen fraaie beelden worden opgeroepen, zoals in:

meeuwen

grote witte vlokken

sneeuwen omhoog

in een regen

van duisternis

Gert Jan de Vries

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden