Beeldenstrijd

In 2003 liet criticus Hans den Hartog Jager een bom in fotografenland vallen met zijn opmerking dat fotografen eigenlijk luie schilders zijn. Tien jaar na dato vraagt Rutger Pontzen zich bij de uitreiking van de Dutch Doc Award af wie eigenlijk lui is.

Eerst maar een anekdote. Twintig jaar geleden was ik trainer bij een minuscuul hockeyclubje. Het had zijn velden ergens aan het einde van een landingsbaan bij Schiphol. Een paar keer per week trainde ik daar het dameselftal. Dat elftal had ook een coach. Hij was bestuurder bij Ajax. Aardige vent. Deed iets in zaken en moet daarmee een fortuin hebben opgebouwd, afgaande op het model Audi waarmee hij wekelijks, op zondagmiddag, het parkeerterrein opdraaide.


Op zo'n zondag stonden we een keer samen langs de lijn. Het was zonnig en ons team was aan de winnende hand. Plots zei hij tegen mij: 'Leuk hoor, dat hockeyen, maar het blijft natuurlijk een spelletje. Voetbal is een sport.' Ik stond verbijsterd naar de man te kijken. Waar haalde hij de woorden vandaan?


Voetbal. Ook toen al miste de ene na de andere sterspeler een penalty, omdat je dat niet hoefde te oefenen. Gingen ballen al dan niet over de doellijn, zonder dat iemand op het idee kwam er misschien een camera op te zetten. Terwijl in de hockeywereld al werd geëxperimenteerd met videobrillen. Met nieuwe, onorthodoxe trainingsmethoden. En elke week duchtig werd geoefend op het nemen van strafballen.


Niet bij voetbal. Waarom zouden ze? Het was de grootste en belangrijkste tak van sport ter wereld. Met een rijke geschiedenis. Klinkende namen. Veel geld. Er hing een niet nader te beargumenteren romantiek omheen. Vage sentimenten over voetbal als dé oersport. Reden waarom zoveel liefhebbers er een superioriteitsgevoel aan ontlenen. En blijkbaar anderen de maat mogen nemen. Een 'spelletje'.


Het voorval is me altijd bijgebleven. Ik moest er weer aan denken toen ik werd benaderd een lezing te geven bij de Dutch Doc Award 2013, de prijs voor de beste Nederlandse documentairefotograaf, die gisteren werd uitgereikt. En waarvoor dit jaar zes fotografen waren genomineerd: Kadir van Lohuizen, Hans van der Meer, Ben Krewinkel, Peter Dekens, het duo Robert Knoth en Antoinette de Jong, en Jacqueline Hassink, die uiteindelijk won.


De organisatie van de fotoprijs vroeg me vriendelijk doch dringend een lezing uit te spreken over het vlammende betoog dat NRC-criticus Hans den Hartog Jager precies tien jaar geleden over de fotografie had geschreven. Niet alleen over de kunst- en nieuwsfotografen, ook over het documentaire genre. Vandaar. Den Hartog Jager meende namelijk een trendje te zien. Zijn constatering: er kwamen steeds meer musea die waren gespecialiseerd in fotografie. In al die musea hingen de foto's door elkaar: 'rijp en rot, vernieuwend en modieus'. Hij stoorde zich er vooral aan dat fotografen zich het 'idioom van de schilderkunst' toeëigenden.


Voorbeelden gaf Den Hartog Jager ook. Van World Press Photowinnaars die foto's maakten alsof het schilderijen van Caravaggio waren. Van Tom Hunter die Vermeer imiteerde, Wolfgang Tillmans die moderne varianten maakte van 17de-eeuwse stillevens of Viviane Sassen die in haar 'Magrittefase' zat. Conclusie van de NRC-criticus: veel fotografen hebben blijkbaar een diepgewortelde wens schilder te zijn. Omdat de schilderkunst hun beroep een nieuwe (lees: hogere) status geeft.


Wat een zelfoverschatting, meende de criticus. Fotografen moesten zich niet te veel in hun hoofd halen. In wezen is het een bescheiden, nederig ambacht. Fotografen moeten de werkelijkheid van alledag vastleggen, niet esthetiseren. De echte verbeelding is, volgens hem, namelijk het domein van de 'ernstige, serieuze schilderkunstige traditie'. Niet van de fotografie. Het overnemen van schilderkunstige beelden was, volgens Den Hartog Jager, goedkoop epigonisme dat alleen het sentiment diende, en tot 'semi-artistieke sfeerplaten' zou leiden.


De gemakzuchtigheid waarmee fotografen zich het aura van de schilder probeerden aan te meten, was voor de criticus de reden hen te diskwalificeren als 'luie schilders', zoals de kop boven zijn artikel destijds luidde. Aan alles merkte je dat Den Hartog Jager een pesthekel aan de fotografie had.


Het artikel sloeg destijds in als een bom. Ik herinner me nog goed dat in De Balie, na een discussieavond over Den Hartog Jagers aanval, tot in de late uurtjes werd nagekaart. Veelal door fotografen die zich tot op het bot beledigd voelden - en hun minderwaardigheidscomplex zagen bevestigd, als tweederangskunstenaars.


Blijft de vraag: had Den Hartog Jager gelijk in zijn boude bewering? Antwoord: deels. Wel in zijn constatering; niet in zijn opgewonden verontwaardiging. Veel fotografen ontlenen inderdaad met regelmaat iets aan de schilderkunst. Alfred Stieglitz mocht graag fotograferen met het licht van Turner in zijn achterhoofd. De verstilling in Hellen van Meene's portretten doet sterk denken aan aan een 17de-eeuwse fijnschilder. De heroïek van Delacroix vind je met regelmaat terug in foto's van opstanden en revoluties. Het drama in menig oorlogsfoto lijkt weer op de gravures van Goya.


Op zich is dat begrijpelijk. Toen halverwege de 19de eeuw de fotografie populair werd, keken veel beoefenaars van het nieuwe medium naar wat het oude schildermedium had voortgebracht. Geef ze eens ongelijk. Er was veel van te leren. Over vlakverdeling, lichtinval, de uitbeelding van emotie. Dat ze zich daarmee het aura van de 'ernstige en serieuze' schilderkunst wilden aanmeten, lag voor de hand. De fotografie stond in de kinderschoenen. Niets menselijks was de fotografen vreemd opdat het nieuwe medium zou worden geaccepteerd en gewaardeerd . Het is sindsdien niet meer veranderd.


Het gekke was alleen dat Den Hartog Jager in zijn doldrieste enthousiasme een belangrijke constatering over het hoofd zag - of wilde zien. Namelijk, dat vanaf 1826, toen de eerste foto werd gemaakt, ook andersom, veel schilders van de fotografie hebben gejat. Hoeveel schilders zijn er niet die zich artistiek en compositorisch, wat betreft clair-obscur en kadrering, door foto's hebben laten leiden? Schilders die de hele fotografische trucendoos in verf hebben omgezet. Een vorm van epigonisme die net zo 'gemakzuchtig' is als het verwijt aan het adres van fotografen.


Want laten we wel wezen: zonder de fotografie geen geschilderde straatgezichten van Gustave Caillebotte, met zijn typische lage standpunt, geen snapshotschilderijen van balletmeisjes van Degas, geen Marilyn Monroe's van Andy Warhol, geen pinups uit beduimelde seksboekjes van Francis Picabia, geen op leeftijd geraakte Beatrix van Luc Tuymans, geen pasfotoportret van Mohammed B. van Marlene Dumas; geen Onkel Rudi van Gerhard Richter. Allemaal hebben ze iets gejat dat ze nooit zelf bedacht konden hebben, zonder de inventiviteit van fotografen.


Al met al was de redenatie van Den Hartog Jager niet alleen knap eenzijdig, hij was ook nog eens behoorlijk vooringenomen. Want waarom zou je fotografen wel als 'luie schilders' aan de schandpaal mogen nagelen, maar schilders niet als 'luie fotografen'? Het luie van de redenatie zat 'm in het gebrek aan historische kennis en de eenzijdigheid van zijn denktrant. Het zat 'm vooral ook in de arrogantie die veel schilderijliefhebbers eigen is, namelijk: dat de schilderkunst een buitencategorie is die het vermeende alleenrecht op verbeelding denkt te hebben. Een alleenrecht dat Den Hartog Jager door het kopieergedrag van die verdomde fotografen plots zag verdampen - met een druk op de knop.


Behartigers van de schilderkunst praten namelijk graag vanuit hun grote historische gelijk. Omdat de schilderkunst al meer dan, pak 'm beet, dertig eeuwen bestaat. Omdat schilderijen voor de eeuwigheid worden gemaakt. En omdat die daardoor een onaantastbare positie bezit als de moeder aller kunst. Een religieus aura. Een goddelijke status. Superieur aan alle andere uitingen op het platte vlak.


Bovendien hebben schilderkunstadepten de neiging ook aan het schilderen zelf een religieuze status te verbinden. Dat het maken van een schilderij een goddelijke handeling is. Schilderen als de omvorming van verf en linnen in een al dan niet herkenbaar beeld. En ook: het schilderproces als een langzame, trage en bedachtzame vorm van arbeid. Het zijn voor iedere schilder metafysische handelingen. En inderdaad, ze verwijzen naar de twee belangrijkste religies die het Westen kent: het katholicisme en protestantisme.


Katholieken geloven in de tovertruc om brood in het lichaam van de Christus te veranderen en wijn in zijn bloed. 'Transsubstantiatie' heet dat in de officiële katholieke kerkleer. Schilders vergelijken het graag met de manier waarop ze met penselen en palet, uit verf en linnen, een landschap, portret of stilleven weet op te roepen. Om uit de ongevormde materie welgevormde beelden te maken, zoals de Schepper dat in zes dagen deed.


Het protestantse zit 'm in het ploeteren en lijden. Protestanten werken graag, liefst in het aanschijn Gods, om tijdens hun leven nog een gunstige draai aan hun predestinatie te geven. Is arbeid niet het enige dat een zondig iemand rest, om uitzicht te behouden op het Hemelse hiernamaals? Ook Van Gogh vergeleek zich graag met een ploegende boer. Schilders mogen (katholieke) genieën zijn, ze moeten ook (protestants) hard werken en lijden om het scheppingsproces tot een goed einde te brengen. Daarom wordt een herkenbare penseelstreek zo gewaardeerd: je kunt zien er vele uren zware arbeid in zitten.


Deze religieuze, zo niet goddelijke verwijzingen maken dat schilders (en schilderijenliefhebbers als Den Hartog Jager) zich graag als het uitverkoren volk zien. Gezegend met een superioriteitsgevoel waardoor ze andere kunstdisciplines als inferieur beschouwen. Tekenen? Te petieterig en vluchtig. Beeldhouwen? Juist te veel gezweet (had Michelangelo niet gezegd dat het beeldhouwwerk al in het marmer aanwezig was en het slechts een kwestie van hakken was om het te bevrijden?). Fotograferen? Te gemakzuchtig. Nee, in vergelijking met tekenaars, beeldhouwers en fotografen, wanen schilders zich door God gezonden, lijdende magiërs die voor de eeuwigheid scheppen.


Maar goed, als de fotografie niet katholiek of protestants is, wat dan wel? Wat is, als je het met de religieuze sentimenten van de schilderkunst vergelijkt, de levensbeschouwelijke ondertoon van de fotografie? Als je al een ideologie aan de fotografie kunt verbinden, dan wel deze: het humanisme. Zeker als het gaat over de praktijk van fotograferen, de rol die de fotograaf speelt en het belang van foto's in musea en de media. Hoe een fotograaf zich tussen anderen beweegt. Hoe hij onderdeel van de ruimte is, waarin hij werkt. Dat zijn ooghoogte het verdwijnpunt is. De flexibiliteit waarmee hij met zijn camera manoeuvreert. Zelfs in een foto van het meest desolate landschap voel je dat er ten minste nog een persoon aanwezig is: de fotograaf.


Fotografen staan, anders dan schilders, ín de wereld, niet ertegenover. Ze maken er deel van uit. Rapporteren, registreren of verbeelden de omgeving van binnenuit. Vanuit een menselijk perspectief. Is het toeval dat de fotografie in de 19de eeuw werd uitgevonden? Juist in die honderd jaar waarin, eerst door Kierkegaard en later Nietzsche, God werd doodverklaard. De eeuw waarin religie niet meer het leidende principe was en de mens het definitief overnam.


In die zin sloot de nieuwe techniek naadloos aan bij de maatschappelijke en religieuze veranderingen die in de 19de eeuw in gang werden gezet. Bij de eerste treinen, de overbevolking van de steden, de vervuiling van het landschap, het massatoerisme, de opkomende burgerij die zijn vertier zocht bij paardenraces en het circus.


Wellicht ook daarom dat schilders juist de fotografie zo gretig omarmden. Omdat de fotografie de vinger aan de pols van de tijd hield. Iets introduceerde dat tot dan toe onbekend was. Niet alleen als techniek of beeldoplossing, maar een visie op datgeen waartoe de mens in staat was.


Zoiets kun je moeilijk lui noemen. De enige luiheid zat 'm in de criticus, die met grote stappen snel thuis een pittig statement wilde maken.


Deze tekst is een bewerking van de lezing die Rutger Pontzen uitsprak tijdens de uitreiking van de Dutch Doc Award.


Documentairefotografie


Dit jaar wordt de Dutch Doc Award voor de vierde keer uitgereikt. De Award presenteert zichzelf als 'dé jaarlijkse prijs voor documentairefotografie'. Met een prijzengeld van 20 duizend euro voor de winnaar. Opzet is het stimuleren van de documentairefotografie, die het moeilijk heeft door de dalende oplagecijfers van kranten en tijdschriften, van ouds de belangrijkste afzetmarkt voor dit soort fotografie. Eerder wonnen Paulien Oltheten (2012), Henk Wildschut (2011) en Jeroen Kramer (2010) de prijs. Dit jaar ging die naar Jacqueline Hassink (zie V16).


De Dutch Doc Award 2013 is gewonnen door Jacqueline Hassink met haar project The Table of Power 2. Dit is het tweede deel van een serie die Hassink al in de jaren negentig begon. Hassink reisde door Europa om de, meestal gigantische, vergadertafels van de raden van bestuur van de machtigste bedrijven te fotograferen. Toen de economische crisis uitbrak, besloot ze daar de tafels van de grootste banken en financiële instellingen aan toe te voegen.


De jury van de Dutch Doc Award, met voorzitter Gerrit Jan Wolffensperger, roemt zowel de 'voortreffelijke, op het eerste gezicht afstandelijke fotografie' als Hassinks persoonlijke manier van werken.


Haar objectieve foto's gaan vergezeld van notities en tekeningen over de bestuurskamers en wat daar gebeurt. 'Enerzijds is het bekroonde werk zeer universeel en gaat het over zaken waarover we het dagelijks hebben, maar die zelden zichtbaar voor ons zijn. Anderzijds vertoont het tal van prachtige details, waardoor het zeker geen afstandelijk werk is geworden, maar een sterk sociaal project', aldus de jury.


Merel Bem


De Dutch Doc Award werd woensdag uitgereikt in het Koninklijk Instituut voor de Tropen in Amsterdam. De tentoonstelling met de zeven genomineerde projecten is nog t/m 9/6 te zien in het Tropenmuseum.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden