Beroep op anti-Japanse sentimenten haalt geest uit de fles in China

Als het gaat om de kwaliteit van het publieke debat, geldt Frankrijk vaak als lichtend voorbeeld. Ook nu weer, tijdens de campagne voor het referendum over de Europese Grondwet, wordt er door Franse politici en intellectuelen – twee categorieën die elkaar niet automatisch uitsluiten – naar hartelust gediscussieerd en gepolemiseerd....

Maar ook Frankrijk telt zijn campagnestrategen, aan wie de schoonheid van het argumenteren niet erg is besteed en die bovenal zijn geïnteresseerd in de effectiviteit van de boodschap. Niet de minste van hen zetelt in het Elysée: Claude Chirac, dochter van de president. Zij oordeelde dat haar vader niets heeft te winnen bij een debat met een tegenstander van de Grondwet, en opteerde voor een Franse versie van de town hall-ontmoeting. Tachtig jongeren van 18 tot 30 jaar werden geselecteerd om in een rechtstreekse uitzending van de commerciële televisiezender TF1 te fungeren als collectieve vraagbaak voor de president. Als gangmakers werden drie presentatoren aangetrokken die hun sporen hebben verdiend in het talkshow-circuit.

Het nee-kamp schreeuwde moord en brand en betichtte Jacques Chirac van duikgedrag. De socialist Henri Emmanuelli sprak van een 'belediging voor de intelligentie van het Franse volk'. Maar het Elysée bezwoer dat het allemaal zuiver en democratisch was – de verzamelde jongeren kwamen uit alle hoeken en lagen van de samenleving. En zo had Frankrijk er nog een debat bij: het debat over het debat.

Vormden die tachtig jongeren donderdagavond inderdaad de gunstige entourage die Chirac en de zijnen in gedachten hadden? Op het eerste gezicht wel. Er werden kritische vragen gesteld, terwijl de president toch met de nodige eerbied werd bejegend. Maar de reacties wekten niet de indruk dat hij met deze ongewone exercitie heeft gezorgd voor een beslissende wending in Frankrijk ten gunste van de voorstanders van de Grondwet. Een regelrechte tegenvaller voor het Elysée was dat de hoofdredacteur van het 'bevriende' dagblad Le Figaro in een commentaar sprak van een 'gemiste kans', te wijten aan een 'slecht programma-concept', dat Chirac dwong tot een defensieve aanpak en nauwelijks ruimte bood voor een enthousiasmerend verhaal over Europa.

Zo stuitte de kunst van de enscenering op haar grenzen, zoals een paar dagen eerder ook gebeurde in China, waar eveneens jongeren het voertuig waren voor een politieke campagne. Met dien verstande dat hier vele duizenden op de been waren. In diverse steden hielden ze anti-Japanse demonstraties. In Peking werd de Japanse ambassade bekogeld, elders in het land werden vernielingen aangericht bij vestigingen van Japanse bedrijven. Steen des aanstoots:

een recent Japans geschiedenisboek waarin de wreedheden van de Japanse strijdkrachten tijdens de Tweede Wereldoorlog worden gebagatelliseerd .

Niemand hoeft de illusie te koesteren dat er sprake was van een volstrekt spontane uitbarsting van volkswoede, zoals de Chinese autoriteiten wilden doen geloven, nadat vanuit Tokio was geklaagd dat de politie nauwelijks iets had ondernomen om de demonstranten in te tomen. Openlijke protesten worden in China ogenblikkelijk de kop ingedrukt als ze de politieke leiders niet bevallen. Anderzijds appelleert de partij-en regeringstop de laatste tijd steeds duidelijker aan nationalistische sentimenten, met Japan als favoriete zondebok. Dit steunt op een lange traditie van anti-Japanse agitatie, waarbij niet alleen het oorlogsgeweld breed wordt uitgemeten, maar ook een zwaar overtrokken beeld wordt geschetst van de Japanse herbewapening. Ook het Chinese verzet tegen een vaste zetel voor Japan in de Veiligheidsraad gaat gepaard met omineuze teksten over expansiedriften waaraan Tokio ten prooi zou zijn.

Het opmerkelijke is dat politiek en economie hier sterk uiteenlopen. Economisch onderhouden de twee grootmachten nauwe relaties; sinds kort zijn ze elkaars belangrijkste handelspartner. Maar dit heeft niet tot een politieke toenadering geleid. De Chinese president is al zeven jaar niet op bezoek geweest in Tokio, de laatste reis van een Japanse premier naar Peking dateert van 2001. Net zoals Duitsland wenst het op het internationale toneel zeer actieve Japan (de op een na grootste contribuant aan de kas van de Verenigde Naties) niet langer genoegen te nemen met een politieke bijrol, terwijl China aan zijn economische groei een extra aanspraak ontleent op erkenning als de leidende mogendheid van Azië.

Maar zelfs al zou Japan zich meer op de achtergrond houden en zelfs al zou de regering in Tokio de allerdiepste excuses aanbieden voor elke misdaad ooit in China en elders begaan, dan nog zouden er vermoedelijk stenen door de ramen van de ambassade in Peking gaan, schreef Azië-kenner Ian Buruma in de Financial Times. Niet alleen vanwege een xenofobe onderstroom in de Chinese cultuur, maar ook en vooral omdat patriottisme de enige uitlaatklep bevat voor politiek protest. Dat was in pre-communistische tijden al zo en dat is nu helemaal het geval.

Buruma: 'Vaak wordt vergeten dat de studentenprotesten in de jaren '80, die in 1989 culmineerden op het Tienanmen Plein, ook begonnen met betogingen tegen buitenlanders en ”Japans militarisme”.' Kortom: de Chinese leiders zouden wel eens een geest uit de fles hebben kunnen gehaald die ze er moeilijk weer in krijgen. Dat maakt de ruzie met Japan extra brisant.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden