Bekenden van de tijd dat de Romeinen er nog waren

Sterke verhalen worden er verteld. En geklaagd dat het niet meer zo is als het was. Op honderden leugenbankjes in het land, waar de ouderen zich elke dag verzamelen voor een praatje en elkaars gezelschap....

De Noordenders hebben hun eigen bankjes op de 'wurft'. Ze bemoeien zich niet met de Zuidenders, die achterin bij de duinen en ter hoogte van de Varkenvisserstraat zitten, of met de mannen uit het centrum, die bij de Voorstraat de bankjes bezetten. Ze hebben geen hekel aan elkaar, maar zo is het nou eenmaal. 'Er komt nergens veel wijsheid uit', bromt Jaap Boon.

Er wordt wat afgekletst op de boulevard in 'Kattek'. Er zijn bankjes die bijna doorlopend bezet zijn door gepensioneerde Katwijkers. Die laten zich alleen bij regen, tijdens het eten en hun 'horizontale dienst' erna niet zien.

Tussen de Noordenders die onder het grote stalen anker in 'de hoek van Savoy' bijeenkomen, zit slechts één 'allochtoon': Jan Tiel. Hij komt uit het nabijgelegen Noordwijk. Al meer dan dertig jaar woont Tiel in Katwijk, maar nog dagelijks wordt hij aan zijn afkomst herinnerd. Ze schelden hem uit voor 'blauwdotter'. Tiel: 'Katwijkers zijn kommetjespissers. Ik ben gekomen om ze op te voeden.'

De meeste mannen waren vroeger haringvisser. Maarten van der Marel was schelpenvisser en sjouwde in de winter met tegenzin kolen voor het bedrijf van zijn zwager. Cor Jonker was slager, Jan Tiel vrachtwagenchauffeur. Tiel heet van zichzelf Groenendijk, maar beging eens de fout naar Tiel te rijden in plaats van naar Brielle. Vandaar.

Van kindsaf kennen ze elkaar, uit de tijd dat de Romeinen hier nog waren, zegt Jaap Boon. Sommigen voeren op dezelfde boot. Nooit vanuit Katwijk, want de tijd dat Katwijk een echte vissersplaats was, hebben ze nooit meegemaakt. Ze gingen met de bus naar IJmuiden.

Het is heiig op zee, 'beemsterig', zeggen ze in dialect. Voor de kust varen twee mosselschepen, op weg naar de Wadden. Mooie dingen, zegt Jan Schaap, beter bekend als Jan van Chiel uit het Weeshuis. Wat doen de mosselen nou, vraagt Cor Jonker. Ze vertellen elkaar de nieuwtjes en weetjes uit het dorp. 'Ik hoor altijd wie er dood zijn', zegt Jaap Boon, 'nooit als er een geboren is.' In discussies krijgt iemand niet gauw gelijk, anders ben je zo uitgepraat. Maar over politiek en geloof wordt niet gesproken. Daar komt alleen maar mot van.

Maarten van der Marel, met 84 jaar de oudste van het stel, vindt het jammer dat het kerkelijk leven buiten beschouwing blijft. De meeste Katwijkers zijn weliswaar kerkelijk, maar onderling zeer verdeeld. Van der Marel, 'Kneep', hoort bij de zware gereformeerde-bonders. 'Je kan er alleen met iemand over praten die je vertrouwt, anders gaan ze de gek met je steken. Daar heb ik een hekel aan.'

Hij verkruimelt een korstje brood voor een paar mussen en mompelt: 'Mussen zijn netter dan mensen. Mussen hebben liever kruimels. Mensen grijpen de grote brokken.'

In de groep komen persoonlijke problemen evenmin ter sprake. Er wordt toch niet naar geluisterd. 'Klagers hebben geen nood; pochers geen brood', meent Jaap Boon.

Vast onderwerp van gesprek is de foto van een Katwijker in een plaatselijk advertentieblad, waarbij geraden moet worden wie dat is. De quiz geeft aanleiding om de hele doopceel van die dorpsgenoot te lichten en herinneringen over vroeger op te halen. Alle verhalen kennen ze al. 'We vervallen veel in herhaling, net als de televisie', zegt Willem van Duijn, 'maar niemand stoort zich eraan.'

Het is half twaalf. 'Blooker's time', zegt Jaap Boon en stapt op. Blooker was vroeger een Engels chocolademerk. Voor de Katwijkers is het geheimtaal voor borreltijd. In een kleine twee uur komen en gaan zo'n vijftien man.

Er wordt gesproken over de teloorgang van de Katwijkse visserij. 'Vroeger gooide je een roestige spijker in het water en er zat haring aan', zegt Jan Schaap, 'Nu is het niks meer.' Ineens gaat het over de spelletjes van vroeger: kaksen, rozer zoeken, messie gooien, hoepelen, er was meer vertier dan nu.

Ondertussen hebben twee mannen een onenigheidje. 'Gooi er maar water overheen', smaalt Jan Schaap tegen Arie van Duijn. Een hatelijkheidje, want Van Duijn heeft de bijnaam 'Waterkar'.

Kneep krijgt een sneer van Jan Tiel en Cor Jonker. 'Man wat ben je toch zuinig. Die kleren zien er niet meer uit. Al die vlekken. Je loopt gewoon voor schut, als ik het zeggen mag. En ik heb het gezegd.'

Als tegen half een alleen nog Maarten van der Marel over is, vertelt hij dat hij zijn bijnaam Kneep te danken heeft aan zijn voorgeslacht. Zijn vader weigerde eens op de Valkenburgse markt een rondje te geven. Vanwege die gierigheid noemden ze hem Kneep. 'Zo'n naam raak je nooit meer kwijt. Dat gaat van vader op zoon.'

Nee, het is hier geen vriendenclub, zegt hij hoofdschuddend. Hij gaat ook maar eens op huis aan. De aardappelen zijn al geschild, maar de andijvie moet hijnog klaar maken. Liever had hij sperziebonen gehad. Maar ze hadden alleen Spaanse, geen Hollandse, en dat verschil kan je proeven. 'Nou, we zijn goed met mekaar gekomen en goed gescheiden. De groeten.'

Weert Schenk

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden