Bartók Kwartet hervindt snel de moedertaal

Uit de golf van strijkkwartetten die het Concertgebouw dit seizoen overspoelt, dook plotseling in een bomvolle Kleine Zaal het Bartók Kwartet op....

Jaco Mijnheer

Het concert van het Bartók Kwartet had, deels onbedoeld, een sterke climaxwerking in de richting van het Eerste Kwartet van Bartók, dat na de pauze klonk. Het overrompelende akkoord waarmee de Hongaren de avond en het vroege Beethovenkwartet in c (uit opus 18) openden, beloofde in al zijn gloedvolle warmte veel goeds, maar dat pakte anders uit.

Vier delen lang worstelde de primarius en vroegere naamgever van het kwartet, Péter Komlós, met zijn onzuivere en onvaste toonvorming. Van leiding geven aan het ensemble kwam weinig, zodat de anderen nauwelijks méér konden doen dan twintig minuten lang de schade beperken met hun timing en organisch samenspel.

Na deze onverwacht pijnlijke opening bleken de problemen direct daarna, in het Tweede Strijkkwartet van de Hongaar Emil Petrovics (1930), als sneeuw voor de zon verdwenen. Kolkende chromatische melodieën, geserreerde akkoorden, zonder scherpe kantjes maar wel in de geest van Béla: dit was onmiskenbaar de moedertaal van het viertal.

Het Eerste Kwartet (1909) van Bartók tenslotte voelde als thuiskomen. De Hongaren verdedigden wat klaarblijkelijk hun natuurlijke habitat is met bevlogen spel, diep in de snaar strijkend in het eerste deel, fel in de krabbende ritmes van het Allegretto en loepzuiver in de eenstemmig geschreven volksmelodieën van het slotdeel. Na de Burletta uit het Zesde Kwartet als toegift, was het moeizame begin van de avond weer vergeven en vergeten.

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden