Beppe Costa

Acteur en multi-instrumentalist Beppe Costa (52) mag zich – erg Italiaans – graag druk maken over veel zaken: te korte mannensokken, de bediening in restaurants, en Juventus....

Beppe Costa vertelt hoe hij Crocs ging kopen, in Amsterdam. Híj. Een Italiaan. Crocs! Op vakantie had de muzikant en acteur de plastic klompen een week gedragen. Binnenshuis en licht beschaamd. Ze waren van zijn zwager, die gebruikte ze ook als sloffen. Heerlijk, dacht Beppe Costa, toen hij ze voor het eerst aantrok. ‘Heerlijk.’ Terug in Amsterdam, waar de Italiaan nu bijna 25 jaar woont, besloot hij: ‘Ik ga een paar kopen voor in huis, en ik zeg het tegen niemand.’ Costa naar de Crocs-winkel. Hij pakte het enige model waarvan hij niet ogenblikkelijk buikpijn kreeg, ‘gelijk ook het duurste natuurlijk’, en liep ermee naar de kassa. Daar zei hij ineens: ‘Sorry, ik doe het niet. Ik mag ze niet kopen.’ De man achter de kassa, ‘iemand met humor’, iemand die wel vermoedde wat er aan de hand was, vroeg plagerig: ‘Waarom dan niet?’ Costa antwoordde, ‘heel zachtjes’, dat wel: ‘Ik vind ze zó lelijk.’

Erger je je eraan, als je in Nederland op straat iemand op Crocs ziet lopen? ‘Ja* Maarre* Jáwel. Als het bekenden zijn, zeg ik ook: ‘Hé, doe schoenen aan.’ Aan de andere kant: echte vrienden van mij – nou ja, vriendinnen; tachtig procent van mijn vrienden zijn vrouwen – zijn gewoon zoals jij en ik. Die kopen geen Crocs. Maar ik heb geleerd te lachen om wat ik in Nederland op straat zie.’

Bij de eerste zonnestraal trekt iedereen hier meteen sandalen en slippers aan. Hartgrondig: ‘Verschrrrklúk. Dat doen we dus niet.’ Dan: ‘Je moet ook een keuze maken. Wat heb je eraan als je mannen in prachtige pakken ziet, die verder allemaal eh* eikels zijn? Zum beispiel. Moet je eens rondkijken op de luchthaven, als je van Turijn naar Parijs vliegt. Kijk eens naar die Italiaanse zakenmannen. Ze dragen een mooi pak, maar zijn zo arrogant. ‘Ik denk: zorg in elk geval dat je zelf geen slippers gaat kopen. Zorg dat je zelf een mooi pak hebt, en mooie schoenen, en lange sokken.’

Jij draagt altijd lange sokken, vertelde je beste vriendin, Isolde Hallensleben. Hij steekt zijn been uit, rolt zijn broekspijp op: ‘Kijk.’ Een rode kous, tot aan de knie. ‘In Italië draagt iedere man lange sokken.’ Opnieuw verontschuldigend: ‘Ik heb een paar sokken van Paul Smith cadeau gekregen. Prachtig. Maar kort.’ Resoluut: ‘Die ga ik toch niet aandoen. Dan zit ik er de hele tijd aan te trekken.’

En je ziet een stuk wit been. ‘Ja. Verschrrrklúk.’

Niemand kan zo overtuigend verschrikkelijk zeggen als Costa, een van de vaste makers van het muziektheatergezelschap Orkater. De kleine performer spreekt zijn eigen creatieve Nederlands met Italiaanse inslag, accent en dictie, dat op papier niet is over te brengen – dat moet je horen. Op 29 januari gaat bij Orkater zijn solovoorstelling Een Blauwe Vrijdag in première, over zijn leven als Italiaan in Nederland. Aanvankelijk zou hij de teksten in het Italiaans schrijven, om ze daarna te laten vertalen. Regisseur Gijs de Lange had een beter idee. Costa moest de teksten schrijven en voordragen in Beppa Costa-Nederlands. ‘Anders ben je jezelf niet’, zei de regisseur. ‘En door jou wordt het Nederlandse publiek geconfronteerd met de structuur van zijn eigen taal.’

Hij dribbelt druk op en neer tussen de open keuken en de woonkamer. Er komt meteen een schaaltje met chocolade op tafel, bijna zwarte chocolade met Spaanse peper, uit het koffiehuis van zijn zus in Turijn, de stad waar hij is opgegroeid. (Dat koffiehuis werd een paar jaar geleden uitgeroepen tot een van de beste drie van Italië, maar dit terzijde.) Costa is net in Turijn geweest. Vanuit de keuken, hij zet koffie, vertelt hij gedetailleerd over zijn laatste, grootse culinaire avontuur. Na jaren heeft hij weer eens witte truffel kunnen eten. ‘Mijn god, zeg.’ In ristorante Del Cambio, ‘het mooiste restaurant dat er bestaat, een van de oudste in de stad, echt decadent’. Enfin. Costa bestelde een fonduta, een kleine kaasfondue, als voorgerecht. Meneer Enzo bracht het gerechtje naar de tafel.

– ‘Zal ik er wat truffel overheen schaven?’, vroeg meneer Enzo.

– ‘Wat dacht u zelf’, zei Costa. Ja, daar kan hij zich over opwinden, Nederlanders die op vakantie gaan naar Italië en die allemaal, ‘honderd procent’, terugkomen met het bekende verhaal: ‘Och, wat kun je daar toch lekker eten! Overal! In elk restaurantje!’ Al bijna 25 jaar denkt Costa: jongens, waarom doen jullie dat dan niet hier? Wat is er zo moeilijk aan? Nederlanders zeggen over de restaurants hier: ‘Ach, de bediening was niet goed, en het eten was mwa, maar het was wel gezellig.’ Ongelooflijk. ‘Het ís niet gezellig. Je gaat toch niet meer naar een restaurant waar je als stront wordt bediend?’

Op de bank ligt een gitaar, in de hoek staat een harp, op de grond ligt een Turkse drum, op een laag tafeltje een udu. ‘Multi-instrumentalist’, zo wordt Costa ook vaak omschreven. Een tovenaar met muziek. Hij kan elk instrument bespelen; hij kan zelfs een ton water laten zingen.

Wanneer begon je van muziek te houden? ‘Vanaf 0 jaar. Ik kan het me niet eens herinneren. Ik luisterde naar alle soorten muziek. Ik kreeg een gitaar en ik had nooit geleerd gitaar te spelen, maar ik speelde toch. Sommige dingen zijn niet te verklaren. Voor anderen was ik bijna irritant. Vrienden van mij waren druk blokfluit aan het oefenen, voor een optreden. ‘Hoe werkt zo’n ding’, vroeg ik. En ik pakte een blokfluit en binnen een week speelde ik beter dan zij.’

Je ziet een instrument en moet het aanraken. ‘Ja, aanraken. Wanneer ik op vakantie ga, neem ik nooit een instrument mee. Maar na een week of twee ga ik naar de muziekwinkels en doe ik alsof ik een gitaar wil kopen. Anders word ik een beetje*’ Toktoktok, trommelt hij ongedurig op tafel.

Wat word je dan? Driftig gebaartje: ‘Weet-ik-nietniet- leuk.’ Dan: ‘Het is bijna fysiek. Je moet gewoon iets spelen.’

De drang* ‘Om geluid te maken. Soms kijk ik naar een film op televisie en dan...’ Hij pakt zijn gitaar, slaat een paar akkoorden aan. ‘Dan speel ik er nutteloos doorheen. Het is niet eens oefenen, ik speel gewoon een deuntje.’

‘Hij is totaal virtuoos’, zei Isolde. Costa krijgt een kleur. Verlegen: ‘Ja, maar zij is geen muzikant, daarom kan ze zoiets zeggen.’

Zijn moeder was huisvrouw; zijn vader carabiniere a cavallo. Na de oorlog, toen het leger werd ingekrompen, raakte vader Costa eerst zijn paard kwijt, en daarna zijn baan als politieman. Hij ging werken voor een hydro-elektrische centrale. ‘In plaats van mensen te controleren, ging hij machines controleren.’

Al op zijn 4de had Beppe zijn eerste optreden, in Caluso, het dorp bij Turijn waar hij is geboren. Er was een groot feest, georganiseerd door omroep Rai Uno. Een beroemde presentator vroeg hem: ‘Hé bambino, wil jij een liedje komen zingen?’ Beppe klauterde op het podium en zong uit volle borst. ‘Iedereen dacht dat het was ingestudeerd. Mijn moeder schrok zich de pleur. Daar stond haar zoontje ineens op het toneel, met een compleet orkest en allemaal camera’s. En ik had geen enkele gêne. Of angst. Helemaal niks. Ik ben nooit bang geweest voor het publiek.’ Beppe maakte later nog een korte carrière als steeplechase- jockey op het platteland van Piemonte – hij had er het ideale postuur voor – maar zijn hart lag bij de muziek. Op de basisschool was al geconstateerd dat hij naar het conservatorium zou kunnen. ‘We waren een bescheiden gezin, ook financieel gesproken. Mijn vader vond het idee dat zijn kind tien jaar zou gaan studeren te hoog gegrepen. En eigenlijk ben ik blij dat hij het niet heeft gedaan. Ik had een heel goede violist kunnen worden*’

Misschien een wereldberoemd violist. ‘Maar misschien was ik wel gewoon muziekleraar geworden. Mijn mazzel is dat mijn creativiteit niet meteen werd gekanaliseerd. Ik ben hybride.’ Hij schiet in de lach: ‘Ik ben een amfibie in een moeras van creativiteit. Ik ben geen acteur en ik ben geen muzikant. Ik wacht op een prinses die mij wakker kust en dan word ik Pierre Bokma.’

Ik weet niet of je Pierre Bokma moet willen zijn – die is wel erg moeilijk voor zichzelf. ‘Oké. Het is nu ook een beetje laat om wakker te worden. Toen ik een jongen was, wilde ik graag voetballer zijn. Nu zou ik alleen maar mezelf willen zijn, maar dan veel beter. Laurie Anderson (een Amerikaanse kunstenares en muzikante, red.), een grote heldin van mij, zei: ‘Paradise is exactly where you are right now. Only much, much better.’ Dat is het – precies.’

Je wilt hetzelfde zijn als nu, maar beter. ‘Op alle niveaus. Ik hoef geen villa in Blaricum, dan word ik doodverdrietig. Ik wil mijn huisje hier, maar alleen iets groter. En ik wil iets meer liefde. En iets meer van alles.’

Wat vonden je ouders, toen je verder ging, in de muziek en het theater? ‘Mijn vader is overleden toen ik 17 was. Ik moest nog beginnen. Dat is mijn grote ongeluk: dat mijn vader niet gezien heeft wat ik ben geworden. Mijn moeder is apetrots, op mijn zus en mij.’ In 1984 kwam hij naar Nederland, met een folkband. Een mimegezelschap vroeg of hij bij hen wilde komen spelen. De kleine Italiaan zou nooit meer weggaan uit Amsterdam. Hij was een opmerkelijke verschijning, in die dagen. ‘Erg Italiaans. Ik droeg altijd een stropdas, of een vlinderdasje. Altijd gesoigneerd – nog steeds. En je weet hoe een mimegezelschap eruit ziet, zo’n geitenwollensokkencommunity.’ Costa was net een week in de stad toen hij tijdens zijn ontdekkingsreis door het centrum een smalle straat inwandelde. Hij schrok zich kapot. ‘Ik zag een stuk of twintig negers, midden op straat, die heel hard aan het praten waren. Ineens hielden ze op en keken ze allemaal naar mij.’ Ter verduidelijking: de Italiaan had een spierwitte broek aan, en een vlinderdas. De groep week verbijsterd uiteen. ‘Ik liep er gewoon tussendoor. Ik vond het heel eng hoor, maar ik was zo onwetend.’ Later hoorde hij dat dat nou de Zeedijk was, toen het exclusieve domein van junken. ‘Je bent niet in elkaar geslagen omdat ze waarschijnlijk dachten dat het een valstrik van de politie was’, zeiden zijn vrienden. Costa: ‘Ik zag eruit als een soort alien, natuurlijk.’

Waarin voel jij je nog erg Italiaans? Resoluut: ‘Met eten. Voetbal – Juventus. Voetbal is liefde. En dat ik me heel druk maak, over de dingen.’

Dat is Italiaans; dat je je druk maakt over van alles? ‘Over allerlei dingen ja, in het algemeen. Daar kan ik me over opwinden. Maar dat is toch heerlijk? Dat je niet zo bent van (de acteur Costa gaat achterover hangen in zijn stoel, kijkt ongeïnteresseerd): ‘Pffffff. Mwaaah. ‘Regisseur Gijs de Lange en ik hebben minimaal een keer per productie een discussie, op zijn Italiaans, bijna.’ Hij doet de dialoog na, op geprikkelde toon, in razend tempo, met driftige gebaartjes:

– ‘Nee maar dat wil ik niet.’

– ‘Maar wat dan?’

– ‘Ik bedoel iets anders, laat maar zitten.’

– ‘Nee, laat maar zien dan, laat maar zien dan!’

Dan: ‘Zo dus. Iedereen in het repetitielokaal raakt in paniek – ‘Nu hebben we een probleem’ – maar Gijs en ik zijn het onmiddellijk vergeten.’

Wat mis je van Italië? ‘De bergen.’ Hij pakt zijn laptop erbij, klikt een foto aan, genomen vanuit het centrum van Turijn. Een brede straat geeft een doorkijkje naar de bergen met hun eeuwig witte marmertoppen – alsof ze zo de stad kunnen binnendringen. ‘Maar als ik in Italië ben, mis ik de zee en de grachten. Ik zou nooit meer in een stad zonder water kunnen wonen. Met nadruk: ‘En ik kan niet zwemmen.’ Hij klikt nieuwe foto’s aan: Schiermonnikoog, Vlissingen, IJmuiden. Een viskar, achter een tractor, op het strand, met een groot reclamebord aan de zijkanten. Hij leest voor: ‘Geef het door, eet haring van Floor.’ Zo grappig, een rijm bedacht door Floor. Net als: ‘Voor een boeket, groot en klein, moet je bij Pietje zijn.’’

In het begin deed Beppe Costa geen moeite de taal te leren. Hij werkte toch vooral met Engelsen en Amerikanen. Twee weken nadat hij in Amsterdam was komen wonen, kreeg hij een relatie – met een Italiaanse. Monter: ‘Onbewust heeft ze mijn integratie toch wel belemmerd.’ Na vier jaar liep de verhouding stuk.

En toen? Bijna zingend, met aanstekelijk Italiaans accent: ‘Toen was er een open zee van wellust, en opportunities, tussen die blonde schonen van de Noordzééhee. En ik liep van die ene bed naar die andere* Ik liet mij slingeren door die straten, aan de hand van een blondine van 1 meter 85*’ Hij moet hard lachen. ‘Nee dus. Ik had het heel graag gewild. Maar nee dus. Ik heb het gevoel dat ik eigenlijk mijn hele leven vrijgezel ben geweest. Ik heb geen kinderen. Dat vind ik wel jammer.’

Ja? ‘Ja, want je wilt alles hebben, hè.’

Hoe komt het eigenlijk dat je geen vrouw hebt? Met een Calimero-stem: ‘Omdat niemand mij wil! Omdat ik ben verschrikkelijk.’ Hij corrigeert. ‘Omdat ik verschrikkelijk ben. Altijd het werkwoord op het einde.’

Maar goed. ‘Het is mij nooit, of weinig gebeurd dat een verliefdheid wederzijds was. Een paar jaar geleden is het me overkomen en dat was parachutespringen zonder parachute. Ge-wel-dig. En dan keihard op je bek gaan, als je landt. De tijd die de relatie duurde, stond absoluut niet in verhouding tot de tijd die het kostte om het verdriet te verwerken.’

Waarom ging het mis? ‘Ach. Het gaat altijd mis.’ Vol zelfspot: ‘Het gaat altijd mis, hoor je mij?’ Dan: ‘Ik geloof nu eenmaal erg in verliefdheid. Dat is niet redelijk op mijn leeftijd, hoor ik zeggen, links en rechts. Je moet schijnbaar genoegen nemen met geborgenheid.’

Kortom: je moet wat minder hoge eisen stellen, zegt je omgeving. ‘Ik doe mijn best. Af en toe probeer ik het wel. Maar het lukt me niet.’

Het moet de ideale vrouw zijn. ‘Ja, maar wat is de ideale vrouw?’ Hij denkt even na. ‘In mijn voorstelling zeg ik: ‘Een ideale vrouw is een vrouw die als ik haar omhels en ik mijn ogen dichtdoe, ga ik de zee in de verte zien.’ Hij trommelt weer op tafel. ‘Da’s mijn ideale vrouw.’

Je familie zit in Italië, en jij bent hier alleen, zonder vrouw of kinderen. ‘Kijk: ik hoef nooit toestemming te vragen. Ik heb geen enkele verplichting. Van die vrijheid geniet ik ook wel. Maar geen enkele verplichting hebben betekent ook dat je geen wortels hebt. De taal spreek ik nog niet zo als de autochtonen. En in Turijn spreek ik het dialect van 25 jaar geleden. Ik zit tussen twee culturen, tussen twee landen. Eigenlijk ben ik nergens.’ Korte stilte. ‘Da’s ook weer een prettig gevoel. Je hoeft je niet verantwoordelijk te voelen voor Berlusconi. Of Rita Verdonk.’ Opnieuw een korte stilte. ‘Tegelijkertijd voel je je verantwoordelijk voor allebei.’

Best eenzaam. ‘Het is eenzaam. Je hebt altijd een escape. Ken je die ouwe autosticker, uit Engeland? ‘My other car is a Bentley.’ Met zo’n gevoel loop ik hier ook weleens rond: in Italië heb ik drie vrouwen en vijf kinderen en zes golfbanen.’ En als ik in Turijn ben, denk ik hetzelfde over Nederland.’

Hoe komt het, dat tachtig procent van je vrienden vrouw is? ‘Da’s toch simpel: omdat ze leuker zijn dan mannen. Ik heb zo veel meer met dames. Da’s niet direct gerelateerd aan flirten. Nu ja: het is wel flirten, maar niet met een tweede bedoeling. Ik hou van kleren. Ik hou van kletsen. En Nederlandse mannen praten liever niet – blijkbaar. Of ze zijn aan de stoere kant. Het bestaat hier niet dat ik tegen een vriend zeg: ‘Zullen we met zijn tweeën uit eten gaan? Alleen als je iets zakelijks moet bespreken.’

Italiaanse mannen weten beter hoe ze vrouwen moeten inpakken. ‘Ja, maar dat is wél met een tweede bedoeling. Da’s valse galanterie. Daar ben ik eerder allergisch voor.’

De acteur geeft een mini-privévoorstelling uit Een blauwe vrijdag, over de liefde en Nederland. ‘Ik zal je alles geven / Ik zal je alle daken van het dorp geven/ Nadat het heeft gesneeuwd / En als dat niet genoeg is, zal ik het maanlicht erover gooien / En als dat niet genoeg is, zal ik heuvels in de verte zetten, met verborgen paden, en onverwachte banken (*) ‘En ik zal*’ Hij onderbreekt: ‘Sorry? Eh, nee, ik heb geen Bonuskaart bij me. Pinnen? Ja, pinnen graag.’’ Veelbetekenend zwijgen. Glimlachend: ‘De titel is De caissière.’ Zijn nieuwe voorstelling moet subtiel zijn, via een omweg zijn verwondering laten zien over Nederland. Hij vertelt over het kleine huisje op een duin in Schiermonnikoog, waarin een speciale rolstoel stond met dikke banden. Wat voor land is dit toch, vroeg hij zich af, met een overheid die denkt: als de gehandicapten naar het strand komen, kunnen ze dit ding gebruiken. De rolstoel was gemaakt van grijs plastic. ‘Hetzelfde grijze plastic als dat van de pissoirs die op vrijdag in het hart van Amsterdam worden neergezet voor de dronkemannen die anders overal maar pissen.’ Dat soort veelzeggende extremen zocht hij, voor zijn voorstelling.

Kun je je voorstellen dat je ooit nog teruggaat, naar Italië? ‘Dat zou ik me echt niet kunnen voorstellen. Italië is voor mij het land van toen ik 28 was. Als een astronaut de aarde verlaat om naar een andere ster te gaan, komt hij nooit meer terug. Vanaf die ster reist hij verder, naar de plek waarnaar de aarde zich heeft verplaatst. Van een heel lange reis kom je nooit meer terug.’

Want alles is veranderd. ‘Ja. Dus dat kan niet.’

Ten afscheid draait hij Lage Nacht. Een hartverscheurend mooi nummer, opgenomen in zijn kleine slaapkamer vol apparatuur, over de eerste keer dat hij in Nederland de volle maan zag – boven het eindeloze polderlandschap waarvan hij zo is gaan houden. Op de gang pakt hij een nieuw, grijs, quasi onaf jasje, gekocht in Turijn. Hij laat de stof voelen, trekt het aan en draait dan zwierig een rondje, alsof hij voor een passpiegel staat. ‘Mooi hè? Voor mij op maat gemaakt.’

De calvinistische Nederlander zou zeggen: het is oppervlakkig je zo bezig te houden met het uiterlijk. Meteen: ‘Van schoonheid krijg je een goed humeur. En van lelijkheid word je chagrijnig.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden