Column

Belevenissen van een junkie (deel 1)

Beeld Robin de Puy

De telefoon ging, ik herkende het nummer niet. 'Met Jorrie', hoorde ik een stem aan de andere kant van de lijn zeggen. 'Kun je me even terugbellen? Ik heb geen tegoed meer.'

Jorrie, aha. Jorrie Jordano, de buurtjunk, een vijftiger met een tatoeage in de nek en twee gouden tanden.

Ik belde terug. 'Hoe is het', zei ik. 'Tijd niet gezien.'

'Ik zit in een afkickkliniek', zei hij. 'In Laren.'

'Láren? Toe maar.'

'Ik moest wel: hier mag ik tenminste drie maanden blijven. Bij het Jellinek schoppen ze je na veertien dagen zo weer de straat op, de Gall & Gall in. Kom je langs? Is misschien wel een leuk verhaal voor je.'

Ik ken Jorrie nu een jaar of vier. Hij had ooit op verzoek bij ons ingebroken, nadat we onze sleutels binnen hadden laten liggen, een koud kunstje voor een veelpleger. Daarna had ik een stukje over hem geschreven en vervolgens hadden we een keer zitten slempen in buurtcafé De Avonden, een avond waarvan ik me de volgende dag weinig herinnerde, behalve dat ik nooit meer ging roken en drinken. In het café kwam hij sindsdien niet meer, iets met een bonnetje. In plaats daarvan zag ik hem nog weleens aan de kant van de weg, op weg van niets naar nergens, of op één van de bankjes op het winkelplein, waar hij 'buurtconciërge' was geworden, een titel die er in de praktijk op neerkwam dat hij hier en daar wat vuil prikte, bedelaars wegjoeg en naar eigen zeggen zelfs een overval op de Zeeman verijdelde.

In ruil daarvoor kreeg hij zo nu en dan wat toegestopt van de winkeliers, een paar centen of een pizza, maar laatst ook nog een hele kaas, '25 kilo jong belegen'. Het verbaasde me niet - Jorrie hád wat. Hij bezat de gave van vertellen, had behalve voor heroïne en cocaïne ook belangstelling voor geschiedenis en cultuur en op zijn beste momenten was hij buitengewoon innemend, charmant zelfs, hetgeen verklaarde waarom hij recentelijk nog een kind had gekregen, zijn zesde al.

Verder was hij natuurlijk gewoon een ordinaire junk, kreeg ik nog twee tientjes van hem en kende ik niemand die zijn pr zó goed voor elkaar had als hij, want de volgende dag zat ik inderdaad in de auto, op weg naar Juliana-Oord, een werkelijk schitterend gelegen afkickkliniek aan de rand van bos en hei, waar het nog naar kampvuur rook ook, merkte ik toen ik uitstapte. Voor me hupte een merel de bosjes in, in de verte kwam een magere figuur aanlopen met een stok, een hoed en een grijns. 'En? Niet gek toch?'

De rondleiding begon meteen. Langs de jeu-de-boulesbaan, de coniferenkwekerij en de speeltuin voor het kleinste bezoek. Toen naar binnen, waar de naar rook ruikende patiënten met holle ogen over het linoleum schoven. 'Dit is Eva Hoeke van de Volkskrant', zei Jorrie tegen iedereen die het maar wilde horen en vooral ook tegen mensen die het níét wilden horen. 'Ze schrijft een stuk over me. Kunnen we ergens rustig zitten?' Een verpleger met een dikke sleutelbos opende een vergaderkamer waar we plaatsnamen aan een formicatafel en onverwoestbare stoelen. Meteen trok Jorrie zijn mouw omhoog, waarna hij als een gek begon te krabben. 'Kúttrui', zei hij. Er kwam een korst los, het bloed vermengde zich met het vuil onder zijn nagels. Ik keek naar de tatoeages op zijn handen, rechts fuck en links off, en stak van wal.

'Nou, vertel. Waarom moest ik komen?'

(wordt vervolgd)

eva.hoeke@volkskrant.nl

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.