Beatrix heeft geen smaak

Ze wilde eerst niet en het kon niet, maar koningin Beatrix liet zich toch overhalen om een keuze te maken uit de collectie naoorlogse Nederlandse kunst in het Stedelijk Museum....

door Lucette ter Borg

DE ijsheilige zat op een houten stoel in een zaal van het Stedelijk Paleis. Normaal woei in haar huis een koel briesje. Daar voelde ze zich lekker bij. Kou hield haar helder en scherp, en zorgde dat haar hofhouding alert reageerde op smetjes en spatjes. Perfectie was haar maatstaf, voorbeeldigheid de norm. 'IJsheilige' werd ze alleen fluisterend genoemd - als bijnaam. In het werkelijke leven was ze koningin.

Maar nu was alles anders.

De verwarming stond op 19 graden - een ideale temperatuur voor kunst. De soep-met-een-broodje had ze alweer zo'n uur of zes geleden genuttigd, haar haren zaten in de war, haar handen waren smoezelig. De hele avond had de koningin met kunst gesjouwd, schilderijtje hier opgehangen, beeldje daar neergezet, toch maar weer ergens anders, hoger, lager, nog hoger - ja, daar hangt het uitmuntend - precies zoals haar voorvaderen het eeuwen geleden met hun stadhouderlijke schilderijenverzameling in Den Haag hadden gedaan. Eindelijk was de inrichting van het paleis, haar nieuwste paleis, klaar. Maar zo efficiënt als ze anders was, zo traag was ze nu. Ze zat en zat en zat maar.

Flarden van gesprekken, van beelden spookten door haar hoofd. Ze herinnerde zich de 'hele grote verrassing' die ze had gevoeld toen ze drie jaar geleden werd uitgenodigd door de directeur van het belangrijkste museum van moderne kunst in Nederland. Of hare majesteit als gastconservator een expositie wilde inrichten met werk uit de collectie van het museum.

Aanvankelijk was het voorstel niet meer dan een frivole gedachte geweest, verleidelijk als de appel die de slang Eva voorhield. Een verboden vrucht.

Onmiddellijk had ze - zakelijk en formeel als ze was - zichzelf en haar omgeving tot de orde geroepen. 'Het kan niet', had ze gedecideerd gezegd. 'Ik heb te weinig gedegen kennis van de beeldende kunst en te weinig tijd voor zo'n onderneming.' Maar 'vooral' kon het niet, zei ze: 'Omdat ik het gezien mijn functie niet verstandig vind om puur voor mijn plezier een expositie in te richten.'

Maar drie jaar later zat ze daar toch, als gastconservator in het Stedelijk Museum in Amsterdam. Haar echtgenoot en vooral de directeur van het museum hadden op haar ingepraat. Geruststellend: heus, ze had voldoende kennis van beeldende kunst. Armando, Peter Struycken, Marte Röling en Jeroen Henneman waren geen vreemden voor haar. Ze was, bij wijze van spreken, met hen opgegroeid.

Ze moedigden haar aan: ze kon het museum inrichten als een 'denkbeeldig paleis' - daar was ze in haar functie van koningin wel aan gewaagd. Maar belangrijker nog: in 2000 zou ze twintig jaar koningin van Nederland zijn; was dat geen mooie gelegenheid voor je-weet-wel-wat?

En voor dat laatste argument zwichtte ze, viel ze als een baksteen. Want zo bezien kon ze het persoonlijke van een openlijke keuze, waar ze zo huiverig voor was, uit de weg gaan. Zo bezien kon ze het 'pure plezier' van het tentoonstellingmaken wegredeneren, onschadelijk maken, door er een hoger, maatschappelijk belang voor in de plaats stellen. Precies háár opvatting van wat het koningschap hoorde in te houden. Als haar gastconservatorschap een ode was aan haar twintigjarig jubileum als staatshoofd der Nederlanden, dan moest de tentoonstelling een ode worden aan Nederland, en daarom aan Nederlandse kunst, aan Nederlandse kunstenaars.

Het dilemma was de wereld uit. Niet Beatrix zelf, maar het instituut Beatrix zou een keuze maken uit de collectie van het Stedelijk Museum. En, zoals het een instituut betaamt, zou ze omzichtig en objectief te werk gaan.

Tot smaakoordelen, tot statements zou ze zich niet laten verlokken. 'Er zijn kunstenaars van wie het werk me minder aanspreekt maar van wie ik inzag dat ze niet mochten ontbreken', vertelde ze in het boek. 'Zo heb ik getracht iedere kunstenaar toch zijn rechtmatige plaats te geven.' En: 'Als ik voorbeelden geef, namen noem, doe ik anderen tekort. Het is maar beter om niemand te noemen. Misschien wordt mijn verhaal daardoor wat saaier - nou ja, dat moet dan maar.'

Zo is datgene ontstaan wat zich over de gehele bovenverdieping van het Stedelijk Museum uitstrekt en waarvan het museum hoopt dat het massa's nieuwsgierigen zal trekken. Hier is een letterlijk smaakloze tentoonstelling te bezichtigen, samengesteld door iemand die zichzelf geen smaak toestaat in het openbaar. Alleen om die reden al is De Voorstelling. Een keuze van ruim 350 werken uit de collectie door gastconservator Koningin Beatrix een wangedrocht geworden, een kalf met vijf poten, een kip zonder kop. Zelfs de zo lumineus door Rudi Fuchs bedachte constructie van het gefingeerde paleis dat de majesteit mocht inrichten, kan niets afdoen aan dat gedrocht. Integendeel.

Wat op papier een hemelbestormend idee lijkt - vorm de zalen van het museum om tot paleiszalen, ontvangstkamers, salons, een eetkamer, een boudoir, een balzaal, een tuinzaal en natuurlijk ook een schatkamer - heeft in de praktijk karig uitgepakt. Aan de muren hangen schilderijen en in sommige fris geverfde zalen staan beelden. Maar waarom niet gebruik gemaakt van de grote afdeling toegepaste kunst en textiel die het Stedelijk bezit, om het museum meer paleiselijke allure te geven? Waarom de fantasie zo halfslachtig nagespeeld?

Misschien vreesde de majesteit voor te grote extremiteiten, voor een boudoir dat je van je voeten blaast, een balzaal die je doet duizelen, een schatkamer die je de adem beneemt. Misschien heeft ze angst om in zulke stíjlvolle stijlkamers de kunst te degraderen tot illustratie van.

Ik denk eerlijk gezegd dat dit niet aan de orde was. Ook nu is in de sober ingerichte paleiszalen de kunst gereduceerd tot illustratie van, tot decoratief element. Dat ligt niet aan de indeling in paleiselijke ruimtes of aan de kunst, maar aan de ongeoefende hand van de samenstelster van de tentoonstelling.

Zo tref je in De Rode Salon een bonte mengelmoes van stijlen en kunstenaars, niet op inhoudelijke of stilistische overeenkomst geselecteerd, maar louter op kleur. Het rode fond van Pieter Holsteins nieuw-figuratieve De Droom (1981) samen met het rood van Corneilles pure Cobra-Compositie uit 1947 en Rob Birza's postmoderne Mickey of the Blind Sea (1989-1990). Hetzelfde geldt voor De Gele Salon, voor de Tuin- en Balzaal, eigenlijk voor alle zalen in het 'Stedelijk Paleis'. In de Balzaal is het een vrolijke parade van kleuren, licht-frivool van toon en met piepkleine grapjes. De Tuinzaal 'geurt' naar landschappen, het Archief naar systeemplafonds.

In het 'Stedelijk Paleis' wordt zogenaamd een objectief overzicht van de naoorlogse Nederlandse kunst gepresenteerd. Maar ook dat is niet waar. Want hoe kan iemand die zelf stelt onvoldoende verstand van beeldende kunst te hebben, toch een objectief overzicht samenstellen? En: hoe kan iemand pretenderen een objectief overzicht samen te stellen, maar alles wat maar een beetje aanstootgevend is (en de naooorlogse kunst, met name de wegbereidende, wás vaak aanstootgevend) buiten beschouwing laten?

Kunstenaars als Marina Abramovic en Ulay, die in de jaren zeventig baanbrekend werk in Nederland afleverden met hun performances over man-vrouwrelaties, ontbreken daarom. De officiële reden: de koningin heeft onvoldoende kennis van performance-kunst. Maar de werkelijke reden is vermoedelijk dat hun werk te controversieel was voor koninklijke uitverkiezing. Ook het subversieve Fluxus is een ondergeschoven kindje. Toegepaste kunst en grafische vormgeving - richtingen waarin Nederland zich internationaal sterk betoont? Afwezig. Pop-art, video- en installatiekunst? Ook absent, alweer vanwege 'gebrek aan kennis' bij de majesteit.

Dit is niet alleen spijtig voor de bezoeker die tevergeefs op zoek gaat naar eigentijdse favorieten in deze vlootschouw van Nederlandse kunst: Marijke van Warmerdams dansende dame in hoepelrok, Job Koelewijns Balancing Act, de humoristisch catastrofale loopjes geregisseerd door Aernout Mik. Veel spijtiger is dat de koningin het blijkbaar niet aandurft paden te betreden die nieuw voor haar zijn - zelfs niet als op die paden gidsen trappelend van verlangen klaar staan om haar te begeleiden en boeken onder handbereik liggen.

Wie hangt en staat er dan wel in het Stedelijk Museum? In het boek bij de tentoonstelling stelt de koningin 'waardering' te hebben voor 'de scheppende hand' in een kunstwerk, het handschrift van een kunstenaar. Dat vertaalt zich letterlijk in een grote hoeveelheid expressieve Cobra-werken, in een aantal pasteuze en zwaar melancholieke schilderijen van Armando, in werk van Nederlandse abstract-expressionisten, in de postmoderne smeuïge schilderijen van Rob Birza. Maar het vertaalt zich ook in het werk van de systematici: Mondriaan, als godfather van de geometrisch-abstracte kunst chronologisch gezien een buitenbeentje op De Voorstelling; in de verstilde reliëfs van Nulkunstenaar Jan Schoonhoven, de fundamentele schilderopvatting van kunstenaars als Ben Akkerman en Rob van Koningsbruggen.

Heel gedwee volgt de koningin de afwisseling tussen ingetogenheid en expressiviteit, waar de Nederlandse beeldende kunst zo door wordt gekenmerkt. Elke zaal is doordrongen van die afwisseling - op een soms wat plichtmatige manier. Die plichtmatigheid wordt nog versterkt doordat de koningin zich beperkt heeft tot de 'ongevaarlijke' varianten uit iemands oeuvre.

Dus van Constant wel een atmosferische Ontmoeting tussen Ubu en Justine uit 1975, maar niet de politieke aanklacht die het museum bezit met het schilderij Verschroeide Aarde uit 1951. Dus van de abstracte-expressionistische beeldhouwer Wessel Couzijn wel het ongearticuleerde abstract De nacht komt (1960), maar niet zijn met veel meer ongemakkelijke symboliek geladen Bed uit 1967.

Nee, als de koningin zich ergens druk om heeft gemaakt in de Voorstelling, is het de salonfähigkeit van haar uitverkorenen - en dat is nu juist waar de meeste moderne kunst niet over gaat. Seks, geweld, onderdrukking, torenhoge vreugde en peilloze wanhoop komen in het 'Stedelijk Paleis' niet aan bod. Geen emotie zo klein of ze wordt afgedekt, geen keuze zo persoonlijk of ze wordt veralgemeniseerd, geen standpunt zo vaag of het wordt verdoezeld.

Het resultaat: een tentoonstelling waar niemand zich een buil aan hoeft te vallen - vermits je je niet stoort aan compromissen en gladstrijkerij. Een tentoonstelling waarop je snakt naar een standpunt, willekeurig welk. De koningin heeft de formele opdracht die ze zichzelf bij aanvang van deze onderneming gaf naar letter en geest uitgevoerd. Ze is er jammer genoeg in geslaagd een tentoonstelling naar poldermodel samen te stellen - en daarmee heeft ze zichzelf weer eens ferm verankerd op Neerlands bodem.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden