Beeldhouwen voor de bühne

Rien Bekkers ontwerpt theaterkostuums. Hij heeft geleerd dat hij zich niet hoeft te houden aan oude wetten als 'figuranten dragen geen rood'....

Bepaald gemakkelijk was het kennelijk niet, de rol van koningin Gertrude in Gerardjan Rijnders' bewerking van Shakespeare's tragedie Hamlet. 'Een hoed met een rand zó groot, dat je je gezicht net zo goed thuis had kunnen laten. Een korset van dun plaatstaal waarmee je zeker weet dat je rechtop zult lopen. Schoenen met plateauzolen van circa vijftien centimeter waar je tot je verbazing je nek niet op breekt.'

Rien Bekkers (54) kan er smakelijk om lachen. Hij draagt de passage zelf voor. Het is een bijdrage van actrice Petra Laseur aan het boek Kostuum Rien Bekkers, waarvan de drukproeven voor hem op tafel liggen. Liefdevol bedoeld, geen twijfel mogelijk.

'Ja, en dan te bedenken dat de toneelvloer schuin opliep, met losse platen erop. En de kleding, dat was ook nog eens zware meubelstof.'

Toch maar de voor de hand liggende vraag: beseft hij altijd wel voldoende wat hij spelers aandoet, zowel in letterlijke als figuurlijke zin? Bekkers, ernstig nu: 'Je hebt een bepaald beeld voor ogen. Dat wil je behouden. Wat iemand draagt, beïnvloedt onmiskenbaar zijn of haar gang. Je loopt, je schrijdt, of je sloft. Zeker, we gaan ver. In Dark Lady, ook met Gerardjan, droeg Elina Vink een Elisabethaanse jurk met een diameter van wel één meter veertig, schat ik. Zie daar maar eens mee door de deur van de kleedkamer te komen. Maar ze had er een grootse opkomst mee.

'Overdrijving werkt op zo'n moment. Maar het mag niet ten koste van alles gaan. De acteur moet zich goed voelen. Als het knelt of de adem beneemt, moet dat natuurlijk worden opgelost. Als de acteur zich onzeker voelt op te hoge hakken, moet het maar iets lager. Uiteindelijk heb ik een dienende rol. Het stuk is het allerbelangrijkste. Niet het kostuum.'

Monumentaal wordt zijn stijl vaak genoemd. Grote gebaren, ongewone materialen. Zelf slikt hij de kwalificatie in. 'Monumentaal, of. . . Ik weet niet of dat klopt, ik maak ook ingetogen dingen. Maar goed: iets boven het normale uittillen, dat keert wel vaak terug.' Misschien voelt hij meer verwantschap met de omschrijving van dichter, essayist en toneelschrijver Willem Jan Otten in het boek: 'Er is altijd wel iets gebeeldhouwds aan een kostuum van Rien Bekkers'.

Met zulke adjectieven is het in elk geval nog nauwelijks toeval te noemen dat de afspraak met Bekkers in museale omgeving is. In een vleugel van het Rijksmuseum Twenthe in Enschede wordt op deze doordeweekse dag nog koortsachtig de laatste hand gelegd aan Van Elektra tot Fidelio. Op een groot rond podium staan tientallen theaterkostuums van Bekkers opgesteld - creaties die ten onrechte dikwijls als 'vanzelfsprekend' worden ervaren, verzuchtte een collega ooit. Maar nu staan ze als heuse objecten in het helle licht van de plafondspots; een overzicht van zijn oeuvre, heet het in de aankondiging van het museum. Het boek verschijnt tegelijk met de expositie. De tentoonstelling sluit volgens het Rijksmuseum fraai aan bij de historische portretten uit de eigen collectie.

In een oogopslag is duidelijk welk segment van de markt Bekkers bedient. Producenten en regisseurs die klassiek drama los van de traditie maken, komen vaak bij hem uit. Zie onder meer de creaties uit King Lear (Het Nationale Toneel), La Traviata (De Nationale Reisopera), Penthesilea (Toneelgroep Amsterdam en Deutsches Theater) en Zinsbegoocheling (Toneelgroep Amsterdam). Niet zelden uitbundig, exuberant, grotesk zelfs, maar soms ook gewoon dicht bij de silhouetten van de tijd. Veel grote molensteenkragen, dat ook. Bekkers: 'Enig absurdisme prikkelt de verbeelding.'

Het arsenaal aan materialen is oneindig: zijde, tafzijde, geplisseerde taft, velours, metaalweef sel, metaalorganza, gitkralen, gordijnstof. Voor de slotscène van Beethovens Fidelio liet hij op de katoenen kostuums van het koor zilverfolie stomen.

Hij is niet uit op correcte kopieën uit de geschiedenis, zegt hij. De authentieke kleding is uitgangspunt. Hij wil 'de historie vertalen naar nu, een nieuw beeld maken'. Zo bestaat het lijfje dat Pierre Bokma in Richard III van Shakespeare droeg uit zwarte knopen - het moest 'iets hards' zijn, een harnas suggereren zonder dat het een harnas was. Bekkers liet zich inspireren door de dracht van Afrikaanse krijgers, blijkt uit schetsen van het ontwerp. In Antigona zijn de kostuums weer meer gothic, aansluitend op de rebellie in het stuk. De personages in Het Leven van Galileï van Brecht contrasteerden juist sterk: de zestiende-eeuwse geleerde en zijn familie in zwart en grijs linnen, de kerkelijke macht in glanzend zilver brokaat. Henk van Ulsen promoveerde in drie lagen kleden van kardinaal tot paus Urbanus VIII. In Der Prins von Homburg uit 1811 van Heinrich von Kleist droeg prinses Natalie (een rol van Giorgia Milanesi) over haar empirejapon een plastic regenjas - de operaversie van Hans Werner Henze stamt uit het eind van de jaren vijftig; 'ontwerpen op basis van het tijdsbeeld van de makers, ja. Ook eens leuk.' En met de veelgeprezen creaties van vliegen, mieren, kevers, torren en een houtworm uit de film Erik of het klein insectenboek, vertoont het oeuvre in Enschede een onverwachte stijlvariant.

Op de tentoonstelling ontbreken de hoofden op de poppen - merkwaardig voor iemand die ooit zelf schreef dat 'het hoofd op het kostuum net zo belangrijk is als het kostuum', en pruik, hoofddeksel en tooi dan ook net zo wezenlijk acht als het gewaad. 'Ja, ik weet het. Maar hier zou het alleen maar afleiden.'

Met een akte tekenen/handvaardigheid van de academie voor beeldende kunst in Tilburg op zak - 'mijn ouders wilden dat ik eerst wat vastigheid had' - meldde hij zich aan voor de opleiding mode aan de 'Rietveld' in Amsterdam. Maar gaandeweg werd hem duidelijk dat de wereld van de catwalk niet de zijne was. 'Daar overheerst de druk van de commercie. In het theater ben je meer bezig met thema's tussen mensen. Daar kon ik creativiteit in kwijt.'

Het begon bij Toneelraad Rotterdam, het latere Ro theater, als assistent van Dagmar Schauberger. Zij peperde hem in dat 'details het totaal maken'. Geen concessies doen. Nooit zeggen: ach, dat zie je niet. Je weet nooit helemaal zeker wat er tijdens de voorstelling zichtbaar wordt, hoe de plooien vallen, of er tijd genoeg zal zijn om van kostuum te wisselen. Daarom moet ook de voering deugen, de sluiting snel zijn, elke knoop functioneel. Let ook op het geluid van kleding: bij Couperus mag een rok best ruisen, terwijl in opera kleding juist weer stil moet zijn. Dat hij altijd met natuurlijke materialen wenst te werken, heeft niks met overdreven zorg of snobisme te maken: synthetische stoffen worden in toneellicht vaal en grauw, katoen en linnen winnen juist aan intensiteit.

Nog een leermeester in Rotterdam: Jean Marie Fiéver was er decorontwerper. Zijn motto: theater maak je niet alleen, theater maak je met z'n allen. Ook dat is hij nooit vergeten.

In de kiem begint een voorstelling immers ook met besprekingen in teamverband. De regisseur zoekt de vormgevers: decor, licht, kostuums. Samen bepalen ze het totaalbeeld van de productie.

Het decor is vaak de eerste stap. 'De ruimte is zeer bepalend voor de aankleding.' Dan volgen de eerste voorstellen. Ruwe schetsen, kleuraccenten. Er zijn, zegt Rien Bekkers, twee uitersten: het bij elkaar zoeken of opnieuw creëren. 'Een zekere overloop kan ook. Maar ik reken mezelf toch tot de laatste discipline.'

Hij zoekt in eerste aanleg inspiratie in de beeldende kunst ten tijde van de oorsprong van de voorstelling. Schilderijen, prentenboeken, beelden. Maar het actuele straatbeeld is ook van invloed. Wie weet wat hij morgen weer aantreft op de markt. Een oude kazuifel, een cape, een motief op een gordijn.

Hoewel hij ernaar streeft zijn ontwerpen een zekere tijdloosheid mee te geven - 'we zijn nu eenmaal niet met mode bezig' - is het onontkoombaar dat er een vleugje van trends binnensluipt. De brede schouderpartijen uit Richard III zijn typerend voor de jaren tachtig, in de wat lossere kleding in Der Prins von Homburg dringen de eerste jaren van de nieuwe eeuw zich op.

Wat ziet hij als functie van het kostuum? 'Het dient ter ondersteuning. Het moet een meerwaarde geven. Als het goed is, geeft het acteurs de mogelijkheid zich nog beter in te leven in hun rol.'

Hij staat dicht bij ze, ja. 'Vertrouwen winnen is een belangrijk facet van mijn werk. De acteurs het idee geven dat de aankleding in goede handen is. Ze zijn dan bereid om risico's te nemen. Vanuit vertrouwen kun je tot prestaties komen. Het lukt niet altijd. Het is vaak het moeilijkst als je voor het eerst met iemand werkt.' Vraag hem niet naar een lijstje namen met wie hij nooit meer in zee zou gaan, en evenmin om een rangschikking van favoriete acteurs en regisseurs. 'Ik heb voorkeuren, iedereen heeft zijn eigenaardigheden. Maar overschat mijn band met de acteurs niet. Na de première ben ik weg. Dan is het aan de grimeurs of de kleedsters.' Hij sluit zich zelfs niet aan bij het onder vakgenoten gemakkelijk op te tekenen gemopper over de achteloosheid waarmee acteurs achter de coulissen hun creaties over de stoel, of erger, op de grond mikken. 'Zoiets kan gebeuren in het heetst van de strijd. Je kunt acteurs er best op attenderen dat je dat vervelend vindt.'

Voor kostuums in het theater gelden ongeschreven wetten. Doe een figurant nooit iets roods aan. Nimmer groen gebruiken op het toneel. Zorg altijd voor hiërarchie tussen de rollen. Bekkers: 'Het zijn fabeltjes. Ik heb in Zinsbegoocheling vier figuranten in het knalrood gestoken. Ze moesten Joop Admiraal in een ander kostuum helpen. Ik wilde juist aandacht voor die scène. Ik geloof niet in dit soort wetmatigheden. Ieder stuk vraagt een specifieke aanpak.'

Herkent hij iets in die verzuchting van zijn collega dat de inspanningen van kostuumontwerpers als 'vanzelfsprekend' worden aangenomen, terwijl de credits naar regie en spelers gaan? En, nu de schaduwzijden toch aan de orde zijn, is die korte omlooptijd van soms een handjevol voorstellingen - 'het zijn er soms wel zestig', corrigeert hij intussen - niet frustrerend?

Bekkers: 'Daarom ben ik zo blij met deze tentoonstelling. Hier is ruimte. Eerdere exposities in Nederland waren veel kleinschaliger. Je ziet in het algemeen toch wel dat de belangstelling voor design groeit. Maar het klopt dat in de theaterwereld de aandacht voor het vak wel eens ondersneeuwt. Het heeft nog altijd iets stoffigs. Het zijn de kleren van zolder. Maar als het applaus klinkt na de eerste voorstelling is het gevoel van voldoening er niet minder om. Samen heb je een eigen wereld neergezet. Iets echts gemaakt.

'Als het ophoudt, heeft het zijn functie gehad. Dienst bewezen, denk ik dan. Naar de opslag. Soms kun je later losse elementen gebruiken. Anders gaan de kostuums de verkoop in. Als het naar een amateurvereniging gaat die Shakespeare doet of zoiets, dan heb ik er geen problemen mee. Waar ik wel moeite mee heb, is als ik mijn ontwerp terugzie op een bloemencorso, of op een praalwagen in een carnavalsoptocht. Het komt voor, ja. Dat doet pijn. Het haalt de waarde onderuit.'

Zo meedogenloos hoeft het niet altijd. Mag Rien Bekkers nog even wijzen op een andere bijdrage in het boek? Ariane Schluter blikt terug op haar rol in Strange Interlude (Het Nationale Toneel). Als Nina Leeds moest ze negen keer van kostuum wisselen. Ze had zich nog nooit zo verleidelijk gevoeld als in Bekkers' halterjurk van satijn. De ontwerper zelf: 'Mooi toch? Daar streef je naar.'

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden