Bee Gees in alle hoeken en gaten

De meisjes die voor de deur van het Londense Palladium-theater een glimp willen opvangen van 'Tony' waren nog lang niet geboren toen de film 'Saturday Night Fever' een hit was....

DE NIEUWSTE rage in het Londense theaterdistrict West End is het maken van foto's in de Night Fever-pose: de ene arm strak in de lucht, de andere losjes op de heup, de knieën geknikt, de benen ietsje gespreid. Het is de pose die in 1977 wereldberoemd werd door de toen volslagen onbekende acteur John Travolta. Met zijn uitdagende houding sierde hij de poster van de film en de hoes van de plaat Saturday Night Fever.

Aan de zijkant van The London Palladium hangt een enorm billboard met daarop het beroemde beeldmerk van Saturday Night Fever, maar dan in een eigentijds jasje. De film uit 1977 is namelijk een musical geworden. Na afloop van de voorstelling stroomt het publiek bij het billboard samen om foto's te maken. Vooral mannen van rond de veertig nemen de Night Fever-pose aan, terwijl hun vrouwen de camera bedienen. Waarschijnlijk hebben ze elkaar twintig jaar geleden in de disco ontmoet, dansend op Stayin' Alive of zwijmelend op How Deep is Your Love.

Het zijn een paar van de Bee Gees-songs uit de film die een tijdperk markeerde: Saturday Night Fever van regisseur John Badham werd hét symbool van de disco-rage. John Travolta speelde de hoofdrol van de negentienjarige Brooklyn-boy Tony Manero die in een verfwinkel werkte en thuis woonde met vastgeroeste ouders op de bank. Pas op zaterdagavond voelde hij wat het echte leven was. Dan ging hij uit dansen in de plaatselijke discotheek, waar hij met zijn razendsnelle benen de jongen was om wie alles draaide.

In de voortdurende poging van theaterproducenten steeds weer nieuwe musicals te bedenken, is na twintig jaar het filmscript van Saturday Night Fever voor het theaterpodium bewerkt. Dinsdag vond in Londen de wereldpremière plaats. John Travolta bleek ineens een veel jonger broertje te hebben die de draad gewoon oppakte. Alsof er niets was veranderd, trok hij zijn witte pak aan, kamde hij zijn haren glad, haalde hij even zijn broek op om het hele zaakje recht te trekken en stapte de dansvloer op van 2001 Odyssey, de discotheek waar hij één avond in de week Brooklyns eigen Fred Astaire was. En ja hoor, daar was ze weer, de bakvis die hem op de dansvloer spontaan zoende en verrukt uitriep 'I just kissed Al Pacino'

De nieuwe Tony Manero heet Adam Garcia. Hij is een Australisch musicaltalent dat in Londen op dit moment het idool van opgewonden meisjes is. Na afloop van de voorpremière in The London Palladium keken piepjonge fans bij de stagedoor reikhalzend uit naar de nieuwe Tony, niet wetend dat er ooit een andere Tony had bestaan. Ze waren toen niet eens geboren, en John Travolta, dat is toch die groezelige acteur uit Pulp Fiction?

Adam Garcia is knapper en gladder dan Travolta, heeft zelfs een kuiltje in de kin, maar mist die onpeilbare blauwe ogen en die wat lepe blik. Adam is met zijn soepele, getrainde lijf en zijn donkere ogen een echte held van de jaren negentig. Een schatje zogezegd, geen macho en ook geen doetje. Hij is, kortom, de ideale artiest voor een musicalproducent die wil verdienen.

In dit geval dus voor Robert Stigwood, die in 1977 de plaat en de film Saturday Night Fever produceerde en nu de musical. In feite wordt Stigwoods hele bestaan bepaald door dat ene product dat hij op een slimme manier tot op de bodem weet uit te putten. Want dat de musical in Londen en daarna ook elders een groot succes zal worden, staat vast. Adam Garcia is de charismatische stage-Tony, die één ding fabuleus kan: dansen. Garcia is zeker geen groot acteur en zelfs een uitermate beperkt zanger, maar wat een gouden benen heeft die jongen en hoe superieur zet hij met zijn danskunst drieduizend enthousiaste mensen naar zijn hand.

De musicalversie van Saturday Night Fever is dan ook vooral een dansmusical, een perfect geproduceerde, bijna gelikte show zonder scherpe kantjes. Het sociale aspect dat de film boven het obligate boy meets girl-verhaal deed uitstijgen, is hier nagenoeg verdwenen. In de film spelen toen onbekende acteurs personages uit het dagelijks leven in de grote stad. Een van hen is Tony Manero, een gewone jongen die opgroeit in een gewoon gezin. Zijn broer is priester en dus de trots van de familie, terwijl Tony al blij mag zijn met een salarisverhoging van vier dollar. En met de aandacht van de meisjes uit de buurt die allemaal net iets te dik zijn.

Maar op zaterdagavond wordt hij overvallen door een roes, de night fever, de koorts van de disco - Disco Inferno, You Should be Dancing. Op de dansvloer leert hij Stephanie kennen, die anders is dan de andere meisjes: mooier, mondainer, ambitieuzer ook. Stephanie wil verhuizen van Brooklyn naar Manhattan, want als je eenmaal een appartementje in Manhattan hebt, wordt het leven vanzelf beter.

Aan haar trekt Tony zich op, met haar wil hij die nieuwe wereld in - de Brooklyn Bridge als de route naar het paradijs. Maar hij zal die brug nooit overgaan, dat voel je van meet af aan. Tony's grootste heldendaad zal altijd het winnen van de jaarlijkse danswedstrijd in 2001 Odyssey blijven. Meer nog dan de verfwinkel en het gezin vormt Tony's vriendenclub zijn sociale context. Met zijn maatjes drinkt hij bier, loopt hij achter de meiden aan en zwerft hij door de straten van Brooklyn.

Saturday Night Fever, the Musical volgt slechts in grote lijnen de ontwikkelingen van de film. De scènes in het ouderlijk huis zijn flink ingekort en zijn niet meer dan couleur locale. Het acteren in die toneelstukjes is bovendien zo overdreven dat elke nuance verloren gaat. Musical-acteren is vaak overdreven, maar deze spelers menen met een zaal vol minderbegaafden van doen te hebben. Tony's vrienden lijken eerder brave padvinders dan de binken die in een handomdraai een leuke meid versieren. Een van hen, Bobbie C., heeft zijn vriendinnetje zwanger gemaakt en moet nu kiezen tussen huwelijk of abortus. Simon Greiff speelt die rol alsof hij het eerste deel van Arendsoog nog niet uit heeft. Gelukkig mag hij wel een sterk gedramatiseerde versie van het Bee Gees-nummer Tragedy zingen en dat doet hij fantastisch.

Saturday Night Fever moet het dus volledig hebben van de muziek en de dans. De oorspronkelijke liedjes van de broertjes Gibb zijn op slimme manier in de musical verwerkt, en aangevuld met andere Bee Gees-hits. In de film diende die muziek vooral als gangmaker en sfeerbepaler in de discoscènes, in de musical worden de liedjes gezongen om de gevoelens van de hoofdrolspelers nader toe te lichten. The Bee Gees hebben voor de gelegenheid een paar nieuwe ballads geschreven die, voorzien van tamelijk vette arrangementen, tot in de nok van het immense theater doorgalmen.

De ontwerpers hebben gretig gebruik gemaakt van de clichés van de jaren zeventig: schoenen met plateauzolen, broeken met wijde pijpen, halflang haar voor de jongens en Carmen krulset-kapsels voor de meisjes. In de discotheek domineert een overweldigende paars, roze en oranje glittering. Zoals The Phantom of the Opera zijn neervallende kroonluchter heeft, Miss Saigon zijn helikopter en Joe zijn vliegtuigen, zo heeft Saturday Night Fever het plafond van de discotheek dat als een ruimteschip met veel toeters en bellen uit de nok van het theater neerdaalt. Het is overigens het enige knaleffect in een technisch vrij sobere musical.

Ronduit enerverend zijn de dansscènes, niet alleen die van Adam Garcia, maar ook die van het ensemble. In een Nederlandse productie zou men al tevreden zijn met twintig dansers, hier staan er bijna vijftig op het podium, en allemaal van topniveau. Op de verlichte vloer van 2001 Odyssey zijn individuele hoogstandjes te zien en opzwepende groepsdansen. Het publiek raakt naar het einde toe steeds meer in vervoering, en in de finale verandert The London Palladium in één kolkende, swingende massa die Stayin' Alive meejoelt - inderdaad, those were the days.

Iedereen beleeft deze avond een stukje van zijn jeugd opnieuw. Saturday Night Fever, the musical is in wezen één grote golf van prettige nostalgie en heeft niets met de night fever van het moderne Londen te maken. Die fever laat zich vooral gelden in en rond de fancy clubs van Soho en Covent Garden, de hippe buurten van deze stad die steeds hipper wordt, maar ook steeds opgefokter. Het is er tot diep in de nacht bijna angstaanjagend druk en er staan lange rijen voor de discotheken waar de muziek van The Bee Gees al twintig jaar niet meer is te horen.

Catch the Fever!, roepen de reclameborden van deze nieuwe hitmusical. Het zullen vooral de mannen en vrouwen van boven de veertig zijn die zich aan deze koorts overgeven. Er zitten weliswaar tieners in de zaal, maar de meesten mochten met hun ouders mee. Musicalbezoek in Londen is voor jongeren trouwens veel te duur; een kaartje voor Saturday Night Fever kost 120 gulden.

Voor zes gulden is in elke videotheek de film Saturday Night Fever te huur. Zo vrolijk je uit The London Palladium komt, zo stil word je van de film. De tijd heeft de herinnering aan Tony Manero roze gekleurd, je denkt aan hem als de vlotte bink op de dansvloer. Maar bij het terugzien van de film is hij vooral een jongen die door niemand wordt begrepen. Aangrijpend is het moment waarop hij bijna wanhopig kijkt naar zijn collega's in de verfwinkel die al vijftien jaar dag in dag uit dezelfde vakken met dezelfde blikken vullen. In één enkele seconde realiseert Tony zich dat in die winkel ook zijn toekomst ligt en dat er een dag komt dat zijn benen niet meer willen. De roes van de zaterdag zal dan voorgoed verdwenen zijn.

De film blijkt met terugwerkende kracht een meesterwerk, waarin de muziek van The Bee Gees en zelfs het dansen van Travolta worden weggeduwd door de harde realiteit van dit leven in de grote stad. De afkeer van Tony's vrienden voor iedereen die gekleurd en anders is, de expliciete en kille seksscènes, de speedpillen, de zelfmoord van de te aardige Bobbie C. - het is allemaal van een grote troosteloosheid.

De jongenskamer van Tony is de uitvalsbasis voor zijn leven. Ondeugend blijft de camera even steken bij de poster van Farrah Fawcett waarop een vlekje opgedroogd sperma zit, een detail dat in de bij nader inzien wel erg brave en schoongepoetste musical ontbreekt. In deze kamer trekt Tony een keer per week zijn werkpak uit en zijn danspak aan. Tussen die twee pakken in durft hij zichzelf heel even voor de spiegel te bewonderen, slechts gekleed in een zwarte slip; 'Lijk ik echt op Al Pacino?'

En hij maakt zingend een vreugdedansje voor de spiegel, niemand die het ziet. Maar iedereen heeft inmiddels wel gezien dat er maar één Tony is en die Tony heet Travolta.

Saturday Night Fever, the musical. Dagelijks om 19.30 uur in The Londen Palladium, Argyll Street, Londen (tel. 00-44-171-4945020).

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.