Belafonte is boos

De King of Calypso werd hij in de jaren vijftig genoemd. Maar Harry Belafonte is meer dan de Banana Boat Song....

Wie niet beter weet, denkt dat Harry Belafonte een brave man is. Een nette zanger, die de calypso kuiste en geschikt maakte voor gezinsconsumptie. Een goedwillende filmacteur, met een oeuvre vol nobele flops. Een mooie kop en een dito lijf, zonder bijgedachten. Terwijl Sinatra en Presley vrouwenharten braken, hief Belafonte de Banana Boat Song aan, een Caribische meezinger ('Day-O') die al een halve eeuw bovenaan zijn repertoire staat.

Daarom was het schrikken toen Belafonte in 1996 een einde maakte aan zijn gekoesterde aura van allemansvriend. In Robert Altmans film Kansas City vertolkte hij voor het eerst van zijn leven een bad guy: de wellustig aan zijn sigaar lurkende gangster Seldom Seen, die om de zin fuck of cunt zegt en niet vies is van een snuif coke.

De lelijk gemaakte en deels kaalgeschoren acteur sloeg zo hartgrondig aan het vloeken, dat hinderlijke associaties met het bananenlied geen kans kregen. Een fraaie acteerprestatie, al kun je ook zeggen dat Seldom Seen een uitweg bood aan de minder zonnige emoties die al sinds Belafontes jonge jaren in hem woelen.

Want van dat beeld van de tandeloze entertainer klopt niet veel. Belafontes carrière is een aaneenschakeling van wrijvingen en conflicten, die bijna altijd voortkomen uit zijn politieke engagement en zijn strijd tegen raciale ongelijkheid.

In 1957 - zijn Calypso-lp is hard op weg naar het verkooprecord van een miljoen exemplaren - raakt hij verwikkeld in een rel door zijn rol in de film Island in the Sun. Op het fictieve eiland Santa Maria gaat Belafonte een liefdesrelatie aan met een blanke vrouw - als eerste zwarte acteur in de filmgeschiedenis.

Hoewel er niet eenmaal wordt gezoend - het liefdespaar deelt een kuise teug uit een kokosnoot - wordt de film verboden in het nog grotendeels gesegregeerde South Carolina. Een Congreslid noemt de gemengde liefdescènes 'ziek, weerzinwekkend en onzedelijk' en filmmaatschappij 20th Century Fox vraagt de acteur niet in te gaan op vragen van de pers over zijn samenwerking met tegenspeelster Joan Fontaine.

Vijfentwintig jaar later beleeft Belafonte een soort van genoegdoening, wanneer zijn titelsong een onvoorziene revival beleeft. Dat is te danken aan tegenstanders van de Amerikaanse inval op het Caribische eiland Grenada, waar de film in 1956 werd opgenomen. Na de militaire interventie in 1983 fungeert Island in the Sun korte tijd als protestsong: 'This is my island in the sun/ where my people have toiled since time begun.'

Ook de zanger bekritiseert de Amerikaanse coup tegen het marxistische eilandbewind. Zijn politieke overtuiging heeft hij nooit verborgen. Hij staat links van het midden, wantrouwt het kapitalisme en fulmineert tegen uitbuiting en ongelijkheid. Dat zijn al gauw verdachte standpunten in de USA, en dat hij op zijn 75ste nog onverminderd op een groot publiek kan rekenen, illustreert zijn vakmanschap: het podium is er voor de muziek, de speeches bewaart hij voor andere situaties.

Zo gaf hij afgelopen oktober een geruchtmakend radio-interview in San Diego, waarin hij minister van Buitenlandse Zaken Colin Powell verweet dat hij meewerkt aan de plannen voor een oorlog tegen Irak. De zanger vergeleek Powell met een 'huisslaaf' die alleen privileges geniet zolang hij doet wat zijn meester zegt. 'When Colin Powell dares to suggest something other than what the master wants to hear, he will be turned back out to pasture.'

Die vergelijking is Belafonte duur komen te staan. In een land waar vrijwel niemand het politiek incorrecte nigger meer durft uit te spreken (het eufemistische 'N-word' is in zwang), liggen toespelingen over de slaventijd extra gevoelig. 'Met zijn raciale borstklopperij en zijn suggestie dat Powell een stuk gereedschap van de blanken is, heeft Belafonte zijn intellectuele beperkingen en zijn onvermogen tot serieuze argumentatie aangetoond', schreef The Washington Post.

In een daaropvolgend CNN-interview met Larry King betoonde Belafonte geen spijt. Integendeel, hij verkondigde dat de nationale veiligheidsadviseur Condoleezza Rice óók een house slave is. Een zwarte die Bush steunt in zijn 'immorele' oorlogsplannen, in zijn verzet tegen abortus en affirmative action, pleegt verraad aan de idealen van de zwarte emancipatie, aldus de zanger. 'When you are activily part of oppression, then you are a moral problem.'

Onverteerbaar vindt Belafonte ook dat Powell en Rice in 2001 hun mond hielden toen de regering-Bush zich terugtrok uit de UN World Conference Against Racism in Zuid-Afrika. Vorige maand deed Belafonte er een schep bovenop tijdens een toespraak voor de jaarlijkse Martin Luther King Celebration in Chicago: 'We are so overwhelmed with our imperial sense of power, that we run around the world calling for wars when we want, overthrowing governments when we want. But there is a price to pay for this.' Tot die prijs rekent Belafonte de aanslag van 11 september.

De Belafonte van 2003 lijkt sprekend op de jonge Belafonte, die in de jaren veertig droomde van een toneelcarrière in New York - even opstandig en dwars (in de metro krabbelde hij boze teksten op zeepreclames voor lelieblanke handen), en gefixeerd op een carrière die haast lijkt los te staan van zijn engagement. Lijkt, want voor hemzelf is dat verband er altijd geweest: de Banana Boat Song klinkt misschien vrolijk, heeft Belafonte vaak uitgelegd, maar is in wezen een wrange worksong over uitgebuite plantagearbeiders: 'work all night on a drink of rum, stack banana till the morning come.'

Belafontes voorliefde voor het Caribische repertoire zit diep. Zijn vader kwam van Martinique, zijn moeder van Jamaica. Beiden hadden een blanke vader; grootvader Bellanfanti was afkomstig uit Marseille.

Harold George jr. wordt op 1 maart 1927 geboren in New York. Met zijn lichte huid heeft hij het niet makkelijk tussen etnisch verdeelde gangs. Tot de dag van vandaag draagt hij de littekens van kloppartijen.

Op zijn negende neemt zijn moeder hem mee terug naar haar geboorte-eiland en breekt een zonnige periode aan. Vijf jaar later keert hij terug naar New York. In de oorlogsjaren meldt Harry zich aan bij de marine. Hij overweegt net als zijn vader voorgoed zeeman te worden, maar nadat hij een voorstelling heeft gezien van het American Negro Theatre in Harlem krijgt hij een andere droom. Twee jaar lang volgt hij toneellessen bij de Dramatic Workshop van Erwin Piscator. Sidney Poitier, Walter Matthau en Marlon Brando zijn klasgenoten.

Hij speelt kleine rollen in Romeo en Julia en De Getemde Feeks, maar de jonge producer Monte Kay vindt hem beter als zanger. Kay bezorgt hem een proefoptreden in de Royal Roost, een befaamde jazzclub op Broadway, waar de 21-jarige debutant wordt begeleid door een sterrengezelschap met Charlie Parker, Miles Davis en Max Roach. De onervaren zanger houdt zich aardig staande en mag een paar weken blijven. Het vakblad Down Beat vindt dat hij het charisma van een echte performer heeft.

In Greenwich Village is de folkmuziek in opkomst. Belafonte raakt onder de indruk van zangers als Leadbelly, Josh White en Pete Seeger. Hij zegt de Broadway-liedjes vaarwel en verdiept zich in de folktraditie en de Caribische liedjes van zijn jeugd. Zijn manager adviseert hem kleding te dragen die correspondeert met zijn nieuwe repertoire: een simpel open hemd en een strakke zwarte broek met een brede riem.

Zijn vriendschap met de jazzklarinettist Tony Scott, die nieuwe arrangementen voor hem schrijft en hem ritmischer, swingender laat zingen, leidt in 1956 tot het spectaculaire succes van de lp Calypso, die Belafonte wereldwijd bekend maakt als de 'King of Calypso'. Een controversiële bekroning, want volgens de experts heeft de plaat weinig te maken met de echte calypso van Trinidad. De zanger geeft zijn critici gelijk: 'Elke folksong is een interpretatie. Anders kunnen we net zo goed teruggaan naar het begin en alleen nog maar ugh zeggen.'

Er volgen tv-shows, een eerste Europese tournee (in 1958) en nieuwe filmcontracten, en met een jaarinkomen van een half miljoen dollar is Belafonte de best betaalde zwarte entertainer in de Amerikaanse geschiedenis.

Hij benut het succes voor de goede zaak, leidt een betogingsmars naar Washington voor geïntegreerd onderwijs, sluit vriendschap met Martin Luther King, en weigert in interviews over koe tjes en kalfjes te praten (kop in De Telegraaf, in 1959: 'Harry Belafonte zou zijn leven willen geven voor de vrijheid van zijn ras').

Het huwelijk met zijn jeugdliefde, de onderwijzeres Margurite Byrd, loopt spaak. Begin 1957 scheiden ze in het geheim in Nevada. Een maand later trouwt hij in Mexico met de voormalige balletdanseres Julie Robinson. Als het nieuws uitlekt, is het schandaal niet te overzien: Margurite was zwart, Julie is van Russisch-joodse komaf. De krant Amsterdam News schrijft: 'Many negroes wonder why a man who has waved a flag of justice for his race should turn from a negro wife.'

Belafonte ziet zich genoodzaakt een verweer te schrijven in het tijdschrift Ebony, onder de kop 'Why I married Julie'. Het bizarre incident illustreeert hoe de zanger zich steeds naar alle kanten moet verdedigen: tegen conservatieve politici die hem zien als een gevaarlijke ophitser, tegen linkse vrienden die hem wantrouwen om zijn plaats in het establishment, tegen puristen die zijn muziek nep vinden.

Belafonte radicaliseert. In 1960 begint zijn 'guerrilla tegen Hollywood'. Hij weigert in films op te treden waarin zwarten een in zijn ogen ongelijkwaardige rol vervullen. Tien jaar lang maakt hij geen enkele film, terwijl zijn vriend Sidney Poitier uitgerekend succes boekt in rollen die hij heeft afgewezen.

In de jaren zeventig volgen mondjesmaat nieuwe platen en films, maar die worden steeds minder belangrijk naast zijn politieke werk. Sinds 1986 reist hij de wereld rond als goodwill ambassadeur voor Unicef, als opvolger van de komiek Danny Kaye. Een jaar eerder organiseert hij een actie voor de hongersnood in Ethiopië. De single We Are The World, ingezongen door een sterrenpeloton van Bruce Springsteen en Bob Dylan tot Michael Jackson, brengt honderd miljoen dollar op. Het geplande vervolg met een grootscheepse tournee door Afrika komt tot zijn teleurstelling niet van de grond.

Belafonte is nog steeds een boze zwarte man. Maar dat hij vrijdag in de PWA-zaal over de oorlog tegen Irak begint, lijkt onwaarschijnlijk. Alle kans dat hij liever de Banana Boat Song inzet, die onslijtbare getuigenis van zijn engagement: 'Day-O, day-ay-ay-o, Daylight come and me wan' go home.'

Harry Belafonte treedt vrijdag op in het Nederlands Congres Centrum in Den Haag.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden