Bedrog, paalwormen en Akademie-mensen

Behoedt uzelf en uw gezin, uw personeel, uw vee en uw gewas, luidden de wervende slogans. Verlos iedereen van ziekte en dood en schaf een kastje aan tegen aardstralen....

ERIC HENDRIKS

Begin jaren vijftig was Nederland in de ban van de theorie van de aardstralen, gepopulariseerd door de Wassenaarse zakenman J. Mieremet. In het hele land - vooral op het platteland - gingen de kastjes die de kwalijke stralen zouden uitschakelen grif van de hand. Het waren omhulsels met uiteenlopende inhoud: een stukje daklood, een buisje slaolie, of een flesje inkt, wat de handelaar maar verzon.

Toch schaften de ministeries van Justitie en van Economische Zaken aardstralenkastjes aan ter bescherming van hun ambtenaren. Het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen verleende subsidie. De Hoge Raad bevestigde de vrijspraak van een kastjesverkoper die was aangeklaagd wegens kwakzalverij.

Goede raad was nodig. Daartoe vormde de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in 1951 de Commissie voor Onderzoek van Wichelroede en Aardstralen. Haar research duurde aan paar jaar en mondde uit in een even lijvig als vernietigend rapport: aardstralen bestaan niet.

Met nauwelijks verholen trots en plezier vertelt de historicus prof. dr. Peter Klein dit verhaal in het boek Een beeld van een academie, dat de KNAW uitgeeft ter gelegenheid van haar 190-jarig bestaan. Het is een rijk geïllustreerd, uitstekend vormgegeven werk met 190 kleine verhaaltjes - voor elk jaar één - uit de geschiedenis van de KNAW, ingedeeld in vier periodes en aangeleverd door veertig auteurs.

Lodewijk Napoleon, koning van Holland, wenste van Nederland een eenheidsstaat te maken en in het Koninklijk Instituut van Wetenschappen, Letterkunde en Schoone Kunsten, dat hij in 1808 oprichtte, zag hij een middel daartoe, schrijven de samenstellers. Geleerde Nederlandse notabelen als Jean Henri van Swinden en Willem Bilderdijk wilden wel meedoen, omdat naar hun mening het volk verheffing behoefde.

Of de academie veel heeft verheven, is niet uit het boek op te maken; beschermen tegen bijgeloof en bedrog deed ze dus wel. Soms tegen vervalsing uit eigen kring. In 1874 besloot de academie-afdeling Letterkunde af te zien van een onderzoek naar een runenhandschrift dat in het Oud-Fries zou zijn gesteld en uit de zesde eeuw voor Christus zou stammen. De geleerden geloofden daar niets van en vonden een onderzoek overbodig. Hun mede-academielid Eelco Verwijs had het handschrift gemaakt, luidde hun ernstige verdenking.

Dit intermezzo ten spijt, is de academie altijd een keurig gezelschap geweest dat naar de buitenwereld toe vooral optrad als adviseur. Over remedies tegen de gevreesde paalworm bijvoorbeeld, waarop een adviescommissie van de academie rond 1860 jarenlang studeerde om uiteindelijk het antwoord te krijgen van Urker vissers: creosootolie - teerstroop - op het houtwerk helpt. Een andere commissie moest in 1896 uitzoeken of eenzaam opgesloten gevangenen stiekem toch met elkaar konden communiceren. Niet via muren en ramen, wel via leidingen en schachten, rapporteerden de adviseurs, onder wie de latere Nobelprijswinnaars Van der Waals, Lorentz en Kamerlingh Onnes.

Adviescommissies te over in Een beeld van een academie, maar het boek handelt toch vooral over personen: academieleden en hun werk. Dat levert niet zelden aardige portretjes op. Bijvoorbeeld van evolutiebioloog Hugo de Vries (1848-1935), wiens voorgeslacht voor een groot deel uit wetenschappers bestond en van Johan Diderik van der Waals (1837-1923), die kon bogen op een zuiver proletarische afkomst. Het tragische leven van de gortdroge, onderdanige wiskundige Jacob Badon Ghijben (1798-1870) komt aan de orde, docent aan de Militaire Akademie in Breda, die daar werd vernederd omdat hij academicus noch militair was.

Natuurlijk gaat het boek ook over Eugène Dubois (1858-1940), de ontdekker van de Java-mens, en Heike Kamerlingh Onnes (1853-1926), die in 1908 in Leiden de koudste plek op aarde creëerde, zodat helium voor het eerst vloeibaar werd. Des te merkwaardiger is het dat er niets staat over het werk van iemand als de fysicus Hendrik Casimir (1909), nota bene ex-president van de KNAW. We komen trouwens überhaupt weinig te weten over de huidige leden van de academie: het laatste stuk van het boek wordt voor een te groot deel in beslag genomen door institutionele kwesties.

Ook als het daar niet over gaat, zijn nogal wat teksten in Een beeld van een academie lastig te verteren. Deze bijdragen zijn niet bepaald sprankelend geschreven en/of missen te veel basisinformatie, waardoor lezers tussen de regels moeten zoeken naar de ware toedracht. Het heeft bij de samenstelling op veel plaatsen ontbroken aan voldoende redigeerwerk.

Dit alles helpt niet erg om de onbekendheid en het imago van saaiheid te doorbreken die aan de KNAW kleven. In 1937 klaagde de chemicus Ernst Julius Cohen (1869-1944) in een rede dat je Amsterdamse taxichauffeurs maar beter niet kunt vragen naar de KNAW te rijden - alleen als je het adres Kloveniersburgwal 29 noemt, weten ze de weg. Je hoeft daarentegen een Fransman niet uit te leggen wat de Académie française is of een Engelsman waar 'Royal Society' voor staat, betoogde Cohen.

Maar over tien jaar is er voor de KNAW een prachtige gelegenheid voor revanche.

Eric Hendriks

P. W. Klein e.a.: Een beeld van een academie

Edita KNAW; * 35,-

ISBN 90 6984 209 2

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden