Beelden uit chaos en benauwenis

Wij leven achter de gordijnen, een afgeschermd bestaan, vond beeldend kunstenaar Francis Bacon. Met zijn schilderijen hoopte hij in elk geval een paar van die schotten weg te nemen....

FRANCIS BACON bewoog zich als een gekooid beest door de chaos in zijn atelier, een kleine ruimte met van klodders verf vergeven muren. De kamer was zijn palet, een schildershol in het Londense South Kensington. Over de vloer slingerden verfomfaaide foto's tussen bergen boeken, uitgeknepen tubes en stof, overal stof. Bacon (1909-1992) putte zijn beelden uit de chaos en de benauwenis. Ze dreven hem naar het schilderslinnen, waar hij ze met afgemeten handomdraaien tot andermans nachtmerrie omsloeg.

De kunstenaar, gespannen tot in zijn opgekamde kuif, mengde stof en verf op zijn doek, in samengebalde taferelen van levend gevilde worstelaars en schreeuwende kadavers, rauwe portretten van zijn vrienden en eigen alter ego. De mens was zijn prooi, de schilder een dompteur van zwarte hartstochten. Hij ontbeende zijn vangst in opgeruimde kamers, soms kooien, op een hotelbed of de wc. Wie in die helle ruimten belandt, is ademend aas, een stoffelijk overschot dat alsnog door zijn instincten wordt verteerd.

'De werkelijkheid is een vluchtige substantie, een spookachtige neerslag. Soms is iemands schaduw tastbaarder dan de mens zelf. De leegte op zijn gezicht wanneer hij dagdroomt, is de leegte van de dood', filosofeert Bacon nu van gene zijde, bij monde van Derek Jacobi, zijn dubbelganger in Love is the Devil. Twee bolle hamwangen, felle ronde ogen en een stijve kuif geven de acteur het aanzien van de kunstenaar. Jacobi heeft zelfs Bacons astmatische kuchje overgenomen, maar de gelijkenis is verraderlijk - al te gevat.

Toen Bacon in 1985 'als grootste levende schilder' geïnterviewd werd door de BBC, deinsde hij er nog niet voor terug een briefje uit zijn jaszak op te diepen, waarop hij die ochtend wat woorden genoteerd had. Of het goed was dat hij ze voorlas, schutterde hij, want zo bondig als het op papier stond kon hij het voor de camera niet verzinnen. Terwijl het toch zo simpel was. Gevraagd naar de herkomst van zijn gewelddadige naakten, vatte Bacon aldus zijn werkwijze samen: 'Ik wil de realiteit niet illustreren, maar concentreren.'

In zijn schilderijen liet hij het verhaal achterwege. Herinneringen aan de oorlog, het bloederige einde van varkens in het slachthuis, fatale liefdes en andere ongevallen in het menselijk verkeer: wie daar naar zocht, kon de kranten erop naslaan. Bacon puurde uit de wisselende omstandigheden telkens dezelfde sensatie, ieders levenslot, van zijn geboorte tot zijn dood - een redeloze collaps van wellust en ademnood.

Hij stuitte erop zonder te zoeken, net als Picasso, die hij bewonderde om zijn drift de realiteit opnieuw uit te vinden, zodat zij echter werd dan echt: een onthullende omvorming van de schijn. Bacon bestudeerde Van Gogh, Velázquez, Rembrandt en de sacrale kunst - de figuratieve traditie. Wanneer hij naar Cimabue's Crucifix (1272/4) keek, zag hij het lichaam van Christus 'als een worm kruipend over het kruis.' Geen abstract beeld kon dat drama evenaren.

Bacon was verslaafd aan de suggestieve rijkdom in een laag olieverf, maar ook aan de feitelijke inventarisatie van mondziekten in een geneeskundig handboek. Verrukkelijk: al die tinten rood, peilloos geschakeerd in één glinsterend gat. En verschrikkelijk: diezelfde malse holte, door donkere zweren besmet. Met de schoonheid van dat bederf impregneerde hij zijn schildersdoek. Bacon schraapte zijn figuren, plastisch als die van Michelangelo, de vellen van het lijf.

'Wij zijn natuurlijk vlees, potentiële karkassen. Als ik een slagerij inloop, overrompelt de gedachte me: dat ik daar niet hang in plaats van het beest. Nu er geen conventies meer gelden, rest kunstenaars het eigen gemoed te verslaan, op zijn best in een acute benadering van het zenuwstelsel,' zei hij tegen David Sylvester, zijn interviewer door de jaren heen. En: 'Wij leven achter de gordijnen, een afgeschermd bestaan. Ik denk wel eens, als mensen zeggen dat mijn werk er destructief uitziet, dat het me in mijn optimistische wanhoop gelukt is, een paar van die schotten weg te nemen.'

Love is the Devil doet het tegenovergestelde. Regisseur John Maybury trekt een façade op. Met technische trucs worden lichamen en gezichten verwrongen, zoals in Bacons schilderijen, maar nu ter illustratie van de handel en wandel van de kunstenaar zelf, in de kroeg of het casino. De maskerade reduceert zijn werk tot een decor, de achtergrond van een rellerig exposé over Francis Bacon de bohémien, die praatjes bij plaatjes verkoopt en zijn minnaar George offert op het altaar van de roem.

Bij vlagen is de film oprecht excentriek. Zeker in de openingsscène, als het publiek nog niets vermoedt van het groteske vervolg, en plompverloren door het dakraam in Bacons tweekamerwoning valt, pal in zijn overvolle atelier. Daar strompelt het rond in het donker, met de dief George Dyer (Daniel Craig), maar al ras gadegeslagen door de schilder. Bacon fixeert de inbreker met een koud oplichtend oog, maakt dan een snelle som: 'Ga mee naar bed en je krijgt alles wat je wilt.'

En verdomd, hij heeft beet. Zo snedig zou de kijker ook wel willen zijn; wegdromend in zijn veilige positie wenst hij zichzelf zo'n atletische overvaller om die tekst op te beproeven. Intussen ontpopt Bacon zich tot een genadeloze cynicus die steevast even ad rem reageert. In bed onderwerpt hij zich aan zijn partner, daarbuiten vernedert hij hem, bijgestaan door zijn drinkebroers. Of zuipzusters. Want zijn gekunstelde vrienden zijn allemaal 'meiden onder mekaar', opgedirkte homo's en lesbo's die hun sterallures uitleven aan de bar van The Colony Room.

'Welcome to the concentration of camp', kraait Bacon, als hij de nachtclub instapt met zijn nieuwe verovering. 'Stel je zelf even voor', voegt hij Dyer toe. En luid rondom: 'George is een beetje verlegen.' De gemankeerde dief slaagt er niet in zijn eer hoog te houden. 'Stom als een ezel en nog veel saaier', noemen ze hem achter zijn rug. 'Maar groot geschapen.' Die belediging gaat ook ten koste van Bacon, en dus te ver. Kalm leegt hij de zoveelste door hem aangerukte champagnefles op het hoofd van de grapjas: 'Voor mijn vrienden bubbels, voor mijn vijanden trubbels.'

De verfilming van Bacons leven beperkt zich tot één episode: zijn relatie met George Dyer, van 1964 tot Dyers zelfmoord in 1972. De kwaadaardige samenvatting suggereert dat Bacon zijn partner uitholde. De schilder bruskeert Dyers toenadering tot de verwaande kunstkliek, negeert zijn moedeloze vlucht in drank en drugs en wuift met verwijfde gebaren de dreigende zelfmoord weg. Komt iemand hem waarschuwen dat Dyer in de dakgoot balanceert, zegt Bacon: 'U wenst dat ik hem een duwtje geef?'

George had het kunnen weten. Hij voorvoelt het in zijn nachtmerries en het was hem verteld, de ochtend na hun eerste treffen. Toen sprak Bacon de omineuze woorden: 'Misschien heb ik je nog eens nodig voor een schilderij.' Zo geschiedt. Het lustobject verliest zijn levenskracht aan de meesterwerken van het kwade genius. Deze tweeslag, Bacons vitale artisticiteit versus zijn dodelijke liefde, zou pas echt duivels zijn geweest, wanneer Love is the Devil niet alleen het verval, maar ook de wrede winst daarvan in beeld had gebracht.

In de angstdromen van George gebeurt het, soms. Overigens doen Bacons schilderijen dienst als triviale rekwisieten. Letterlijk: als George 's nachts zijn bed uit moet, pist hij abusievelijk een pas geschetste toiletpot onder. In werkelijkheid heeft Bacon het overlijden van zijn vriend, op een hoteltoilet daags voor de opening van een eervolle expositie in Parijs, gememoreerd in monumentale drieluiken: bij uitstek schilderijen die de mens laten zien in zijn naakte eenzaamheid achter het scherm.

Love is the Devil waagt zich niet in die gevarenzone. John Maybury, die eerder videoclips regisseerde en de aankleding verzorgde van films door Derek Jarman, heeft zich verlekkerd aan het imago van de kunstenaar, het notoire drankorgel en de onverbeterlijke gokker. Hij geeft zijn versie van dat imago, voos, conform de titel van de scabreuze biografie The Gilded Gutter Life of Francis Bacon. Vrij vertaald: Bacons Vergulde Wegwerpleven. Als betrof het Andy Warhol.

Wie daar naar uitziet, geniet. Vooral wanneer Jacobi alias Bacon zich opmaakt om uit te gaan: hij schrobt zijn tanden met Vim en kleurt zijn grijzende slapen bij met schoensmeer - een vergulde vondst. Love is the Devil viert het carnaval. Naar verluidt wist Jacobi zijn performance in The Colony Room zo ver door te voeren dat de nachtvlinders aldaar tranen van geluk huilden om de wederopstanding van de kunstenaar. Ook die anecdote spiegelt de gladde schijn van Love is the Devil.

Francis Bacon beleed voor de televisiecamera's gepassioneerd zijn blijmoedige wanhoop, met een grom in zijn stem, brandende ogen en vuistslagen in de lucht: 'Ik ben optimistisch over niets, optimistisch van nature, maar uit ervaring optimistisch over niets, helemaal niets.' Als Derek Jacobi vergelijkbare woorden in de mond neemt, is de passie eruit verdwenen. Hij verwijst de tragedie naar de goot, wuft, maar bikkelhard, een liefdesduivel in een nihilistisch rollenspel.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden