Beeldbommen

Fotograaf Eddy van Wessel heeft zijn beste werk gebundeld. De beelden uit conflictgebieden zijn bijna te vreselijk om aan te zien. Wat is hun belang?

Het werk van fotograaf Eddy van Wessel is kortweg te omschrijven als een voortdurend betreden van de hel en zich daaruit terugtrekken terwijl de vlammen al aan zijn hielen likken. Met een in formaat bescheiden, onopvallende Leica-camera als oog kijkt hij in het rond. Hij klikt bij de verschrikkingen waarmee hij wordt geconfronteerd en getuigt, eenmaal ontsnapt aan het inferno, van wat hij heeft gezien door zijn foto's te publiceren. Drie vragen dringen zich bij die - sterk gesimplificeerd samengevatte - werkwijze van Van Wessel (48) telkens op. Welke betekenis heeft deze vorm van getuigenisjournalistiek nog? Wat doen zulke foto's met mij? En: over hoeveel levens beschikt deze fotograaf?


Aangenaam is het zelden, het boek The Edge of Civilization (de rand van de beschaving) bekijken waarin Van Wessel zijn sterkste werk, vanaf 1995, heeft samengebracht. Tsjetsjenië, Afghanistan, Irak en Syrië zijn de landen die hij langdurig en veelvuldig heeft bezocht. Daar zag hij wat de strijd voor en tegen onafhankelijkheid, voor en tegen dictatuur, wat oorlog tegen terrorisme en jihad betekent voor gewone burgers. Niet alleen voor hen, overigens: ook te midden van zwaarbewapende strijders beweegt de fotograaf zich met ogenschijnlijk gemak. Wat hij aantreft bij de burgers en hun veronderstelde bevrijders? Saamhorigheid, kameraadschap, puinhopen, uitzichtloosheid en een immense hoeveelheid leed.


Zwart-wit is het stijlkenmerk van Van Wessel, die werd geboren in Huizen en sinds begin jaren negentig fotografeert voor Trouw, Vrij Nederland en Washington Post Magazine. Het is een eigenzinnige keuze in een tijdperk waarin kleurendruk in kranten de gewoonste zaak van de wereld is geworden. Zoals ook de keuze om met kleinbeeldfilm te fotograferen in plaats van de alomtegenwoordige digitale technieken te omarmen getuigt van een koppig en bewonderenswaardig zelfbewustzijn. Het gebruik van film, legt Van Wessel in het boek uit, impliceert zuinigheid omdat er maar 36 opnamen op een filmpje passen. Zuinigheid maakt concentratie noodzakelijk en zo komt Van Wessel tot zijn beste werk. Digitale fotografie staat daar in zijn visie haaks op: je kunt oneindig, kosteloos blijven klikken en dat gaat ten koste van de samengebalde aandacht die nodig is op cruciale momenten dé foto te maken die nieuws toont of inzicht verschaft in een complexe situatie.


Altijd van dichtbij, nooit met de telelens fotografeert Van Wessel en daardoor voel je je als toeschouwer nauw betrokken bij de mensen op zijn foto's. Of het nu een echtpaar is in Sjali, Tsjetsjenië, dat met de moed der wanhoop aan het ruimen is geslagen in hun door een granaatinslag verwoeste huis, of een strijder op de operatietafel in Aleppo, Syrië, zo te zien kort nadat hij de laatste adem heeft uitgeblazen. Van nabij ervaar je als toeschouwer de belegering bij ochtendgloren van een dorpje in Noord-Irak door antiterreurbrigades. Bijna vertrouwd voel je je met de vriendelijk ogende strijder in Sjali die zijn kameraden begroet, vrolijk als een kind zwaaiend met zijn knuist, in de andere hand een vervaarlijk geweer.


Van Wessel heeft het vermogen empathie te wekken met zijn onderwerp - met weerlozen als bejaarden en kinderen in het bijzonder. Dat hij zelfs bij meedogenloze strijders, tenslotte ook maar het voetvolk van het slagveld, de warm menselijke trekjes weet te ontdekken, wekt bewondering. Hij laat ons zien dat conflictsituaties nooit overzichtelijk zijn, nooit een strijd simpelweg tussen goed en kwaad. Dat kan de toeschouwer in verwarring brengen, omdat ook diens (voor)oordelen erdoor gaan wankelen.


Tegelijk toont Van Wessel aan dat de consequenties van de gewelddadige conflicten in hun alomvattendheid meestal overzichtelijk zijn: het menselijk leed is enorm en bij de aanblik daarvan is ieder slachtoffer, voor de duur van zijn lijden, gelijk. Kijk maar in de opengesperde ogen van de jongen die in Aleppo een noodhospitaal wordt binnengebracht, het lichaam vol granaatscherven. Voor de duur van het kijken verdwijnen vragen over zijn betrokkenheid bij oorlog, zijn schuld of onschuld naar de achtergrond en deel je zijn benauwdheid waarvan hij door een insnijding in de luchtpijp moet worden verlost. Deze foto maakte deel uit van Van Wessels serie uit Syrië die werd bekroond met de Zilveren Camera in 2012.


Van Wessel bedrijft het soort fotojournalistiek dat, door teruglopende budgetten en verminderde afzetmogelijkheden (een afnemend aantal gedrukte media) een zeldzaamheid dreigt te worden. De vasthoudendheid waarmee hij conflictgebieden opzoekt, dwingt respect af, maar roept ook continu vragen op. Zoals: is het eigenlijk wel nodig dat hij telkens weer die risico's van frontbezoeken neemt, nu de foto's en filmpjes van getuigen, strijders en slachtoffers op het slagveld via YouTube vrijwel live wereldwijd te zien zijn? Weinig beelden uit 2013 maakten zo veel indruk als die van in Syrië stuiptrekkende slachtoffers van een gifgasaanval. En weinig is dreigender dan de foto's (nu te zien in uitvaartmuseum Tot Zover in Amsterdam) van mobieletelefooneigenaren die hun lensje richtten op mannen met hun geweer in de aanslag. Een tel nadat ze de opnameknop hadden ingedrukt, joeg hun onderwerp ze een kogel door het hoofd.


Het antwoord op de vraag welke betekenis fotografie als die van Van Wessel anno 2014 heeft, is niet af te doen met de dooddoener dat 'de wereld moet zien wat er gebeurt'. Dat moge zo zijn, maar het feit dat de wereld de gruwelen 'moet zien' betekent niet dat ze er naar kijkt - ook van Syrië wordt de blik immers vaak afgewend. De lezers van het soort media waarin Van Wessel publiceert - door de bank genomen weldenkende, progressieve burgers - hoeven niet te worden overtuigd van de gruwelen van geweld. En niemand zal The Edge of Civilization aanschaffen die al niet bij voorbaat enigerlei solidariteit of betrokkenheid voelt bij de verdrukten op Van Wessels foto's.


Wat is dan wel het belang? Uiteindelijk zijn het de alledaagse, onvergankelijke journalistieke uitgangspunten die de doorslag geven. Alleen door zijn onafhankelijke opstelling - het nadrukkelijk ontbreken van propagandistische beeldtaal, het steeds opnieuw twijfel zaaien over 'de waarheid' bij de toeschouwer - weet de fotograaf zijn geloofwaardigheid te bewaren. Daarbij heeft Van Wessel het talent om in één foto de complexe gevolgen van een conflict zichtbaar te maken. Neem zijn foto uit Kirkuk, Noord-Irak, kort na de val van Saddam Hussein. Op de voorgrond ligt het lijk van een man (zonder hoofd). In de verte woedt brand. Mensen passeren de dode op straat met alles wat maar rijden kan (kiepkar, ziekenhuisbed op wielen, auto), volgepropt met geplunderde tv's, matrassen, diepvrieskisten. Oorlog, hebzucht, armoede, onverschilligheid voor de dood (en de dode) - juist door de combinatie van dat alles blijft de foto je in al zijn wrangheid bij.


Het ontbreken van kleur in Van Wessels werk is veel meer dan een manier om het een klassieke, tijdloze uitstraling te geven. Het is bij dit soort foto's bijna noodzaak, omdat het de toeschouwer helpt níét weg te kijken van de gruwel van verbrijzelde, bloedende ledematen, schreeuwende gewonden, onder beton bekneld na het afgaan van een bermbom. Het voelt als een vorm van genade dat de aanblik van mensenvlees en bloed in full colour je bespaard blijft: zwart-wit als ontsnappingsclausule.


Als het allemaal bijna te vreselijk is om aan te zien, waarom leg je dit boek dan niet gewoon weg? Het is een logische vraag, maar op de een of andere manier lukt dat niet zo makkelijk. De foto's dringen zich aan je op en kerven zich in je bewustzijn. Onaangenaam, ja, en toch hecht je je eraan. Ze verankeren het besef dat het kwaad overal kan opduiken en dat, ook dicht bij huis, ook daadwerkelijk doet. Dat is misschien een neerslachtig makende wetenschap, het is nog altijd beter dan leven in onwetendheid.


Rest de vraag waarom Van Wessel zichzelf opzadelt met de taak de grenzen van de beschaving op te zoeken en er getuige van te zijn hoe die grens keer op keer wordt overschreden. Hoewel er teksten in het boek zijn gewijd aan zijn werkwijze, zijn diplomatie vergende omgang met de strijdende partijen, zijn ontberingen en avonturen en de weerslag van zijn riskante beroep op zijn gezin, blijven zijn diepste drijfveren in nevelen gehuld. In een tekst wordt gerefereerd aan ego en ambitie van journalisten in oorlogsgebieden, aan de existentiële kick en adrenaline van werken in gevaar.


Soms omzeilt Van Wessel zulke clichés en legt hij uit wat hij dacht toen hij te midden van de slachtoffers stond van een bomaanslag in Irak. Uit het boek: 'Ik moest bijna kiezen tussen een leven en een foto. Maar de doden waren morsdood en de lichtgewonden werden snel weggetrokken. Het is een van mijn grootste angsten, dat ik echt een keer voor die keus sta. Wat ben ik dan? Een hulpverlener of een fotograaf? Eigenlijk hoop ik dat ik dan de camera over mijn schouder gooi en ga helpen. Maar dat kan ik mezelf niet garanderen. (...) Voor mij is de balans er als de foto's gepubliceerd zijn. Ik neem een stukje van hun leven en geef dat door, als een soort glijbaan. (...) Mijn gevoel leg ik vast in m'n foto's en als jij het gezien hebt, wordt de emotie voor mij minder. (...) Alles wat ik gevoeld, geroken, gehoord en gezien heb moet op die platte foto. Alles gaat voorbij, dit moment is voorbijgegaan, maar omdat ik het gefotografeerd heb, is het ook voor eeuwig. Dat is de verdieping die ik zoek. Dat is mijn jacht.'


Zulke uitspraken verklaren niet waarom hij bereid is het risico te lopen zijn leven te verliezen voor zijn werk. We hoeven dat ook niet per se te weten. We lezen dat hij met zijn werk haakt naar de eeuwigheid - een uitspraak die altijd het risico van grootspraak in zich draagt - de eeuwigheid is immers groot en lang. Het zij hem vergeven: Van Wessel maakt foto's die beklijven, hoe deprimerend, ja verstoken van hoop ze ook zijn.


Extra: Ruiter

The Edge of Civilization van Eddy van Wessel kost 44,50 euro (inclusief verzendkosten) en is te bestellen op edgeofcivilization.com. Op verzoek signeert de fotograaf het boek.


Op het omslag staat een foto afgedrukt van een Tsjetsjeense ruiter die controleposten vermijdt op de wegen bij de grens tussen Georgië en Tsjetsjenië. Van Wessel maakte de foto in november 2002 in de Georgische Pankisi-vallei.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden