Beitelen met licht, kappen met duister

Een kop. Dat heeft-ie zeker. En een lichaam. Een beer. Grote handen, stevige nek. Een bokser had hij kunnen zijn. Dat is-ie niet. Hij heeft voor de planken van het podium gekozen in plaats van voor het canvas van de ring. Voor beide heb je lef en branie nodig. Ik had hem wel graag zien boksen, zittend vanaf de eerste rij. Als cabaretier zou ik voor de veilige buik van de zaal opteren. Het publiek is daar het beest dat overwonnen moet worden. De voorste rij in de zaal in zijn show is als de kin van de tegenstander.


Theodorus Wilhelmus Maassen is cabaretier en acteur.


Provocateur voor sommigen. Relletjes genoeg. Maar daar ben ik niet voor gekomen.


Ik ontmoet een zachte, intelligente man met een stevige handdruk. Na oogcontact is de handdruk de belangrijkste externe graadmeter voor de goedheid van een mens. Niet de lijnen van de handpalm zeggen wie je bent, wel de manier hoe je een hand geeft. Bij Theo is het droog en stevig. Nooit verkeerd.


Maar ik kom niet voor zijn handen. Ik kom voor die heerlijke kop.


Een ei met baardgroei. Groot voorhoofd, diepe ogen, prachtige neus, Hollandse kin.


Ik geef het niet graag toe, maar Nederlanders zijn waarschijnlijk de mooiste mensen van de wereld. Van spierwit tot diepzwart en al dat heerlijke ebbenhout ertussenin. Met dank aan de Nederlandse kolonies. Nog meer dan goud, suiker, koffie, katoen of palmolie zijn de exotische genen het mooiste wat tijdens de Gouden Eeuw met de Hollandse vloot over de oceanen mee is gekomen. Deze genetische mengeling is verantwoordelijk voor hun overwinning in de hitparade van schoonheid der naties. Brazilië staat dicht op plaats twee. Over de ranking van België wil ik het vandaag liever niet hebben. Sta me gewoon toe om te zeggen dat wij, Belgen, lekkerder bier hebben. Alcohol als tijdelijke troost voor de falende Belgische schoonheid.


De gordijnen gaan dicht. Het harde winterlicht buiten dringt niet door de grijze gordijnen. Geen buitenbeelden, geen achtergrond, geen context. Eindhoven, Groningen of Paramaribo, het maakt niet uit. Enkel de kop van Theo, twee lampen, een stopcontact en een egale muur. Zo wil ik hem vandaag fotograferen. Beitelen met licht, kappen met duister. Het kan, want de kop van Theo is van graniet en de man heeft tijd. Beeldhouwen is kloppen, observeren, schaven, schuren, draaien, wrijven, corrigeren en slaan.


Portretfotografie is dat ook, maar met een dimensie minder. Als fotograaf voel ik me verwant met een beeldhouwer.


Het eerste dat ik ooit met mijn zuurverdiende vakantiegeld heb gekocht, was geen brommer of fototoestel, maar een beeld, een buste van een zekere August Picard, de uitvinder van de bathyscaaf. Het hoofd was driemaal ware grootte, met een gigantisch voorhoofd en diepe ogen. Hij was een vriend van Albert Einstein en hij diende als inspiratie voor professor Zonnebloem van Hergé, de tekenaar van Kuifje. Het beeld stond naast een biljarttafel in een oud, vermoeid hotel aan de Belgische kust. 'Grand Hotel', een hotel met een Franse naam klinkt altijd chic. De vergane glorie moest plaats maken voor de nieuwe wereld. Rainer Maria Rilke had er nog geslapen en geschreven, maar dat was voor de wrede bouwpromotoren geen bezwaar om het hotel af te breken.


Dat ik als kind destijds in het hotel een 'oudemannensport' als biljart ging beoefenen, zegt iets over de oude man die altijd in mijn hoofd heeft gezeten. Stoten tegen een witte biljartbal die rolde over de warme, groene stof. Carambole in het Grand Hotel. In de hoek van de biljartzaal stond het beeld. Valsspelen durfden we niet, want de strenge Zwitserse geleerde stond onbeweeglijk toe te kijken. Ik durf te beweren dat die kop invloed heeft gehad op mijn portretfotografie. Een lyrische gedachte, bijgestaan door de al lang geleden overleden dichter Rilke. De hele inboedel stond dus te koop. Dit beeld moest ik hebben. Ik was de enige geïnteresseerde, waardoor de prijs laag bleef en de aankoop mogelijk was. August Picard overleefde iedere verhuizing en staat op drie meter van het toetsenbord waar ik nu op tokkel. De fascinatie voor de kop is nooit uit mijn hoofd verdwenen, met dank aan een oud hotel, een biljarttafel en een Zwitserse geleerde.


Niet de geleerde maar de cabaretier zit nu voor mijn lens.


De kortgeschoren haren die ik van hem kende, waren al uitgegroeid. Het kapsel is vlees noch vis. Te lang om kort te zijn, te kort om lang te zijn. Ik worstel en zucht. De intelligente man doorziet mij meteen en geeft al antwoord nog voor ik de woorden tot een vraag kan construeren. 'Neen, ik scheer mijn haar niet voor je. Mijn jongste dochter vindt het heerlijk om aan mijn haar te prutsen.' Vaderliefde boven ijdelheid. Zo hoort het. Pech voor de fotograaf, mazzel voor de dochter.


We pauzeren even. Dat doe ik zelden. De time-out doet goed. Er wordt wat gedronken, macadamianoten gegeten, over de kinderen gesproken, over Johan Cruijff, over PSV Eindhoven, over hoe hij plots wees en vader werd in een paar maanden tijd en over de schoonheid van de rimpels van oude dame Sonja Barend. We denken beiden aan Patricia Paay maar geen van ons laat de naam over onze lippen rollen. We drinken ons glas leeg en beginnen aan de tweede ronde.


Een muts biedt een uitweg.


Plots valt alles in de plooi. Het licht vindt de poriën, de blik ziet het licht. Enkel kleine aanwijzingen voor de positie van het hoofd doorbreken de stilte. Concentratie in het lege huis. Tot plots de stem van Theo onder de lamp weerklinkt: 'Jij ziet er ook een beetje uit als een neanderthaler.' Het bijwoordje 'ook' in de zin is belangrijk en geruststellend. Het klinkt niet als een mokerslag van de in Nederland soms gevreesde cabaretier maar eerder als een gevoel van saamhorigheid. Wij, neanderthalers onder elkaar. 'Onze zware wenkbrauwen, onze diepe ogen, onze grote neus, wij stammen uit de oertijd.' We moeten even lachen om de gedachte. Een cabaretier die je noemt naar een uitgestorven mensensoort en je niet beledigd voelen. Het is de wereld op zijn kop.


Ik zoek de oermens in de diepe grotten onder Theo's wenkbrauwen, maar in de plaats van een neanderthaler zie ik een beul met hoofdkap voor een denkbeeldig kasteel. Theo heeft het paleolithicum niet gehaald. Verder dan de donkere middeleeuwen is hij niet geraakt.


Een cabaretier als de beul van deze tijd.


Het schavot is zijn podium.


En de bijl zijn scherpe tong.


Een keer per maand portretteert Stephan Vanfleteren een Nederlander


FOTOGRAFIE EN TEKST


Stephan Vanfleteren

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden