BEN DE GRAAF

Ben de Graaf ontmoette ik voor het eerst in 1960. Hij maakte deel uit van de driemans sportredactie van het dagblad De Tijd....

Ik begroette De Graaf en kreeg een houten hand terug. 'Zo', zei hij; hij wist in dat ene woordje iets chagrijnigs te leggen. Zijn haar zat hetzelfde als nu, uit zijn ogen prikte al hetzelfde wantrouwen, waaruit ook zijn lichaam de consequenties had getrokken: het stond stijf van achterdocht. Hij kleedde zich toen al met enige toevalligheden, want elke ijdelheid is hem vreemd. Het was middagpauze. 'Ik ga biljarten', zei hij tegen Ruud van den Hende, zijn chef. Hij biljartte met mr. W. van der Kallen, de hoofdredacteur. De Graaf won altijd, hoorde ik later. Hij zal elke keer van geluk hebben gegrijnsd, want gewoon lachen is te veel tegemoet komen aan de anderen. Hij was op de soms luidruchtige en zeer levendige redactie een eenling. Hij kwam van de Nieuwe Haarlemsche Courant, waar hij als leerling was begonnen onder de hoofdredacteur Herman van Run, die daar op het bureau in de binnenstad een wat deftig bestaan leidde, maar, zoals nog altijd, een groot zwak had voor eigenzinnigen. Hij moet de bijzondere stijfheid van De Graafs nek hebben ontdekt en gewaardeerd. Sinds Beets kennen en beminnen ze in Haarlem 'onaangename menschen'. De Graaf is een geboren Haarlemmer; hij is ook altijd in die stad blijven wonen. De Amsterdammers moeten hem te zelfbewust en te lawaaierig zijn, te zelfingenomen ook. Het zijn opscheppers. Alleen al in zijn zwijgen - en er is geen pijnlijker zwijger dan De Graaf - beschaamde hij de Amsterdamse oneigenlijkheid, die eigendunk is. Ajax heeft het geweten.

De Graaf is een heel mooi voorbeeld van onveranderlijkheid. Voor mij is hij in de ruim vijfendertig jaar dat ik hem ken, uiterlijk niets veranderd. Hij weigert jong te worden; hij is een schitterende reactionair, die de meeste nieuwigheden als flauwekul beschouwt, als oneigenlijk. Zijn bijna stuurse afkeer van elke pose is zelfs bijna een pose geworden. Want dat hij plezier heeft in zijn grimmigheid, valt niet te ontkennen, zoals hij ook een zeker stekelig zelfbehagen vindt in zijn afzijdigheid. Misschien is dit zijn grootste kracht: hij maakt ons allemaal tot meehuilende wolven in het bos. Hij ontmaskert het gemak van onze meningen en gevoelens. Wij hebben een hele avond van een prachtige voetbalwedstrijd genoten. Maar het televisiescherm is ons vergrootglas. De volgende dag brengt De Graaf alles tot zijn ware proporties terug. En hij heeft gelijk. Maar wij verdragen ons ongelijk niet. Daarom heeft bijna iedereen een hekel aan hem. Hardnekkig en lang.

Zo'n vijftien jaar geleden bracht een taxi mij naar het gebouw van de Volkskrant. De chauffeur vroeg mij of ik daar werkte. 'Zo'n beetje', zei ik. Toen vroeg hij of ik bijgevolg Ben de Graaf kende. Ik antwoordde bevestigend. 'Wilt u hem dan namens mij zeggen dat hij een asbak is.' Het was geen sterke metafoor, maar hij werd - en dat is tekenend - met bewonderende verachting uitgesproken. De Graaf moet er plezier aan hebben beleefd, want hij koestert het tegenlicht waarin hij staat. Elke rechtvaardige meent zich tot zijn geluk de laatste der rechtvaardigen. Ben de Graaf is misschien wel een gelukkig mens.

In zijn rechtvaardigheidsgevoel, en zijn afkeer van elke overdrijving, hoedt hij zich voor bewondering en lof. Hij is daarin zelfs zonder meer zuinig, zoals hij, denk ik, in alles een weinig royaal bestaan leidt. De balken waarover het geld en meningen kunnen worden gegooid, hangen bij hem zeer laag. Misschien kregen de biljarters, die hij jarenlang achter het televisiescherm volgde als souffleur, nog de hoogste lof: een enkel woord, als een voorzichtig tikje tegen de bal. Hij heeft veel van de ouderwetse schoolmeester, die een tien overdreven vindt en ondermijnend voor de leerling. De Graaf geeft bij bewondering een gemiddeld cijfer, maar met het zuinige plus-teken. Hij heeft ook niet de taal voor de lof. Hij is een van de kaalst schrijvende journalisten. Hij geeft ook geen woord te veel uit, en dat is in de sportjournalistiek een verademing.

Soms zijn zijn stukken een aaneenschakeling van aforistische uitspraken. En kaal als hij schrijft, spreekt hij, met veel pauzes: hij rookt pijp ook als hij geen pijp in de mond of hand heeft. Dit is mij altijd bijgebleven. Ik schreef al jarenlang sportcolumns in de Volkskrant. Ik kwam Ben de Graaf op de redactie tegen. 'Zo', zei hij. En toen, heel traag en met veel trekken: 'Je bent de laatste tijd aardig bezig.' Toen trok hij zich weer terug in zichzelf. Hij had zich bijna versproken, dat wil zeggen: bijna gemene zaak gemaakt met de anderen en dat is de wereld van de vleierij, de corruptie dus.

Een beroemde Russische atlete kreeg van hem bij een televisiecommentaar als enige aanmoeding mee: 'Ik was eerst maar eens naar de kapper gegaan, meid.' Want ook op het hoogste niveau blijven de Haarlemse burgerlijke maatstaven norm. Ik weet haar naam niet meer. 'Zie je wel, hoe beroemd ze was', zou De Graaf antwoorden. Hij verheugt zich niet op de mislukking - tenzij als bewijs van zijn gelijk (zie zijn mening over het hoogmoedige Nederlandse elftal) - maar hij hoopt wel op de nederlaag van de overschatting. In wezen bestaat zijn wereldbeeld uit twee benen en die op de grond. Voor een sportverslaggever een wat ongewoon wereldbeeld.

Als ik hem een enkele keer uit de verte kan zien, valt mij zijn gelijkenis met de ex-staatssecretaris Linschoten op. Uiterlijke onveranderlijkheid hebben zij gemeen, dat hoogste gelijk dat ongelijk is, ook, gebrek aan plooibaarheid al evenzeer. De Graaf zou een geslaagde reactionaire politicus zijn geweest. Maar er is dit grondige verschil: De Graaf vleit nooit iemand en hij laat zich ook niet vleien. Misschien ben ik hier aan de enige verandering die hij heeft doorgemaakt: bij het ouder worden en zeker in het zicht van zijn naderende afscheid, liet hij die ongevoeligheid voor vleierij - in dubbele zin, naar de ander en naar hemzelf toe - steeds duidelijker, maar vooral iets te nadrukkelijk merken.

Hij werd een soort eenmansfractie, altijd in de oppositie. En dat met graagte. Hij heeft dit jaar enkele grote interviews gegeven, onder meer aan Playboy, voor deze puritein, die blootheid als de hoogste vorm van valse uitdossing moet zien, een wat ongewoon medium. De verslaggevers wisten, dat ze een muur kwamen ondervragen. En De Graaf stelde zich ook met graagte zo op. Ze kregen wat ze verwachtten: steenharde opmerkingen, spot met alle poses, banvloeken over vele verwordingen, onwrikbaarheid en ongenuanceerdheid. Hij stond altijd alleen. Nu ziet hij zichzelf kennelijk ook zo staan. Op een voetstuk. Een monument van rechtvaardige onverdraagzaamheid. Maar wel grijnzend, want hij heeft het in zijn ogen hoogste bereikt: hij heeft zich vijanden gemaakt.

Er verdwijnt nu een geweten in de stilte van Haarlem. Weldra zal ook deze krant uitvoerig over boksen gaan schrijven. De Graaf heeft dat altijd trachten tegen te houden. En hij had gelijk: hersens zijn er niet om in elkaar geslagen te worden. Dit is zijn grote verdienste: in al zijn kritiek heeft hij altijd meer geanalyseerd dan geslagen. En dat laatste nooit onder de gordel. Hij heeft op alles kritiek gehad, maar altijd het meest op zichzelf. Een gelukkige ouderdom is niet voor hem weggelegd, want bij geluk wordt hij wantrouwig. 'Ik heb een slechte wedstrijd gespeeld', zullen zijn laatste woorden zijn. God zal hem niet in het water gooien, maar in de hemel opnemen. De laatste der rechtvaardigen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.