Beesten tegen biomoleculen

Zelfzuchtige genen, wie kent ze niet. Vooral dank zij de onvermoeibare zendingsdrang van de Engelse zooloog en veelschrijver Richard Dawkins weet menigeen met grote stelligheid dat organismen, en dus ook mensen, in essentie niet meer zijn dan een verpakking van hun genen....

Dawkins, tegenwoordig hoogleraar in de wetenschapspopularisering, schreef een forse handvol bestsellers waarin hij zijn ideeën over de motor van de evolutie aan de man brengt en hij geldt inmiddels als een van de hardste verdedigers van Darwins erfgoed. Sceptici sabelt hij met harde hand en nauwverholen genoegen neer.

Maar wie denkt dat Dawkins daarmee de held van de hedendaagse biologie is, heeft het behoorlijk mis. Een spraakmakende vakgenoot als de Amerikaan Stephen Jay Gould moet niets hebben van de genetische obsessies van de Brit. Voor hem staan juist de organismen centraal in het spel van de evolutie. Genen hebben geen gedrag en kunnen geen belangen nastreven of met elkaar strijden, luidt zijn eenvoudige redenering. Organismen wel.

'Een draadje genetisch spul kan net zo min zelfzuchtig zijn als het muzikaal kan wezen', noteert de Britse journalist Andrew Brown puntig in zijn boek The Darwin Wars. Brown (The Independent) schetst op een toegankelijke, maar toch gedetailleerde manier de strijd rond Darwins gedachtengoed, die anders dan veel buitenstaanders denken, nauwelijks gaat tussen christelijke fundamentalisten en biologen, maar des te meer tussen biologen onderling.

Waarover gaat de twist? Over de vraag op welk niveau de evolutie zich eigenlijk afspeelt: op dat van individuen, van soorten, of misschien nog ergens anders. Dawkins, constateert Brown, leunt sterk op het werk van de theoretisch biologen William Hamilton en John Maynard Smith. Zij stellen dat de genetische variatie binnen soorten zo groot is, dat noch soorten, noch individuen de eenheden kunnen zijn die aan de evolutie deelnemen. Alleen genen zijn stabiel genoeg om op lange termijn werkelijk iets aan het proces te hebben.

Volgens Gould begaat Dawkins een doodzonde door uit het verloop van de evolutie op te maken dat iets anders dan stom toeval en wat randvoorwaarden de gang van zaken hebben bepaald. Zijn favoriete voorbeeld is de fossielenpopulatie in de Burgess-shale, een rotsformatie in Amerika, waar talloze merkwaardige levensvormen aantonen dat Moeder Natuur ook maar op de tast voortstommelt en wel ziet wat er van komt. We hadden wat dat betreft ook ogen op stokjes kunnen hebben, en niemand kan ooit achterhalen waarom dat toch niet zo is uitgepakt.

Vooral de doelloosheid van Gould verhoudt zich moeizaam tot de manier waarop geestverwanten van Dawkins als Edward Wilson en Steven Pinker gedrag en sociale fenomenen evolutionair verklaren. Sociobiologen kunnen alles beschrijven, maar toetsbare voorspellingen ontbreken, menen critici.

De denkbeelden van zowel Dawkins als van Gould zijn - onderhand welhaast tot vervelens toe - tussen de regels door beschreven in hun eigen boeken en artikelen. Maar of ze hun ideologische tegenstander daarbij recht deden, was voor de doorsnee lezer meestal niet vast te stellen. Zoals Brown schrijft: 'De heren verspreiden in hun strijd zoveel rook dat het slagveld volledig aan het oog wordt onttrokken.'

Maar dat wil niet zeggen dat Brown zich onpartijdig toont. Zijn hart ligt overduidelijk bij Gould en de zijnen. En hoewel hij de redenen daarvoor niet met zoveel woorden opschrijft, moet dat iets te maken hebben met de kilte die hij ontwaart in de wereld van de zelfzuchtige genen. Het mechanische staat hem duidelijk niet aan.

En dus is voor Brown Dawkins, behalve een behendig boodschapper van andermans gedachten, in zijn boek ook een 'elegante, wat vogelachtige man, behoedzaam en verlegener dan je van een wetenschappelijke pin-up zou verwachten'.

Zijn denkbeelden over de overleefstrategie van de genen ontwikkelde Dawkins in de jaren zestig. 'Ik moest', citeert Brown hem, 'in mijn uitleg terug naar de fundamenten van de natuurlijke selectie. Rond die tijd kwam ik tot de beschrijving van voortmarcherende genen die desnoods over lijken gaan.'

De biologenoorlog, stelt Brown, is in feite een aanvaring tussen twee sterke metaforen. Eigenlijk, stelt hij, is evolutie alleen te begrijpen als een toevalsproces dat zich slechts wiskundig laat beschrijven. En zoals vaak met wiskunde, schieten woorden eigenlijk tekort om goed te beschrijven wat er gaande is. Wat opponenten verleidt elkaar met de tekorten van hun woordkeus om de oren te slaan, in plaats van met inhoudelijke argumenten.

Weliswaar heet ook Gould bij Brown een op en top joodse Newyorker, erudiet, goedgebekt en kritisch, een gewezen marxist bovendien. Maar op de een of andere manier klinkt in die karakterisering al meer sympathie door voor deze man van het echte leven dan voor de sluwe genenpropagandist. Terwijl Gould natuurlijk juist paleontoloog is, deskundige in dode dieren.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden