Beppie Melissen

Vanaf het moment dat ze besefte vrouw te zijn, is actrice Beppie Melissen (57) op zoek geweest naar vrijheid. Dan helpt het niet als je moeder 99 wordt....

Dit dacht ze laatst: dat iemand haar vroeg met wie ze op een onbewoond eiland wilde zitten: met een slecht iemand die geestig is, of met een goed iemand die niet geestig is. Na lang wikken en wegen besloot ze: het eerste. ‘Ik verdraag het niet als iemand slecht is, maar een goede schat met wie je geen seconde kunt lachen... dat is gewoon niet te doen.’ Humor in het woordenboek van Beppie Melissen: ‘Dat is vrijen met elkaars ziel. Het is een heel intieme vorm van contact. Waar veel gewonemensentaal ontoereikend is, kom je met humor tot elkaar.’ Ze heeft in het verleden weleens aan diners gezeten, stijve diners, ‘dat je naast iemand zit, met mes en vork gebonden. Nou, dan duurt een uur lang, hoor.’

Dan word je recalcitrant. ‘Als ik van de weeromstuit te veel drank naar binnen gooi: ja. Dan kan ik heel erge dingen zeggen.’ Die keurige dame aan haar linkerhand, die op samenzweerderige toon over haar toenmalige man zei: ‘Goh, hij kan niet koken, hè?’ Antwoordde de actrice met dat uitgestreken gezicht en die stem die geen krimp geeft: ‘Nee, maar hij kan ontzettend lekker neuken.’

Het is een paar dagen na de première van Ben Hur, het Romeinse spektakelstuk van gelegenheidsformatie De Ploeg. Die maandagavond in Carré hadden ze met z’n allen over het podium gedarteld: Erik van Muiswinkel, Joep van Deutekom, Peter Heerschop, Viggo Waas, Han Römer, Titus Tiel Groenestege, Genio de Groot, Sophie van Winden en Beppie Melissen. Ze viel op, Beppie, tussen al die mannen die – bijna allemaal cabaretiers tenslotte – zo duidelijk gewend waren voor de lach van het publiek te gaan. Zo uitbundig als de rest was, zo ingehouden stond zij te spelen, zelfs toen ze na de hilarische orgie-scène met haar onderbroek op haar enkels betoogde dat zij ‘verreweg de slechtste positie in het ensemble had’. Bulderende lach in de zaal. Dat is opium, zo’n lach, zegt Beppie Melissen. ‘Daar door word je meegesleurd. Als het een lekkere lach is, en geen nare lach.’

Wat is dat, een nare lach? ‘Een koude lach. Ik noem het ook wel de meedogenloze lach.’

En wanneer klinkt die in een zaal? ‘Als je een scène hebt gemaakt waarin iemand even heel erg de pineut is. Daar kun je warm om lachen, of je kunt de lach van je afduwen.’ Ze doet het voor, een korte, gevoelloze lach: ‘Hahaha’, en vraagt: ‘Begrijp je? Dat is eigenlijk uitlachen.’

Greet Hogenbrink, de schoonmoeder van Cheryl Morero uit Gooische vrouwen. De cynische hoofdzuster van Jiskefets verzorgingshuis St.-Hubertusberg. José, de vrouw van Oboema. Zo heeft het grote publiek Beppie Melissen leren kennen. Een veel kleinere groep weet dat ze al twintig jaar op de planken staat met Carver, de theatergroep waarvan ze mede-oprichter en artistiek leider is. Op de dagen dat ze niet met Ben Hur door het land toert, werkt ze aan hun nieuwste voorstelling, Het eeuwig menselijke. Kern van dat stuk: ‘Dat mensen de emotie tegenwoordig belangrijker vinden dan de feiten.’

Waarom wil je daarover een voorstelling maken? ‘Om dezelfde reden als ik al onze andere stukken heb gemaakt: ik wil onderzoeken wat ik om me heen zie gebeuren.’ Zonder in details te treden: het afgelopen jaar werd Melissen in haar persoonlijke kring geconfronteerd met een vorm van massahysterie. Iemand die in haar ogen niks had gedaan, werd iets kleins kwalijk genomen. ‘En daar kwam steeds meer onzin bij, dat liep totaal uit de hand. Een brandje werd een fik, en dat heb ik verbijsterend gevonden. Ver-bij-ste-rend.’ En dan ziet ze patronen. ‘Dat ze in voormalig Joegoslavië de buren ineens gaan doodslaan omdat ze Kroaten zijn. Hou maar op, schei maar uit, ik begreep er geen flikker van, eigenlijk.’ Dat Lucy de B. is veroordeeld op basis van feiten die nu door anderen worden weerlegd, ‘alleen maar omdat mensen mee wilden in de emotie dat ze een slecht mens was, want: kinderen vermoord.’ En nu weer die kredietcrisis. Op tv ziet ze ‘een woud van stropdassen met van die ongelukkige rare hoofden erboven, en dan denk ik: godverdomme, die hebben met elkaar een idioot spelletje met emoties gespeeld.’

Hoe ga je dat allemaal in het stuk verwerken? ‘Dat weet ik nog niet. Ik zit nog in de fase dat ik alles wat ik lees, zie en hoor, kan gebruiken als materiaal. Ik heb striptekenaar Gummbah gevraagd om met me mee te denken. Gummbahs absurdisme bewonder ik mateloos. Ik zou het zelf niet kunnen bedenken, maar ik kan er helemaal in mee.’

Wat hebben jullie gemeen? ‘Hij is ook iemand voor wie het leven geen gemakkelijk koetsje is.’

De stukken van Carver gaan altijd over het menselijk tekort, wordt beweerd. ‘Ik zou nog eerder zeggen dat ze gaan over mensen die niet heroïsch zijn. Over kwetsbaarheid. Want kwetsbaar zijn we allemaal – ook die stropdassen, ook ik.’

Wanneer had je dat voor het eerst door? ‘Al snel. Ik was 10 of 11, en ik vond het vreselijk jammer dat ik een vrouw was. Ik weet nog, ik zat op de fiets, en ik dacht: dat wordt nooit meer anders.’

En dat maakte je kwetsbaar? Ik zag dat mannen meer kansen hadden. Die waren vrijer, en die vrijheid, daar ging het me om. Die meende ik niet te hebben.’

Haar ouderlijk huis stond in Mijdrecht. De familie Melissen: vader, moeder, acht zoons, en in het staartje drie dochters. Geloof: gereformeerd. ‘Altijd was God er met zijn alziend oog.’ Vader was leraar wiskunde, moeder ‘de matrone die het gezin runde met ijzeren hand: elke maaltijd met z’n allen aan tafel, en altijd van iedereen willen weten: waar ga je naartoe, en hoe laat ben je weer thuis? Je kon geen stap zetten zonder dat mijn moeder wist wat je deed.’

Wat was ze voor een vrouw? ‘Een intelligente vrouw. Misschien wel het intelligentst van ons allemaal. Met een vlijmscherp gevoel voor humor. Een vrouw die misschien wel had willen studeren, maar die elf kinderen kreeg. En zich vervolgens staande moest houden in zo’n mannengezin waar al snel werd gezegd: ‘Wat weet jij daar nou van, je hebt niet geleerd.’

Wat voor effect had dat op haar? ‘Als je niet de waardering krijgt die je verdient, kun je heel boos worden. En dat werd ze. Een boze vrouw. Heel kritisch. En jaloers. Ze gunde me wel mijn geluk, maar vond het moeilijk als ik dat buiten de deur haalde.’

In het gezin waren twee emoties toegestaan, zei je ooit: lachen en kwaad worden. ‘Praten was bij ons meer een gevecht dan een gesprek. Er werd veel gediscussieerd, maar zonder naar elkaar te luisteren. Het was altijd: kan ik jou in mijn kamp trekken, jou overtuigen? Vooral mijn broers deden dat. Ze vonden altijd dat ze gelijk hadden, en als je het niet met ze eens was, was je dom.’

Welke rol speelde jij in dat geheel? ‘Ik was een pleaser. Braaf, stil.’

Op haar 13de leerde ze Mieke kennen, nog steeds haar beste vriendin. ‘Mieke kwam uit een veel vrijer milieu; zij was helemaal niet bezig mij te overtuigen van haar gelijk. Achteraf gezien is dat de redding van mijn leven geweest. Dat ik de goede mensen om me heen heb uitgezocht, mensen die me leerden wat vrijheid van denken is. Mieke, mijn eerste vriendje. Dat is echt geluk.’ Nog meer geluk: na de mms naar de Academie voor Expressie in Utrecht. ‘Daar ging ik heen op advies van mijn broer Sipko, mijn held. Hij en de drie meisjes, wij waren een soort gezin binnen een gezin.’

Wilde je altijd al actrice worden? ‘O nee, ik wilde docent worden, net als mijn vader. Het was een veilige keus, maar door die wereld van het toneel toch een beetje wild.’

Kwam ze daar Pieter Kramer tegen, en Loes Luca, Cecile Heuer. ‘Dat werd een clubje, en dat clubje ging in de weekends zelf voorstellingen maken, en toen ontdekte ik hoe leuk dat was.’ Heeft ze dertig jaar gedaan: dingen bedacht. Samen met anderen. Eerst bij Carrousel, later, met Leny Breederveld en René van ’t Hof, met hun eigen gezelschap Carver. Uniek werd hun werkwijze genoemd, want: op basis van een idee verzamelde iedereen zijn materiaal, en dan werd er al improviserend een voorstelling gemaakt. Scène uitproberen, vastleggen op video, afspelen en bekijken, schaven, weer een nieuwe scène, en nog een en nog een, tot ze alle drie tevreden waren. ‘Theatermaken is mijn manier van met andere mensen in gesprek zijn over een onderwerp. In mijn werk is de nieuwsgierigheid naar de geest van iemand anders het meest compleet. In mijn werk heb ik geen last van die domineescultuur van overtuigen, die in ons gezin zo aanwezig was. In mijn werk ben ik echt vrij. Dus die vrijheid van geest, waarvan ik vroeger dacht dat ik die alleen kon bereiken als ik een man was, heb ik bereikt door mijn werk.’

En toen werd die vrijheid je vier jaar geleden bijna afgepakt. Carver, zo besloot de Raad voor Cultuur, kwam niet meer in aanmerking voor subsidie. Waarom niet? ‘Omdat Leny en René vlak voor de subsidieaanvraag de deur uitgingen, totaal onverwacht zeiden dat ze Carver wilden verlaten. Nou, dan kun je er gif op innemen dat je geen subsidie meer krijgt, als je een driekoppig collectief bent waarvan er twee weggaan.’ Over de beweegredenen van haar voormalige collega’s wil ze het niet hebben. ‘Dat is te privé.’ Wel zegt ze dit: ‘We werkten al twintig jaar samen, we gingen intens met elkaar om, het was bijna broertje-zusjes wat wij hadden. De timing was slecht. Ik lag al op mijn rug. Mijn man was net ervandoor, na een huwelijk van tien jaar, ik was kapot ervan, totaal kapot.’

Hadden jullie artistieke conflicten? ‘Helemaal niet.’

Was de samenwerking na twintig jaar op? ‘Misschien wel, maar ik vond het nog leuk, ik zag nog mogelijkheden.’ Door een ‘ongelooflijk hartverwarmende’ lobby van Joop Admiraal, die Hedy d’Ancona mobiliseerde, van collega-gezelschappen, theaterdirecteuren en toneelopleidingen is de beslissing van de Raad uiteindelijk teruggedraaid.

En als dat niet was gebeurd? ‘Ik kan gelukkig aardig relativeren. Simpel gesteld: het was geen oorlog, er werden geen wreedheden gepleegd, dus ook als ik Carver was kwijtgeraakt, had ik nog altijd een basis over die de moeite waard was.’

Je werd dit jaar onderscheiden met de Mary Dresselhuysprijs, voor je ‘lichte, glasheldere spel, droge humor en schijnbaar vanzelfsprekende natuurlijke en onnadrukkelijke timing’. Dat moet een triomf zijn geweest. ‘Ik vond het vooral zo bijzonder omdat het zo persoonlijk was.

We hebben met Carver vaker prijzen gekregen, maar nooit eerder voor mijn spel alleen.’

Mis je de oude Carver? ‘Ik denk nog geregeld: dit zou ik met Leny moeten doen. Ik kan met niemand zo goed spelen als met haar. We keken naar elkaar en we lachten ons helemaal gek. We waren een soort Snip en Snap. Zij speelde de ene kant van een rol, en ik de andere.’

Zij de sneue, jij de boze vrouw. Waarom past die rol jou zo goed? ‘Het is maar waar je oog op valt. Mij fascineren vaak de boze vrouwen in een winkel. Vooral als ze dan per ongeluk hier (wijst naar haar haar) een rood strikje hebben zitten. Dat symboliseert dan voor mij een verlangen naar. En dan denk ik: ik snap jou wel, met je boodschappentas, godverdorie, in dit klotedorp. Ik snap jou wel, met dat stomme huishouden dat elke keer weer een herhaling is. En niemand die het ziet, niemand die het waardeert, omdat het geen vak is. Je moet toch wel heel gedienstig in elkaar zitten wil je dat dag in dag uit, dag in dag uit verdragen.’

Eigenlijk speel je al twintig jaar je moeder. ‘Ze heeft onmiskenbaar haar invloed gehad.’ Haar moeder overleed tijdens het repetitieproces van Gods wachtkamer, een voorstelling over een dochter en haar dementerende moeder. Beppie Melissen stond er begin dit jaar samen met Joke Tjalsma, de nieuwe vaste actrice van Carver, mee op de planken. ‘Mijn moeder is 99 geworden. Ik gunde haar de dood, eindelijk af van die onzin zeg, dat maar wachten, de hele dag maar wachten: op bezoek, op wie komt er nog, op nog zieker en krakkemikkiger worden.’

In die voorstelling zit de zin: ‘Laat mij nog één periode van mijn leven zonder jou bestaan.’ Is dat de essentie van het stuk? ‘Hij komt in de buurt. Ik behoor tot de eerste generatie dochters van wie de moeders ongelooflijk oud worden. Als je niet uitkijkt, ben je op je 70ste nog met je moeder bezig.’

En die moeder met jou. ‘Weet je, ik geloof dat je je kind geen groter cadeau kunt doen dan het los te laten. Echt los te laten, en het z’n geluk buiten de deur te gunnen. Niet veel ouders kunnen dat. Niet veel ouders zeggen: ‘Je bent altijd welkom, maar voel het niet als een verplichting.’’

Voel je je vrijer nu je moeder dood is? ‘Praktisch gezien wel. Ik hoef niet meer op zondag te denken: ik moet eigenlijk naar haar toe. Op vakantie heb ik niet meer de zorg: heeft mama het wel leuk? Je voelt je toch altijd verantwoordelijk.’

In Gods wachtkamer speelde je voor het eerst een kwetsbare rol. ‘Ik speelde voor het eerst de underdog. Dat had niet zozeer met mijn moeders dood te maken, maar met de regie van Gerardjan Rijnders. We hadden een aantal scènes verzameld die ik geestig vond, maar hij zei: ‘In geestig ben ik niet geïnteresseerd, dat ken ik wel, ik wil een andere kant van jullie laten zien.’’

Is Carver veranderd de laatste vier jaar? ‘Ik hoor dat we zwaarmoediger zijn geworden.’

En dat terwijl ze juist het gevoel heeft dat haar leven een stijgende lijn is. Misschien ontbreekt er nog een man. Maar, zegt ze: ‘Als ze me zouden vragen: wil je er nu een of over twee jaar, dan ben ik geneigd te zeggen: over twee jaar. Eerst nog even mijn ding doen.’ Ze voelt, zegt ze, ‘een vrijheid, alsof ik in mijn puberteit zit. Dat je gretig alles tot je wil nemen.’ Misschien wel daarom de keuze om met Gummbah samen te werken: ‘Absurdisme is de ultieme vorm van vrijheid van de geest.’ Privé heeft ze de laatste jaren een paar goede nieuwe vriendinnen gemaakt. ‘Het is zo bijzonder dat je in dit stadium van je leven nog mensen aan je kring kan toevoegen. Het zijn ook van die vrouwen die niet bang zijn, die open en nieuwsgierig de wereld in hollen. Dat geeft hoop.’

‘Ik ben niets / Ik zal nooit iets zijn / Ik kan ook nooit iets willen zijn / Afgezien daarvan koester ik alle dromen van de wereld.’ Die regels van Pessoa stonden op de achterkant van de dvd van Carvers eerste voorstelling, Café Lehmitz. Is dat een levensmotto? ‘Ik vind het een mooie benadering van het bestaan. De eerste zinnen benadrukken, door de herhaling, een zekere bescheidenheid, een bescheidenheid die ik bijna nergens meer zie. En de kleinheid wordt door de laatste zin omarmd door een vreugdevolle hoop en troost.’

‘Alle dromen van de wereld.’ Welke zijn uitgekomen? ‘Ik woon in Amsterdam, heb een paar dierbare vrienden, ik ben gezond. En in mijn grootste droom, de vrijheid, ben ik een heel eind gekomen.’

Die maandagavond in Carré stond ze na de première met een glas in de hand ‘even leuk te doen: hé, hoi, o, echt waar, goh, wat geestig’. Ze is, zegt ze, ‘op zo’n party niet connected. Ik loop als een kip zonder kop rond, en stort daarna doodmoe in bed.’ Eigenlijk zou ze het liefst door de achterdeur willen weggaan, of beter nog: ‘Er zou een ambulance moeten klaarstaan die me naar een kuuroord vervoert. Het contrast tussen wat je net oprecht hebt geprobeerd op het toneel, en de confrontatie met het publiek, is zo krankzinnig groot, het is ondoenlijk om je daar senang bij te voelen.’ Pas als ze dat zou durven, als ze op zo’n moment zichzelf niet zou verloochenen: dan zou ze er zijn.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.