Ben ík dat?

Sinds de introductie van de spiegel is het zelfportret onweerstaanbaar. Hoe zie ik mezelf? Vijfhonderd zelfportretten door de eeuwen heen....

HET boek is zo dik als de Who's Who. Het is er natuurlijk ook een, het is de ultieme Who's Who. Onze hele geschiedenis en beschaving, van de klassieke oudheid tot nu, is erin vastgelegd in vijfhonderd zelfportretten. Twintig eeuwen kijken ons, in een intense zelfre flectie, vanuit de spiegel aan - in ogen die zichzelf aftasten, in de fysionomie van een gezicht of tot in de diepste lagen van de ziel. We kunnen onszelf daar nog aan toevoegen, want de omslag is spiegelend.

Het is een van de meest intrigerende boeken die ik ken. Het heeft geen begin en geen einde. Het werpt je, geconfronteerd met het onderwerp, steeds op jezelf terug. Al die ogen, die al die eeuwen in de spiegel keken, stellen zich allemaal dezelfde vraag: hoe zie ik mezelf? Five Hundred Self-Portraits vertelt vele verhalen, van verschillende tijden en intenties die door al die eeuwen heen dezelfde zijn gebleven. Maar het blijven bovenal vijfhonderd verschillende portretten, die elk hun eigen verhaal vertellen - zoals elk gezicht zijn eigen trekken heeft die zich als de lijnen van een hand laten lezen.

Maar een hand is anoniem, abstract en laat zich geduldig lezen. Een gezicht onttrekt zich aan die anonimiteit. Het kijkt terug en maakt onzeker. Een hand van een ander kun je rustig bestuderen, je mag hem daarbij zelfs wel even vasthouden. Bij een gezicht is dat onmogelijk. Het enige levende gezicht dat je zonder gêne uitvoerig kunt bestuderen is dat van jezelf.

De vijfhonderd portretten zijn verzameld door de Engelse schilder en schrijver Julian Bell. Zijn introductie is uiterst summier, en daar kunnen we hem alleen maar om prijzen. Hij geeft de portretten de ruimte om te blijven wat ze zijn, reflecties van een ik. Ze hebben één ding gemeen, die vijfhonderd kunstenaars: dat ze zichzelf hebben geportretteerd.

Bells overzicht begint in een reliëf uit de Egyptische oudheid en eindigt met een installatie uit 1997 van vijfhonderd koppen, Spermini genaamd, van de Italiaanse beeldhouwer Maurizio Cattelan. Het zal niet zomaar gekozen zijn, maar ook om het getal en het onderwerp: het zaad, waarin al die gelaats-en karaktertrekken al besloten zitten.

Sinds de uitvinding van de spiegel is het zelfportret een onweerstaanbaar genre geweest, dat de grootste schilders en beeldhouwers trok; van Dürer, Rembrandt, Rubens en Picasso tot Bacon, Freud en Gilbert & George. Het boek opent met een motto van Leon Battista Alberti, de Italiaanse architect, beeldhouwer en schilder uit de vijftiende eeuw: 'Narcissus, die zijn weerspiegeling in het water zag, en beefde bij het zien van de schoonheid van zijn eigen gezicht, was de werkelijke uitvinder van de schilderkunst.'

Het is een heel onthullende reeks, die eeuwig blijft intrigeren. Het zelfportret mag een in zichzelf gekeerd genre zijn, het zegt vaak veel meer dan oorspronkelijk was bedoeld. Zelfportretten kunnen streng observerend en analyserend zijn, maar ook heel behaagziek en ijdel, een pose die alleen het gewenste laat uitkomen, hoe hulpeloos en onhandig je daarvoor ook voor de spiegel moest manoeuvreren.

Er zijn zelfportretten die op een bescheiden manier wilden laten zien wie de maker was van de fresco's in de Renaissance, dan zie je de schilder als figurant in de massa staan. Maar waarom gaat de een er achteloos in op en kijkt mee in de kijkrichting en maakt de ander zich daarvan los en kijkt ons rechtstreeks aan, de spiegel van de eeuwigheid in? Soms hebben ze zichzelf in een bijbelse voorstelling betrokken, om een personage enige menselijke trekken te geven. Maar waarom kozen ze dan niet de glorieuze David, maar legden ze hun eigen trekken in het afgehakte hoofd van Goliath?

Zelfportretten kunnen heel duister en diep zijn, spittend en gravend, maar ook heel oppervlakkig, volkomen van zichzelf bezwijmeld. Vaak is een zelfportret van een schilder in die eeuwen een ongegeneerd reclamebord. Het stond in het atelier om te laten zien waartoe ze in staat waren: zo flatteus konden ze iemand schilderen, zo rijk aan stofuitdrukking de kleding.

Joshua Reynolds, de Engelse schilder, portretteert zich in 1748, de ogen afgeschermd voor het indringende tegenlicht, als symbool van intensiteit en concentratie. Maar waar kijkt hij naar: naar de spiegel of naar het portret, naar zichzelf of naar de verbeelding van zijn ik? Of beeldt hij juist het mysterie uit waarvan elk zelfonderzoek is doortrokken: ben ik dat? Lovis Corinth omgaf in 1910 zijn zelfportret door zeven studies van gelaatsuitdrukkingen alsof hij wil zeggen: deze harmonieuze man die u ziet, en die u kent, dat ben ik, maar ik ben ook al die anderen die u doorgaans niet ziet: huilend, lachend, brullend, moordzuchtig, smachtend.

Het meest bizarre zelfportret is van Gauguin als bierpul. Waarom zou hij zich tot een kruik van aardewerk hebben gemaakt, wilde hij in de geest met iemand klinken, en wie zou dan die ander zijn? Van Gogh? En zou er van hem dan ook zo'n kruik bestaan? Het knulligste zelfportret is van de beeldhouwer Brancusi. Je ziet hem in zijn atelier zitten voor een groep beelden, de zelfontspanner in de hand. Hij zit er niet ontspannen bij. Hij zit te wachten op de bevrijdende klik, zonder een spiegel die corrigeert.

De reeks dwingt je naar jezelf te kijken, naar het portret van jezelf dat je elke dag weer in de spiegel creëert. Waarom voel ik me over bijna elke foto die van me is genomen altijd eerst ongemakkelijk: ben ik dat? Ik heb het nooit als ik in de spiegel kijk, dat ben ik, onverbiddelijk. Ik hoef er niet altijd tevreden mee te zijn, maar ontegenzeggelijk ben ik dat. Misschien komt het omdat een ander die foto heeft genomen; dat ik me betrapt voel, ook al wist ik, of juist daarom, dat ik gefotografeerd werd. Je probeert te voldoen aan een verwachting en neemt een pose aan.

Aan een foto, een portret, ben je onderworpen, want die toont hoe een ander je ziet. Alleen in de spiegel kun je jezelf zien zoals je bent. Maar ook dan zitten we, als het resultaat niet bevalt, vol ontsnappingsmogelijkheden. Wat we in de spiegel zien is ook niet wat iemand, die toevallig naast ons staat, ziet. We zien niet wat we kunnen zien, maar wat we willen zien. We kijken nooit naar onszelf zoals we naar een ander kijken. Daarom is dit boek zo confronterend: die vijfhonderd spiegelbeelden zijn net als wij. Ze kunnen onze afgunst opwekken, afschuw, hoon en compassie. Omdat ook zij, in de spiegel, niet het beeld zagen dat erin werd gereflecteerd, maar het beeld zochten dat ze in zichzelf voelden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden