BEET HUO FEN

De Nederlands-Chinese dirigent Kian Pin Hiu reisde deze zomer naar de Chinese stad Tianjin om het plaatselijk symfonieorkest te dirigeren....

Verbijstering druipt van de gezichten. Het Tianjin Symphony Orchestra is net met gierende hoorns en hijgende celli ontspoord in het derde deel van Beethovens Zevende Symfonie. Misschien eigenlijk meer ontploft, en alle stukjes van het orkest liggen versuft door het repetitielokaal verspreid. Het tempo. Ja, natuurlijk weten ze ook in China wat 'presto' betekent. Maar zo snel als de Nederlands-Chinese dirigent Kian Pin Hiu - mijn vader - het had bedacht, daar waren ze nou nog niet echt op voorbereid.

Een puls van 126 per driekwartsmaat. Dat betekent dus dat elke kwart driedubbel zo snel moet. 'Je moet niet per tel tellen', zei m'n vader in Amsterdam, een paar weken voor hij naar China vertrok. 'Pe-ri-odi-se-ren', heet dat. Steeds per vier maten tellen, want het gaat zo snel, voordat je één gezegd hebt, ben je het orkest alweer kwijt. Om de vier maten staan er dikke blauwe maatstrepen in zijn partituur. Je denkt in frases en ondertussen laat je je meesleuren door het moordend staccato van houtblazers en strijkers.

Ook onder leiding van Beethoven waren de repetities voor de première van zijn Zevende Symfonie op 8 december 1813 rampzalig. Componist Louis Spohr die meespeelde bij de violen, schreef in zijn autobiografie dat Beethoven al zo doof was dat hij de zachtere gedeeltes niet meer kon horen en het spoor bijster raakte. Maakte een sprong in de lucht voor een forte-akkoord terwijl het orkest daar nog lang niet was. Daar heeft mijn vader in ieder geval geen last van. Het is meer: hoe maak je van Beet Huo Fen weer Beethoven? 'Een werk met een sterk Dionysisch karakter', staat er in de toelichting bij de partituur. Wagner had het over een 'apotheose van de dans'. Allemaal best, maar voor het zover is, zijn er zo'n kleine tienduizend details waaraan getimmerd en geschaafd moet worden.

'Contrabassen, vibreren!', roept de maestro. Als oud-violist van het Concertgebouworkest pakt hij eerst maar de strijkers aan. 'Jongens, jullie moeten stríjken. Alsof de wereld van jullie is.' Mijn vader spreidt zijn armen uit. 'De héle wereld, echt.' Ze lachen, ongelovig, en achter die lach begint wat te tintelen. Op het gezicht van de aanvoerder van de celli verschijnt zelfs een enorme grijns.

'Pfoeh', zuchten de meisjes van de altviolen, nadat mijn vader ze heeft opgejaagd door het vierde deel, met felle sforzato-akkoorden als horden in een parcours.

'Pfff, ik ben kapot', zucht ook mijn vader na deze eerste repetitie. 'Er zitten echt goede musici bij, maar ze hebben al geen tijden meer een vaste dirigent gehad. Geen geld voor. Ze spelen wel, maar ze spelen nog niet samen.'

'Geen idee wat voor orkest ik krijg', zei mijn vader voor hij vertrok in zijn werkkamer in Amsterdam-Zuid. 'Je moet maar hopen dat het klikt.' Tweede Oom had gebeld. Oom Kian Hwa die ook violist is. Sinds 1972 woont hij in Hongkong, maar daarvoor woonde hij twintig jaar in Tianjin. Of mijn vader deze zomer in Tianjin wilde komen dirigeren, vroeg oom Kian Hwa. Ze zouden reuze blij zijn met een dirigent die zoveel ervaring heeft met westerse orkesten en ook nog Chinees spreekt.

Eerst zou het voor één concert zijn, met alleen orkest. Maar zoals dat gaat in China: opeens was er ook nog een solist - Yang Xiaoyu, een vijftienjarig viooltalent - en die kon het vioolconcert van Sibelius. Toen kwam er nóg een solist, pianist João Carlos Martins uit Brazilië, die speelde het Concert voor de linkerhand van Ravel. En toen kwamen er nog twee concerten bij, waarvan een in Peking. Een regulier abonnementsseizoen met twee jaar van te voren geplande concerten? Niks daarvan. De ene dag Chinese opera in Peking, dan weer Westerse opera-aria's in Tianjin.

Mijn vader veegt de stukjes van het orkest bij elkaar. Morgen is er weer een dag. Er zijn welgeteld nog vijf dagen voor het concert in het concertgebouw van Tianjin. 'Misschien moeten we het morgen eerst maar langzaam repeteren', suggereert concertmeester Wu voorzichtig.

Tianjin is westers en Chinees tegelijkertijd. Heel verwarrend. Het is een grote industriestad met zo'n tien miljoen mensen op anderhalf uur treinafstand van Peking. We rijden over superbrede boulevards met enorme luxe glimmende gebouwen waar de nieuwigheid vanaf spat, maar daar hangen dan wel weer van die rode kitschlampionnen voor. Snelle zakenmannen haasten zich over stoepen waar evengoed halfnaakte mannen in alle kalmte gehurkt voor zich uit staren. In chique restaurants met de meest verfijnde gerechten ben je aangewezen op weinig frisse hurkplee's zonder wc-papier.

'Ze noemden Tianjin klein Shanghai', zegt oom Kian Hwa, 'de havenstad van het noorden.' Hij zit naast me in de auto van een oud-leerlinge uit de pianoklas van zijn vrouw, mijn tante Chen Ping. Het grootste deel van de rit door de stad roept hij 'oh' en 'ah' in alle toonhoogten en varianten. 'Oh, moet je kijken. Moet je dit zien. Ah, my goodness, dit is compleet veranderd.' Voor we gingen rijden waren we in het huis van een andere oudstudent: helemaal gloednieuw, parketvloer, een moderne keuken, een badkamer met zit-wc en ligbad, gele leren banken, een spiksplinternieuwe Kawaivleugel en, natuurlijk, een airco.

Oom Kian Hwa stond nog net niet met open mond te kijken. 'Weet je', zei hij, 'in mijn tijd was een elektrische ventilator al zo'n luxe. Tijdens de heetste nachten lagen we in bed en waaierden met zo'n handwaaier tot we van vermoeidheid in slaap vielen.' In zijn oude huis kwam het leidingwater maar tot de eerste verdieping. Dagelijks droegen ze emmers naar hun eigen woning, op de vierde. Twee kamers en een keukentje voor twee volwassenen en drie kinderen. Heel gewoon toen, in Mao's China.

Tianjin ziet er nu uit als een moderne bruisende stad. Het China van de Grote Sprong Voorwaarts en de Culturele Revolutie is voor een buitenstaander niet meer te herkennen. Er zijn alleen herinneringen en verhalen van mijn oom en zijn oude vrienden. 'Hier, herken je dit nog?', vraagt Jane, een oud-collega en hartsvriendin van mijn tante en oom als we op een snikhete dag over de Jintang Lu lopen. Dit is de weg die ze altijd liepen van hun huis naar het conservatorium en terug. 'Ah', zegt mijn oom, met een zachte lach. We staan voor een grote poort, waar nu een glanzend bord aan hangt. Boven de poort staan nog steeds de oude letters: de Tianjin breifabriek. 'Je was toch ingenieur daar, was het niet?', lacht Jane.

Mijn oom in een breifabriek? Dat heeft hij nooit verteld. 'Ik heb er zelf om gevraagd', zegt hij. 'Ik wilde niet meer terug naar het conservatorium.' Waarom is sneller gevraagd dan beantwoord. Vanaf 1952 was hij verbonden aan het conservatorium van Tianjin. Eerst als student en na zijn afstuderen in 1955 als docent. Tot de Culturele Revolutie begon, in het voorjaar van 1966.

De docenten van het conservatorium werden tewerkgesteld bij een landbouwcollectief, even buiten Tianjin. Mijn oom werd varkenshoeder. 'Omdat wij muziekdocenten waren, waren wij schuldig, want wij onderwezen kapitalistische kunst, zie je?' China sloot zich radicaal af van alles wat uit het westen kwam en dus verderfelijk, bourgeois en imperialistisch was. Geen westerse radio, geen westerse films en zeker geen westerse klassieke muziek.

'Je hebt die film Van Mao tot Mozart toch wel gezien?', zegt m'n vader - de documentaire over het bezoek dat de Amerikaanse violist Isaac Stern in 1979 aan China bracht. 'De Chinese jeugd barst van het talent', zei Stern. 'De kleintjes, van acht tot elf, zijn stuk voor stuk opvallend goed.' Maar in de leeftijdsgroep van 17 tot 21 ontdekte hij iets opmerkelijks, die was lang niet zo ver als die had moeten zijn. Die mensen groeiden op tijdens de Culturele Revolutie. Alle muzieklessen werden stopgezet. De directeur van het conservatorium in Shanghai werd veertien maanden opgesloten in een kast. 'Ze behandelden ons als beesten omdat we ze les hadden gegeven in westerse muziek', vertelde de directeur in de film van Stern. Tien collega's van hem pleegden zelfmoord. 'In de jaren vijftig was iedereen gek van westerse muziek', zegt mijn oom. Hij schudt zijn hoofd. 'Hoe kan de muziek van Beethoven nou gevaarlijk zijn?'

Als we met Jane en haar echtgenoot, dokter Li, aan tafel zitten, lijken het verhalen uit de good old days, waar hartelijk om gelachen wordt. Het was natuurlijk anders. 'Overdag had je de Rode Garde, zij deden van die merkwaardige dingen. 's Nachts luisterden je tante en ik in het geheim, heel zachtjes naar de pick-up. Naar Rachmaninov, en Beethovens Pastorale. Muziek is als een andere wereld, menselijk, warm.

Als 'overzee-Chinees' had mijn oom het recht zijn ouders en familieleden in Indonesië te bezoeken. Want één wet uit de oude tijd die zelfs doorgewinterde communisten respecteerden, was het Confucianistische gebod van 'filial piety' - respect voor je ouders. In 1972 kregen mijn oom en zijn jongste zoon toestemming om te vertrekken en ze bleven in Hongkong. Negen maanden later mochten ook mijn tante en de twee andere kinderen weg.

'We gaan nu naar een meeting van de Vrienden van het Orkest en jij moet ook wat zeggen', kondigt m'n vader aan als we worden opgehaald door onze chauffeur. Ik krijg er zelfs een eigen tolk voor toegewezen. Een allervrolijkste jongedame die violiste is en Tian Tian heet, wat vrij vertaald Zoet Zoet betekent. Het orkest heeft veel Vrienden, dat blijkt. Het lokaaltje naast de repetitieruimte is al snel overvol. Mensen die binnenkomen, ook laatkomers, gaan eerst uitgebreid en luidruchtig hun bekenden gedag zeggen. Stoelen worden over en weer doorgegeven. Iedereen kwettert uitbundig door elkaar. De vijftienjarige vioolsolist Yang Xiaoyu (Klein Universum) is er met zijn moeder en zijn gameboy - de portable spelcomputer waar ook Chinese jongeren aan verslingerd zijn. Oom Kian Hwa is er natuurlijk ook.

Het zou me ook niets verbazen als we nu opeens met z'n allen bingo gingen spelen, of een communistisch pamflet bespreken. Maar nee, de joyeuze en exuberante voorzitter, meneer Li, kondigt ons met overslaande stem aan. En of mijn vader nu iets wil zeggen over muziek en cultuur in Nederland. Veel verder dan Rembrandt en Van Gogh komt hij niet, of meneer Li springt alweer overeind. O ja, misschien zijn er ook vragen. We hebben toch ook vragen, nietwaar? Meneer Li heeft er al een: wat is het verschil in persoonlijkheid tussen Bernard Haitink en Leonard Bernstein? Mijn vader slikt heel even. 'Oh', zegt hij dan, 'dat zal ik u even demonstreren. Kijk, dit ben ik en dit is mijn broer. Dat is zo ongeveer het verschil.' Mijn oom staat op en buigt. De Vrienden brullen van plezier.

Alsof ze samen hun hele leven niets anders gedaan hebben, geven mijn vader en oom een perfecte show weg, afwisselend in het Engels en het Chinees. Mijn vader was elf, toen zijn drie oudere broers weggingen uit Medan om eerst in Pinang en later in Guangzhou en Shanghai hun schoolopleiding te doen. Door de Japanse bezetting waren de Chinese scholen op Sumatra gesloten. Eerste oom en derde oom kwamen terug. Oom Kian Hwa bleef.

Mijn vader ging in 1955 naar Nederland om viool te studeren. En bleef. Hij zag zijn broer pas 24 jaar later in Hongkong terug. Hij wist niet of hij hem zou herkennen, na zoveel jaren. Maar zelfs ik herkende mijn oom bij een veel later bezoek aan Hongkong uit duizenden Chinezen. Het gebeurt niet vaak dat ik mijn vader met een van zijn broers zie, maar tijdens die zeldzame keren vallen de gelijkenissen des te meer op. Er is iets in motoriek, stemgebruik en oogopslag dat ook over een afstand van duizenden kilometers en een tussentijd van vele jaren niet verloren gaat.

Een man met een rode boodschappentas, roze hemd en rode bril staat op. Een dirigent moet toch maar wat slim zijn, veronderstelt hij, en goede oren hebben. Weet de maestro nou echt alle details die hij dirigeert? Een ander staat op: Wat vindt u van Von Karajan. En van Celibidache. De gebroeders Hiu bediscussiëren alle vragen gewetensvol. Wat moet een dirigent nou allemaal precies doen om zijn zin te krijgen. 'Adem met het orkest', adviseert mijn vader. Wat is de invloed van een ruzie met zijn vrouw?

Oom Kian Hwa vertaalt, entertaint en glundert. Zou hij op dit moment terugdenken aan de tijd dat hij de varkens hoedde, geen viool kon spelen, gras moest maaien en zijn studenten hem met het ritme van die Chinese gongetjes aanspoorden sneller te maaien? Aan de jaren waarin hij geen enkel contact met zijn familie had? Nu staat hij hier, terug in zijn 'tweede stad' en praat met zijn broer vrijelijk over Beethoven, Sibelius en Mozart.

'Kan iemand mij helpen?' Een half uur voor het concert komt mijn vader z'n kleedkamer uit, half aangekleed, bretels nog naar beneden. Hij heeft zijn mouwophouders in het hotel laten liggen. Als altijd is concertmeester Wu redder in nood. Met een brede glimlach haalt hij een paar uit zijn binnenzak.

'Natuurlijk ben ik best opgewonden', zegt oom Kian Hwa als we vanaf het podium de nog lege zaal inkijken. 'Mijn broer dirigeert hier en mijn nicht interviewt me. Maar niet zenuwachtig, hoor. Nee, dat niet.'

Mijn vader is wel zenuwachtig. Echt wel. We blijven uit de buurt. Maar oom Kian Hwa beleeft zijn finest hour. 'Kijk', roept hij in de pauze, 'dit is een leerling van mij en dat is weer een leerling van haar. Een hele familie van leerlingen.' De tweede concertmeester heeft een fotoalbum bij zich. Haar vader is een oude studiegenoot van mijn oom. 'Oh', roept mijn oom bij een zwart-wit jaren zestig kiekje, 'dit is mijn oudste zoon, Siao Tong. Hij zat met haar in de peuterklas en nou is ze tweede concertmeester.' In de tijd van mijn oom bestond het hele Tianjin Symphony Orchestra nog niet eens, dat werd pas in de jaren tachtig, ver ná de Culturele Revolutie opgericht.

In de zaal heerst een uitgelaten, vrolijke sfeer. De concertgangers komen binnen, met flessen sprite, cola, water, limonade - helemaal klaar voor een geweldige avond uit. Ook als het orkest al midden in Rossini's ouverture Semiramide zit, wandelen nog bezoekers binnen. Mensen lopen heen en weer, gaan eens verzitten. Halverwege de ouverture komt meneer Li van de Vriendenclub statig binnenschrijden en kijkt eens rustig om zich heen waar hij wil gaan zitten. Kan allemaal, niemand die zich eraan stoort. Bij de toegift, een geliefd Chinees stuk dat - vrij vertaald - Terugkeer naar Peking heet, klapt iedereen enthousiast mee.

Klein Universum speelt het Vioolconcert van Sibelius alsof het zijn gameboy is. Virtuoos, razendsnel, beheerst en onbewogen. Mijn vader werkt zich letterlijk in het zweet. Maar het schone hemd dat hij in de pauze aantrekt, blijft bij Beethoven ook niet lang droog. Het eerste deel houdt hij het orkest nog in. Het tweede deel is gedragen en contemplatief. In het scherzo begint het orkest op stoom te raken en in de finale drijft hij het tot het uiterste. Of ze echt al die herhalingen moesten doen, hadden ze nog voorzichtig bij de repetitie gevraagd. 'Wat dacht je?', zei hij. 'Ik heb Beethoven persoonlijk op z'n mobiel gebeld.'

Mijn oom had concertmeester Wu bij de lunch gewaarschuwd. 'Je moet goed eten hoor, want je hebt een hoop energie nodig, vanavond bij Beethoven.' Slierten van zestienden wervelen door de zaal. Fortissimo-accenten ketsen tegen de wanden, afgewisseld met plotselinge pianissimo-passages. Een duizelingwekkende rondedans, een ongebreidelde uiting van pure levensvreugde. Achter me zit een hele rij Chinese kinderen te juichen en op de stoelen te wippen. De laatste tempoversnelling mondt uit in een bacchanaal waarbij het orkest weer bijna de bocht uitvliegt, maar nu door de middelpuntvliedende krachten die het zelf produceert.

Zoet Zoet geeft bloemen. 'Ik heb genoten van je vader', zegt ze. Very musician. Very hot. Ze lacht. Very exciting. Oom Kian Hwa frummelt de videocamera weer in zijn tas. Is hij blij? Is hij opgelucht? 'Over het geheel heel succesvol, ja', zegt hij plechtstatig. Een schaduw glijdt langs zijn gezicht, dan lacht hij alweer. Het is een mooi moment, dat zeker, maar achter zijn lach schrijnt ook de pijn van toen verloren idealen en verwoeste dromen.

'Kom', zegt hij, 'laten we kijken wat je vader doet.' Hij draait zich om en loopt de zaal uit. De zaal die bioscoop was, waar zijn vrouw, lang geleden, het Keizersconcert van Beethoven speelde en waar nu, een mensenleven later, zijn broer heeft gedirigeerd.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden