Ben je al geweest, of moet je nog?

Plato vond dat je onder de veertig niet naar het buitenland mocht. Hans Christian Andersen droeg uit vrees voor brand een touw bij zich....

Bertrand Russell zei dat als hij arts was en iemand beweerde dat zijn werk zo belangrijk was, hij die persoon ogenblikkelijk met vakantie zou sturen.

Russell was geen arts, hij was filosoof, en het land loopt leeg. Wat zou Russell daarvan denken? Misschien wel dat vakantie heel belangrijk is.

Je vraagt niet meer: 'Ga je op vakantie?', maar 'Ben je al geweest?' of 'Moet je nog?', alsof het de jaarlijkse stoelgang betreft. Toerisme is de snelst groeiende industrie ('Wacht maar tot het miljard Chinezen gaat reizen') en er zijn mensen die voorspellen dat vrije tijd (wat men als vrijetijd gaat schrijven) een belangrijker fenomeen wordt dan de veel bezongen informatica. In zijn toespraak op de laatste schooldag placht de rector van ons gymnasium ieder jaar weer te zeggen: 'Vakantie komt van vacare, vrij zijn van en vrij zijn voor.'

'Vakantie is een synoniem voor de beleving van het nieuwe, het andere, voor een breuk met de sleur van alledag. Vakantie kan worden gezien als een toegangspoort tot het ongewone, het onverwachte', schrijft Aaltje Hessels in Vakantie en vakantiebesteding sinds de eeuwwisseling (1973). Maar Ton van Egmond van het Nederlands Wetenschapelijk Instituut voor Toerisme en Rekreatie zegt: 'We reizen niet om te ontdekken, maar om te zien wat ontdekt is. Vakantie is een groot bubbelbad zonder risico of gevaar.'

Beschouwender is de socioloog Jaap Lengkeek, die verwijst naar de roman De man zonder eigenschappen van Robert Musil. De hoofdpersoon Ulrich kan zich niet verenigen met het leven en de werkelijkheid om hem heen. 'Hij schaft daarom de werkelijkheid af en neemt vakantie van het leven, vakantie van alle gewone alledaagse dingen en alle ambities die mensen steeds tot daden brengen.'

De mens heeft altijd willen ontsnappen aan de sleur van het alledaagse. En ook altijd zijn er lieden geweest die reisden of droomden van verre landen. Homerus blijft ongeëvenaard, Plato wilde niet dat mensen onder de veertig naar het buitenland reisden, ze waren te jong en te onervaren, en de Romeinen hadden al reisgidsen. Maar er was weinig vakantieplezier. Vooraanstaande Romeinen vermaakten zich liever in hun 'vakantiehuizen' aan zee. In de middeleeuwen waren de pelgrimstochten naar het Heilig Land, Santiago de Compostela of Canterbury, bedoeld om vergeving der zonden te vragen, niet, om, zoals vaak het geval was, stiekem zonden te bedrijven en de wereld te ontdekken.

In diezelfde middeleeuwen bezocht Dante Hemel en Hel en ontstonden de verhalen over Luilekkerland, dat ergens in Ethiopië zou liggen. In 1516 schreef Thomas More, de grote vriend van Erasmus, Utopia. Columbus ontdekte in 1492 Amerika en de grote Portugese dichter Camoëns beschreef de reizen van Vasco de Gama in zijn Odyssee, Lusiades. Reisverhalen over 'die andere werkelijkheid' werden gretig gelezen, zoals het verslag van de eerste tocht der Nederlanders naar Oost-Indië onder Cornelis Houtman (1595-1597), 'waer inne verhaelt wordt al wat haer sonderlings onder wegen bejegent is. . . zeer vermaeckelijk ende nut om lesen'.

In 1563 verschijnt in Duitsland voor het eerst het woord Reisebuch op de kaft van een reisgids naar de Europese handelscentra. Kooplieden, marskramers, huursoldaten en avonturiers reisden. Voortdurend werden zij overvallen door rovers en bandieten. Zelfs in een negentiende-eeuwse reisgids, zo vertelt Geert Bovenhuis van het Utrechtse reisgidsenantiquariaat 'Bagage', staat dat wanneer de reiziger met de dood wordt bedreigd, hij moet wachten met schieten tot hij 'het wit van de ogen van de aanvaller ziet'.

Geen wonder dat het reizen geen luchtige aangelegenheid was. Toen eind achttiende eeuw een eerste 'toerist' uit Duitsland voor zijn plezier door Engeland reisde, werd hij vol argwaan bij herbergen bekeken. Bij de meeste was voor hem geen plaats. Reizen kon je niet voor je lol doen.

Een bijzonder verschijnsel was de Grand Tour: studenten die, ter afsluiting van hun studie, in het voetspoor van Erasmus (1467-1536) en Montaigne (1533-1592) een reis moesten maken naar Italië, de bakermat van de beschaving en de Renaissance. De reis duurde vaak een paar jaar, leraren en bedienden reisden mee. Kunstenaars en geleerden leden meer ontberingen op hun tochten langs de beschaving.

Langzamerhand werd de Grand Tour vereenzelvigd met de vaak ziekelijke Britse aristocraten. Zij ontdekten als eersten de Rivièra en zochten in de vissersdorpjes aan zee, zoals Nice en Menton, genezing en vermaak.

Het was allemaal nieuw, want ook de zee gold als een wrede vijand. Jean-Jacques Rousseau (1712-1778) wilde terug naar de natuur, maar voor de zee had hij geen oog. De Franse historicus Alain Corbin noemt in zijn Verlangen naar de kust de Engelsman William Clarke, een anglicaanse geestelijke en tijdgenoot van Rousseau, 'de uitvinder van de vakantie aan zee'. De dominee ging in 1736 louter voor plezier met zijn gezin naar Brighton. Terwijl iedereen de zon meed, liet hij zich door de zon op het strand beschijnen, hij schreef er brieven, telde de schepen en zwom naakt in zee. Ook aan de Nederlandse kust werd door de eeuwen heen in zee gezwommen, maar het spel van zon, zand en zee voor het gehele gezin was vreemd; zeker voor een week of langer.

In Engeland ontstonden de eerste badplaatsen. De nadruk lag op de geneeskracht van het zeewater, waarin men zich onderdompelde. De aristocraten hielden er hof. Oostende volgde al in 1770, en in 1819 opende Jacob Pronk in Scheveningen de eerste Nederlandse zeebadinrichting, Pronkenburg, een houten huis met badkamer, wachtkamer en twee koetsen die de baders de zee in reden.

In Engeland ontstond ook, als bijprodukt van de Industriële Revolutie, de fabrieksarbeider. Hij wilde naar zee 'om alle vlekken, ziekten en onzuiverheden van het jaar weg te spoelen'. Hij kwam met vrouw en kind, baadde uren lang in het zoute water en lag in 'onfatsoenlijk groten getale' op het strand, zonder er zich iets van aan te trekken hoe hij er uitzag, aldus een verslag uit Liverpool in 1795.

De arbeiders werden bruin van de zon, maar de betere stand die niet (in de open lucht) hoefde te werken, vreesde de zon. Nog deze eeuw trok de Duitse badplaats Helgoland toeristen met de geruststellende mededeling dat de eilandbewoonsters een uitzonderlijk mooie, blanke huid hadden, 'wat des te opvallender is omdat de zeelucht normaal de huid bruin kleurt'.

Men mag ook niet vergeten dat het seizoen aan de Rivièra duurde van december tot mei. De badgasten vertoefden er zo'n twee à drie maanden. De Guide Joanne uit 1904 waarschuwde de overwinteraars tegen te snel terugreizen naar het noorden en raadde aan op de terugtocht enkele dagen aan de Italiaanse meren te verblijven, omdat anders de gevolgen wel eens 'fataal' konden zijn.

In de zomer waren de meeste hotels en winkels gesloten. Louis Couperus schreef in januari 1910 vanuit Nice: 'Hier zijn verenigd, al wat Rusland vooral, maar ook Engeland, Amerika en helaas ook Duitsland voor koukleumen uitzendt naar de Blauwe Kust, allen uit Noordelijke landen, die ledig zijn en lui, rijk of doen alsof, koulijk en ziek - hoewel de bries gelukkig verre van ons houdt een contingent van teringlijders, die naar meer beschutte oorden van Cannes en Menton wegvlieden.'

Het kalme leven van 1910, zo schrijft de Fransman Antoine Pietri, is meer te vergelijken met dat van honderd jaar tevoren dan met dat van 1920, de eerste jaren na de Eerste Wereldoorlog. Maar de Industriële Revolutie bracht wel degelijk veranderingen. De nieuwe klasse van industriëlen had vaak meer geld dan de adel. De middenklasse van artsen, advocaten en ingenieurs wilde ook vertier. En de komst van de spoorwegen bood nieuwe kansen. Voornamelijk aan de bemiddelde burger, maar al in 1841 begon Thomas Cook, lekenprediker en secretaris van de bond van geheelonthouders zijn groepsreizen. Ook arbeiders, zei hij, hadden het recht om van de nieuwe uitvinding gebruik te maken. Cook bracht hen naar de kust, de wereldtentoonstelling in Londen, maar zijn groepsreizen naar Parijs en Egypte waren voor de gewone man te duur.

Aaltje Hessels schrijft dat de industrialisatie, urbanisering en individualisering een nieuw menstype deed ontstaan. De nieuwe mens ging reizen voor zijn plezier, maar miste de traditie van de Grand Tour. Hij kocht de rode Murray- of Baedeker-reisgidsen, de eerste gidsen voor toeristen.

'Europa is voor mij een wonderbaarlijke tuin met vele bloemen. Ik neem de moeite een goede tuinier te zijn', schrijft Karl Baedeker, wiens eerste gids Rheinreise in 1835 verschijnt.' Ja, dat is andere taal. Geïnspireerd door schrijvers en dichters van de romantiek, Shelley, Heinrich Heine, Herder, Hans Christiaan Andersen (die uit angst voor brand altijd met een touw reisde) en Lord Byron ontdekte hij de natuur. Zelfs de bedreigende Zwitserse Alpen werden aantrekkelijk mooi. De nieuwe elite die moest werken voor zijn geld beschouwde inspanning, zoals het beklimmen van hoge bergen, als ideale ontspanning. In 1830 verrees de eerste berghut. Het reizen ging steeds sneller. De toerist in Zwitserland bleef in 1870 gemiddeld anderhalve maand, in 1907 nog maar 27 dagen, in 1956 211/2 dag. Het Duitse Kurort Baden-Baden had in 1800 371 bezoekers, in 1900 72.000.

Toch bleef vakantie nog lange tijd het voorrecht van de elite. In de jaren twintig zong Louis Davids: 'Daar liggen onze betere standen, te roddelen en bruin te branden, de groten die in het dagelijks leven hun orders en commando's geven.' Dat was wat anders dan de olieman die zijn Fordje had gekocht.

In Nederland, dat vrij laat industrialiseerde, kwam ook de vakantie wat later, maar nu behoren wij tot de grootste reizigers van Europa. Als eersten kregen, rond de eeuwwisseling, ambtenaren, mijnwerkers en spoorwegpersoneel enkele verlofdagen, maar het was geen recht. 'Ieder verlof is als gunst te beschouwen', stond nog in 1916 in de algemene instructie voor ambtenaren en beambten van politie van de gemeente Amsterdam. 'Het verlof kan worden verleend, wanneer daarom wordt gevraagd.' De mogelijkheid tot verlofdagen voor ambtenaren varieerde van twee dagen tot, in enkele gevallen, zelfs twee tot drie weken. De grote meerderheid van de arbeiders had begin deze eeuw niet één dag vakantie.

De arbeider wilde wel vrije dagen, maar veel belangrijker waren hoger loon en minder werkuren. In 1911 kregen de diamantwerkers, als koplopers, een achturige werkweek en een week betaald verlof. Een van de weinigen die met een staking (van negentien weken in 1928) vakantie afdwongen, waren de loodgieters. Zij kregen vier dagen vakantie. 'Wij kennen geen ander geval waarin zo langdurig en hardnekkig gestreden is voor een verlangen dat vooral van culturele aard en betekenis is', aldus het gedenkboek van de Metaalwerkersbond.

De grote doorbraak kwam pas in 1929, toen de bouwvakkers in hun cao drie dagen betaald verlof per jaar kregen. De eerste bouwvakvakantie dateert vanaf 1930, vijfenzestig jaar geleden. In twee jaar was het aantal arbeiders met een in de cao geregeld recht op vakantie verdubbeld tot 87 procent. Maar enkele jaren later was het aantal vakantiegerechtigden, als gevolg van de crisisjaren, weer gedaald tot 70 procent.

In het zuiden des lands negeerden werkgevers in de tabaksindustrie de cao. Zij ontsloegen arbeiders, die zij voor 15 procent lager loon weer in dienst namen. Van de drie vakantiedagen bleef er een over. In Twente kregen de textielarbeiders pas in 1937 tweeënhalve dag vakantie. In datzelfde jaar verzette de minister van Sociale Zaken, de latere KVP-leider Romme zich tegen wettelijke vakantieregeling. (In Engeland dateren de eerste vakantiewetten uit 1871 en 1875.) Het merendeel der landarbeiders kreeg pas na de Tweede Wereldoorlog voor het eerst vakantie. Toen kwamen ook de vakantie-uitkeringen (2 procent van het jaarloon) en de eerste snipperdagen.

Maar wat deed men met de vakantiedagen? 'Wij hadden geen geld, geen tijd om weg te gaan. Maar we zouden ook niet geweten hebben wat we met vakantie moesten doen', waren de antwoorden van ouden van dagen die Aaltje Hessels eind jaren zestig interviewde. Een van de ondervraagden zei dat zijn vader een dag vakantie had, het feest van het jaar. Dan gingen ze naar Artis of op bezoek bij familie in Haarlem. 'En heel laat naar bed, zodat de dag heel lang duurde.'

Men ging logeren bij familie en vrienden, maar in 1969 werd logeren niet meer in de statistieken van CBS als vakantie aanvaard. Vakantie werd pas vakantie als er sprake was van ten minste vier overnachtingen, buiten de woonplaats. Voor schooljongens was vakantie vaak 'zwerven door de stad', meisjes moesten moeder helpen.

Rond 1900 lag het arbeidersloon tussen de tien en vijftien gulden. Een treinreis naar Valkenburg, waar al vorige eeuw een VVV werd opgericht, kostte meer dan een half weekloon. Een fiets kostte 130 gulden.

Maar al in 1894 organiseerde de Amsterdamse Toynbeevereniging (vernoemd naar de Engelse welzijnswerker Toynbee) een tweedaagse treinreis voor jonge arbeiders naar Antwerpen. Zij hadden er een jaar voor gespaard. De tocht werd een succes, reizen van drie en vier dagen naar Limburg, de Rijn en de Ardennen volgden. Iedere week werd een kwartje voor de reis afgedragen.

'In onze eeuw van stoom is het reizen niets bijzonders meer. Alles is aan stoom te danken, want onze vaders reisden niet veel sneller dan de Romeinen achttien eeuwen geleden', stond in Reizen en Pleisteren, de reisgids van 1895. Maar de korte Toynbee-reizen konden veel arbeiders niet betalen. In 1906 ontstond de Nederlandse Reisvereniging, die zich meer op de middenklasse richtte, maar ook bleef proberen arbeiders te laten meegenieten van de nieuwe vrijheid. Toen de arbeiders de trein konden betalen richtten zij hun eigen Nederlandse Arbeiders Reisvereniging op.

'Wij willen wat de NRV wil, maar arbeiders willen onder elkaar zijn. Arbeiders bij arbeiders.' De NARV organiseerde reizen naar het 'Rode Noorden' en naar de wereldtentoonstelling in Parijs, 'mede omdat deze tentoonsteling het werk is van het nieuwe Frankrijk, het Frankrijk van de Republiek en het socialisme, geleid door onze even bedachtzame als doortastende kameraad Leon Blum'.

Blum voerde in 1936 de 40-urige werkweek in en de maand betaalde vakantie. Het was de genadeslag voor de toch al afgezakte Rivièra. Het seizoen werd naar de zomer verplaatst. De communist Picasso woonde er het hele jaar.

Met de herontdekking van de zuivere natuur als ontsnapping aan de 'onnatuurlijke' wereld van hard en zielloos werken in fabriek en kantoor ontstond het kamperen met een tent. Eerst in Engeland en Duitsland, daarna in Nederland rond 1900. In arbeiderskringen werd het dwaze kamperen geassocieerd met iets van de hogere standen. Pioniers waren ook de leerlingen van kweekscholen, zelf voortkomend uit arbeidersklasse en kleine middenstand. Zij verzetten zich tegen de maatschappelijke vormen en voelden zich verwant met idealisten als Frederik van Eeden, de oprichter van de natuurkolonie Walden, en socialistische dichters als Herman Gorter. Het Verkade-album dateert van 1906.

In Duitsland zongen de Wandervögel, die, aldus Hessels 'een welhaast dwepende verering voor de natuur koesterden'. Zij waren van grote invloed op de Duitse en daarna Nederlandse Arbeidersjeugd. (Helaas ook op de nazi's.)

De fiets kwam binnen het bereik van vrijwel iedereen en kamperen was niet meer wat het geweest was. In gemeentelijke besluiten kwamen de kampeerregels te staan bij die over prostitutie. De kampeerder werd 'een mier. Waar je er een vindt, vind je er duizenden.'

Ook werden overal vakantieoorden voor bleekneusjes en natuurhuizen (geen alcohol, niet roken, geen jazz, maar volksdansen) opgericht. Tegen de komst van de neutrale jeugdherbergcentrale (1929) was enorm verzet van confessionele en socialistische zijde. Er zouden alleen maar 'loslopende honden' komen. Arbeidersgezinnen uit de grote stad konden naar kamphuisjes in de duinen of het bos. Vaak was de vader werkloos en ging per fiets naar Amsterdam om te stempelen. 's Avonds was hij terug.

Al in 1936 klagen de Nederlandse hotelhouders over 'de kleine burger die zijn vijf vrije dagen in het buitenland doorbrengt, omdat het er vrolijker en vrijer zou zijn.' Het was zwaar overdreven.

De oorlog kwam en toen volgden de jaren van herstel. Gelukkige gezinnen konden een paar weken naar zee. Ze sliepen met zijn allen in kamphuisje of boerenschuur. Padvinders, AJC'ers en Kajotters gingen op kamp, de ideale plaats voor vermaak en culturele vorming. Maar logeren en vissen bleven de vakantiegeneugten van de gewone man. In het midden van de jaren vijftig kwam de welvaart en daarmee de eerste reis met de eerste auto naar het buitenland (aardappelen, bonen in blik en de nieuwe uitvinding, worst in cellofaan, gingen mee). Monsieur Hulot ging met vakantie, Charles Trenet zong over de volksverhuizing op de Route National 7 naar de Rivièra, en God schiep daar de vrouw, Brigitte Bardot, op het strand van Saint-Tropez.

En dr L. van Egeraat schreef zijn Gids voor Italië en alle andere landen. Hij was in die jaren vijftig en zestig de volksopvoeder, die als de missionaris in Afrika alles wist. 'Florence is zeer geschikt voor een langdurig verblijf met kinderen. Terwijl men dan zelf, zittend voor een simpel cafeetje met de mensen praat, laat men de kinderen met de Italiaantjes touwtje springen. Zo maakt U kennis met het levende Florence en met de Florentijnse mens.'

Vorige maand schreef de historicus prof. H.L. Wesseling in NRC Handelsblad: 'Reizen met Van Egeraat is geworden tot reizen in de tijd. De goede man uit Ulvenhout (zijn woonplaats) is voor ons iemand uit een andere wereld.' Dat was dertig jaar geleden.

En wat te denken van Simon Carmiggelt die in de zomer van 1962 in zijn Kronkel in Het Parool schreef: 'In het bos, waar we die ene stralende woensdag wandelden, kwam je niet veel vakantiegangers tegen, maar in de uitspanning waren zij in groten getale. De Nederlandse vakantieganger: mannen in hemdsmouwen, vrouwen in bloemetjesjurken. Wij zijn geen slank volk. En wij kunnen enorm lang zwijgen. Hele gezinnen zag je er mee bezig, dof achter de leeggedronken glaasjes prik, waarin een opgewekte wesp nog iets te doen had.'

Vakanties zijn niet meer weg te denken. Zij beheersen het leven als de dagelijkse sleur. Deze week, 65 jaar na de eerste bouwvakvakantie, zijn er 3,5 miljoen Nederlanders tegelijk op pad. De meesten gaan naar het buitenland, waar de Nederlander vorig jaar (inclusief de reis) 13,8 miljard gulden heeft uitgegeven. De statistieken doen je duizelen, maar vorig jaar ging plotseling de gegoede klasse, de uitvinders van de Grand Tour en van de vakantie, minder op reis. De elite zoekt thuis haar eigen werkelijkheid en leest, zegt ze; heel graag over reizen.

Peter Brusse

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden