Berm

Martin Bril..

Martin Bril

De grimmige wereld van het verkeersbord is er een van bochtschilden, bebakening en geslotenverklaringen, van schrikhekken, verboden en bewijzering, van pijlen en cirkels, van getallen, strepen en iconen die iedereen kent. Maar het mooiste bord is toch wel dat kleine, gele bord waarop ‘zachte berm’ staat.

Een smalle weg die door een groen landschap slingert, langs kastanjebomen in bloei en glooiende weilanden vol paardenbloemen, langs boerderijen waar op maandagochtend de was buiten hangt, de onderbroeken op volgorde van grootte, de overalls flapperend in het gelid – en dan hier en daar dat gele bordje: zachte berm.

Kan niet beter.

Het is als een waarschuwing bedoeld, ik weet het, maar het is een tekst die uitnodigend, ja zelfs verleidelijk klinkt, als een fluistering: niet om met de wielen even door de zachte berm te rijden, ook fijn trouwens, hoe dan de modder onverwachts opspat uit het heldergroene gras, maar om de auto ergens tot stilstand te brengen en in de zachte berm het lichaam neer te vleien – met twee lichamen is het uiteraard nog beter toeven in een zachte berm.

Allebei een grasspriet in de mond.

Ruggelings, hand in hand, naast elkaar.

Naar de hemel kijken, knalblauw.

De zachte berm roept nog meer associaties op. Ik denk bijvoorbeeld aan kamers in Duitse hotels; gesteven wit linnen, onmogelijk frisse dekbedden die er zwaar uitzien, maar vederlicht zijn. Open het raam, en hoor het klateren van een beek. Onmiddellijk komt de reiziger tot rust, aangekomen in een andere wereld. Of deze: blote billen in het gras. Volgens mij een gerecht; stamppot van snijbonen en aardappels. Je ziet de aardappels, bleek en rond, boven het sprieterige groen uitwippen, heerlijk. En bovendien: een goeie, zomerse stamppot.

Graag rij ik dus langs wegen met een zachte berm – ze stemmen hoopvol, en dromerig, ze reiken de metaforen moeiteloos aan. Weliswaar zijn de wegen zelf hard, en het einddoel ook, in absolute zin, aan de rand, in de periferie, liggen mogelijkheden tot troost en ontsnapping, altijd van korte duur, want dan moet de reis verder, maar dat doet er niet toe.

Even vrij is goed genoeg.

Er is nog een bord dat heel erg tot mijn verbeelding spreekt: ‘onverharde weg’. Een onverharde weg kan ik nauwelijks links laten liggen, die moet ik even berijden, het liefst door gevaarlijke kuilen en gevolgd door een stofwolk, en eindigend bij een hek of een wildrooster. Eerlijk gezegd prefereer ik het hek, als het maar van hout is, en oud. Aan de andere kant gaat de onverharde weg verder, nu in de vorm van een pad. Waar het heengaat, doet er niet toe, maar een bosrand is perfect.

Twee mogelijkheden dienen zich nu aan: het hek over te klimmen en naar de bosrand te kuieren, daar een plaid uit te strekken en de lichamen te ruste te leggen, of juist niet dus, maar pas daarna, even weg dommelen na gedane zaken, of gewoon wat over het hek te hangen, tot de zon te warm is op het hoofd en de terugweg – stapvoets achteruitrijdend over de onverharde weg – kan worden aanvaard.

Leunen over een hek in een landschap, mijmeren over een bosrand en de mogelijkheden van een zachte berm. Het zijn van die dingen die bij dit jaargetijde behoren. En al komen er steeds minder zachte bermen, en steeds minder onverharde wegen – ik blijf er naar zoeken. We mogen niet opgeven.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden