Beethoven was me eerst te simpel Bekroonde componist Robin de Raaff moet nog afstuderen

De symfonische rock die hij ooit met zijn popbandje Quiet City speelde heeft voor Robin de Raaff (27) afgedaan. Zijn oren zijn nu afgestemd op complexere muziek - strakke innerlijke logica en zorgvuldig uitgewerkte details kenmerken zijn composities, die hem al opmerkelijk veel prijzen opleverden....

'IK HEB JE nog niet verteld over de opera waarover ik aan het denken ben', zegt Robin de Raaff als na anderhalf uur interview de knop van de cassetterecorder omhoog springt. De 27-jarige compositiestudent uit Breda blijft er onverminderd monter bij kijken. Zijn werkenlijst telt vooralsnog een kleine twintig composities, te beginnen bij het strijkkwartet Athomus uit 1993 en zijn allesbehalve bezonken componeerervaringen hebben hem kennelijk geen drempelvrees voor dit muziek-dramatische genre bezorgd. Het moet een opera worden over een van zijn voorvaderen, ene Anton Raaff die in 1781 het voorrecht genoot de titelrol te vertolken in de première van Mozarts Idomeneo. De Raaff werkt zich ter voorbereiding door Mozarts brieven heen: 'Die Mozart is wel een figuur geweest hoor.'

Hoe precies de lijnen lopen van een gevierde achttiende-eeuwse tenor te München naar een twintigste-eeuwse amusementspianist in Breda, die in een onbewaakt ogenblik zijn zoon de Matthäus Passion laat horen, krijgt De Raaff binnenkort in druk op papier. 'Dan kan ik het bewijzen, nu moet ik het maar aannemen', relativeert hij een eventuele overerving van muzikale genen. Maar die Matthäus heeft hij zèlf zo ervaren, daar hoeft niemand aan te twijfelen. Hij was zestien en basgitarist/toetsenist in zijn bandje Quiet City (genoemd naar een compositie van Aaron Copland). Hij hoorde de cadans van die twaalfachtste maat in het openingskoor van de Matthäus en wist: 'Zo'n gecompliceerde en eerlijke muziekwereld. Dit kan ik nooit. Dit kan ik nooit schrijven.'

Tien jaar later, herfst 1996 om precies te zijn, krijgt hij in een workshop in de Amsterdamse Mozes en Aaronkerk de complimenten voor zijn strijkkwartet van Pierre Boulez, hogepriester van de naoorlogse avantgarde. 'Well, you know what you want, certainly', moet de maestro hebben gezegd. Enkele maanden eerder was De Raaff geselecteerd als Nederlandse afgezant voor een seminarie voor jonge componisten in Leipzig, november 1995 won hij de compositieprijs van de Koninklijke Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging voor zijn kwintet De vlucht van de magiër, de maand daarop ontving hij de vijfjaarlijkse prijs van het Academisch Genootschap Eindhoven. Januari 1997 wacht hem in Winterthur nog een eerste prijs voor het fluit-klavecimbelwerk Anachronie en als hij tussen de bedrijven door nog aan de eisen van het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam weet te voldoen, mag hij zich na zijn examen op 19 april officieel 'componist' noemen.

Zijn dit de eretekenen van een vaandeldrager van een nieuwe componistengeneratie? De rol van revolutionaire wereldbestormer lijkt niet echt voor hem weggelegd. Extremen als in het werk van Jan van de Putte of Peter Adriaansz komen bij hem niet voor. Ook pop- en jazzinvloeden zijn, De Raaffs verleden als basgitarist ten spijt, niet in zijn composities terug te vinden. En met 'minimal' heeft hij al helemaal niets. Na een voorzichtig begin met stukjes in de stijl van Brahms ontwierp hij een eigen twaalftoonsysteem, nadat hij in gesprekken met componist Daan Manneke snel had ingezien dat hij 'wel heel veel in g-mineur moet kunnen zeggen om te overtreffen wat anderen al in g-mineur hebben gezegd'.

De Raaffs werk kenmerkt zich door een strakke innerlijke logica met zorgvuldig uitgewerkte details. Van montage-achtige werken met contrasterende gedeelten moet hij niet veel hebben: 'Veel componisten weten niet goed hoe ze de opeenvolging van contrasten moeten ordenen en dan krijg je van die zinloze blokken achter elkaar.' Zelf noemt hij zijn strijkkwartet met enige reserve 'redelijk serialistisch', al vindt hij zijn stijl sinds die tijd behoorlijk veranderd. In het Nederlandse componistenveld plaatst hij zich in de buurt van het expressionisme, zij het dat Nederlanders alleen al door de fysische kenmerken van het landschap nooit tot waarlijk expressionisme in staat zullen zijn. Dat viel hem per toeval op toen hij deze zomer door de Zwitserse bergen reed: net muziek van Schönberg - even niets en dan weer zo'n grillige piek. Dat heb je in Nederland niet. Daar is alles letterlijk overzichtelijk.

Hij is niet vies van enige complexiteit. Met Bach was het meteen raak, maar Beethoven vond hij eerst te simpel. Pas op het conservatorium is hij hem gaan waarderen: 'Je oren moeten toch op een bepaalde manier worden ontwikkeld.' Maar met die ontwikkelde oren kan hij de symfonische rock die hij vroeger zelf speelde helemaal niet meer waarderen. Het prikkelt niet meer nu hij is ingewijd in de naoorlogse compositietechnieken, die steeds meer van het luisterend oor verlangen.

Nadat De Raaff een opleiding informatica had gevolgd, studeerde hij vier jaar bij Geert van Keulen en leerde hij vooral het ambachtelijke basiswerk: notatie, orkestratie. Toen deze vertrok wendde hij zich tot Theo Loevendie. Onafhankelijk van elkaar bleken ze eenzelfde toonsysteem te hebben ontwikkeld.

Deze zomer bracht hij drie weken door bij de Ferienkurse in Darmstadt, het zenuwcentrum van muziekvernieuwers, systeemdenkers en notenpeuteraars. De Raaff ging er heen op advies van Brian Ferneyhough, de kampioen van de 'complexity-muziek'. Hij was weliswaar te laat om een van zijn stukken op het programma te krijgen, maar hij hoorde er genoeg van zijn leeftijdgenoten om te constateren dat er in de nieuwe muziek meer epigonen werkzaam zijn dan oorspronkelijke geesten.

Zo heeft hij niet direct een uitgesproken waardering voor de nieuwste lichting Duitse componisten, die zich met veel gekras pogen te ontdoen van hun 'negatieve energie ten aanzien van de historische lading van strijkkwartet'. Daar had hij bij het componeren van zijn strijkkwartet nou helemaal geen last van. Hij was getuige van hun opstand tegen Stockhausen, ooit een van de revolutionairen die in Darmstadt victorie vierden: in de laatste les werd een pamflet voorgelezen waarin Stockhausens denken en componeren en 'totalitaire' gedrag werden veroordeeld.

'Dramatisch', vond De Raaff, wanneer iemand op die manier een spiegel krijgt voorgehouden. Maar ook de Amerikaanse componistengroep Bang On A Can werd uitgefloten.

De Raaff deed wat hij altijd doet en ging er onbevangen zijn eigen gang. Hij volgde lessen bij Ferneyhough, ontwierp een nieuw compositiesysteem voor het derde deel van zijn fluitconcert waardoor alles wat in het strijkkwartet naar zijn idee nog tamelijk intuïtief was vormgegeven nu een theoretisch fundement heeft. 'Fun to play', vond meesterviolist Irvine Arditti van De Raaffs nieuwe vioolsolowerk en beloofde het op z'n repertoire te nemen. En de voormalige informatica-specialist luisterde gefascineerd naar de bevindingen van de Fin Magnus Lindberg met het computer-componeerprogramma Patchwork in het Parijse Ircam.

Elektronische muziek trok hem nooit zo aan, maar Patchwork lijkt hem wel wat: niet alleen moet je haarfijn je muzikale ideeën determineren om ze in te kunnen voeren, de computer analyseert alle compositorische aspecten en confronteert de muzikale schepper met zijn eigen gewoonten en inconsequenties - een soort psycho-analyse van de componist. Een vorm van 'hoogstaand wetenschappelijk onderzoek' waarin De Raaff 'zeker zijn fantasie kwijt kan' en die tot een nieuwe esthetiek zou kunnen leiden. Al weet hij niet exact hoe die eruit zou zien.

In Amsterdam heeft hij al een aanzienlijke stapel opdrachten liggen. Voor januari 1997 heeft het Asko Ensemble een stuk gevraagd met Winnie the Pooh als thema; hij maakt kans op een opdracht van het Koninklijk Concertgebouworkest en hij heeft een opdracht van de VARA voor een dubbelconcert voor klarinet, basklarinet en orkest. In welke richting hij zich verder zal ontwikkelen, wie van zijn generatiegenoten pijlers en kopstukken zullen worden, vindt hij moeilijk te zeggen. Op dit moment heeft hij een systeem, een ideaal waarmee hij een paar stukken vooruit kan. Natuurlijk komt er een moment dat dat uitgemolken is, maar dat ziet hij dan wel. Voorlopig is hij nog aan het melken.

Concertuitvoeringen Robin de Raaff:

De Unie Rotterdam, 9 januari 1997: Componistenportret met Contradictie I door Harrie Starreveld, Contradictie II door Wouter Vossen en het Pianotrio door het Escher Trio.

Concertgebouw Amsterdam, 26 januari 1997: Winnie the Pooh-programma door het Asko Ensemble met nieuw werk van De Raaff, Simon Burgers en Benedict Mason. (16 februari in Musis Sacrum Arnhem, 23 februari in Muziekcentrum Enschede).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden