Barokke beelden en bonkige, poëtische koppen

OSSIP ZADKINE (1890-1967) heeft een omvangrijk oeuvre nagelaten. Hij is een van de belangrijkste beeldhouwers van deze eeuw. Zijn werk is in Europa, Amerika en Japan te vinden en natuurlijk in zijn eigen museum in Parijs....

De catalogus, een bijbeldik boekwerk, beschrijft 593 werken, waarvan het laatste op last van zijn weduwe werd vernietigd. Er bestaat nog een foto van. Het is een ruimtelijke constructie, geboetseerd uit klei. Het onderste deel is klaar, maar uit het bovendeel steken slechts de staken waar hij de klei nog omheen moest vormen. Zijn leerlingen zagen zich niet in staat het werk te voltooien. Er was geen maquette of werktekening van. Zij hadden het op hun gevoel moeten doen en niemand waagde zich eraan.

Veel van zijn verloren gegane kinderen zijn toch nog gedocumenteerd. Zelfs van zijn eerste werkstuk - Bateliers de la Volga, slepersmannen die in touwen hangen om een boot voort te trekken - bestaat nog een vage foto. Hij liet het beeld, waarin een mooie krachtige expressie zit, tijdens zijn academietijd in Engeland aan de beeldhouwer Jacob Epstein zien. Die reageerde zo laatdunkend dat Zadkine het in de Theems smeet.

In Ossip Zadkine - L'Oeuvre Sculpté is niet alleen zijn complete beeldhouwwerk geregistreerd. In het boek wordt zijn leven beschreven in zijn werk, tentoonstellingen, publikaties, opdrachten, professoraten, prijzen en vriendschappen. Het is verlucht met brieffragmenten, dagboeknotities en een biografie in foto's.

Op die foto's zien we een kleine man met melancholieke ogen en met een onafscheidelijke pijp. Op veel foto's - van de jonge man die net in Parijs is gearriveerd tot de bejaarde, wiens haar zilverwit geworden is - komt die pijp voor. Wanneer zijn Monument voor Vincent van Gogh van Parijs naar Auvers-sur-Oise wordt gebracht, begeleidt hij het transport in de open vrachtwagen. Het standbeeld staat stevig vastgesjord in de bak, Zadkine zit ernaast op de klep. Niet alleen het tafereel, vooral ook de manier waarop hij de pijp in zijn mond houdt, maakt hem tot een onvergetelijk volmaakte look-alike van monsieur Hulot.

Ossip Zadkine werd in 1890 in Smolensk in Rusland geboren. Op zijn vijftiende werd hij voor zijn verdere opvoeding naar een familielid in Engeland gestuurd; naar Sunderland een industriestad in het noorden. Hij schreef zich in aan de plaatselijke kunstschool, maar ging later in Londen studeren. Zijn jeugdwerk toont een klassiek realisme, met soms al een glimp van persoonlijkheid. In 1910 verhuisde hij naar Parijs en schreef zich in aan de École des Beaux-Arts. Hij maakte zijn eerste in steen en hout gehakte beelden, die zijn latere opvatting over beeldhouwkunst al tonen: hij haalt de vorm die al van nature in het materiaal zit, daaruit.

Hij zat op de kunstacademie, maar had voor zijn ontwikkeling meer aan het Louvre, de kennismaking met de primitieve kunst, met het werk van Rodin en de goddelijke eenvoud van de antieke en romaanse beeldhouwkunst. Hij voelde zich nu et nul, maar wel klaar om het echte leven te beginnen. Op de Salon d'Automne in 1913 was hij met negen werken vertegenwoordigd, waaronder een Samson et Dalila, geboren uit de vorm van het materiaal, massief en elegant tegelijk. Hij liet zich leiden door de vorm van hout en steen, vond zijn figuren niet in de diepte van het hakken, maar aan het oppervlak. Hij werkte met lichte ingrepen, de natuurlijke rondingen en verdiepingen van hout of steen volgend.

In de Eerste Wereldoorlog diende Zadkine als hospitaalsoldaat in het Vreemdelingenlegioen. Hij raakte in 1916 bij een gasaanval gewond, werd uit de frontlinie geëvacueerd en keerde terug tot de kunst. 'Zo moet het toch, beste vriend', schrijft hij in een brief, 'werken en geen concessies doen, geen compromis. Dat is, geloof ik, mijn artistieke religie.' Voortaan werkte hij afwisselend in Parijs en in de campagne. Hij had rust nodig na de oorlogservaringen en vond een tweede atelier voor het hakken in groot hout in Arques, in het departement Lot. Hij wilde voor het dorp een oorlogsmonument maken, maar dat werd niet geaccepteerd van een exentrieke Rus, een Parijzenaar bovendien.

Er zijn een paar sleuteljaren in zijn leven aan te wijzen, 1920 is er een van. Hij trouwde met de schilderes Valentine Prax, organiseerde in zijn atelier zijn eerste persoonlijke tentoonstelling en ontwikkelde contacten met België en Nederland, de landen waar zijn werk de meeste liefhebbers vond. Zijn beelden werden dynamischer, het kubisme kreeg hem te pakken. Hij ontwikkelde zich tot een barok kubist, die ten slotte een zeer persoonlijk expressionisme vond. 'Ik vergeet', zei hij in die dagen, 'de natuur nooit. Ik blijf altijd aan de aarde verbonden. Het kubisme heeft die waarheid, per ongeluk, te vaak vergeten.'

Hij maakte barokke beelden en bonkige kubistische koppen, maar in dat bonkige zat altijd toch een tere, poëtische lijn. Het kubisme heeft hem maar even in zijn greep gehad. De beelden Orphée, zijn eerste grote hout, en Homo Sapiens laten een aspect van zijn inspiratie op de klassieke oudheid zien. Hij reisde in de jaren dertig naar Griekenland en kwam terug met dichterlijke beelden als Daphne (1939). Hij zou later nog vele Daphnes maken en ook meerdere Orphées, en daar zit een aparte lijn in. Het is fascinerend om te zien hoe een kunstenaar zich in één thema ontwikkelt, eeuwig zoekt naar de onder de huid van het materiaal verscholen lijn.

Zadkine verhuisde in 1928 naar het atelier in de rue d'Assas, waar nu zijn museum is gevestigd. Hij sloot vriendschap met Henk Wiegersma, huisarts en schilder in het Brabantse Deurne. In 1929 wijdde het blad Wendingen een themanummer aan zijn werk, de modernen ontdekten het. Hij maakte zijn eerste reis naar New York. Zijn werk kreeg erkenning, maar hij had nog altijd geen opdracht voor een groot openbaar monument.

Hij begon er zelf maar aan en ontwikkelde in 1939 een project voor monumenten voor de dichters Apollinaire, Lautréamont, Rimbaud en Jarry. Ze vormen een keerpunt in zijn werk. Het zijn monumentale, poëtische beelden die om ruimte vragen, buiten het museum treden, de straat op willen. In zijn werk uit die tijd zit één opmerkelijk ontwerp. Hij maakte een teer dubbelportret van zijn vrienden Henk en Nel Wiegersma. Het is liefdevol in dubbele zin. De liefde van de echtgenoten voor elkaar zit erin en de zijne voor hen.

Als er oorlog dreigt, raden vrienden hem aan naar New York te vertrekken. Hij aarzelt, schrikt van de jodenvervolging, maar voelt zich in Frankrijk een Fransman, geen Rus van joodse afkomst. Hij besluit uiteindelijk toch te emigreren. Via Marseille, Spanje en Portugal ontkomt hij aan de vervolging. Zijn vrouw blijft in Arques achter.

Zijn isolement is te volgen in die jaren van ballingschap. Hij maakt in New York een groot aantal koppen met uitgesproken trieste gezichten, maar ook poëtische beelden die op die vier dichters van vroeger lijken.

Hij noemt New York een 'absurdissante ville', maar ervaart dat er ook een grote kracht uitgaat van die ongerijmde stad. 'Ik ben weer jong geworden', schrijft hij. 'Ik begin opnieuw.' Maar hij blijft vooral naar Frankrijk terug verlangen. In bustes van François Mauriac en André Gide probeerde hij, zei hij zelf, de heimwee te verdrijven. In Prisonnière, een gekooide vrouw, is heel Frankrijk in een cel gevangen. Later, terug in Europa en geconfronteerd met de verwoestingen, ontstaat het beeld dat hem beroemd zal maken: Ville Détruite.

Het is niet eenvoudig het vroegere leven weer op te nemen. Hij heeft zijn Parijse atelier verhuurd om het niet leeg te laten staan, maar de huurders weigeren het huis te verlaten. Hij moet talloze processen voeren, pas tien jaar later kan hij het oude atelier weer betrekken. Er begint een nieuwe periode in zijn leven met een tentoonstelling in 1948 in het Stedelijk Museum in Amsterdam.

Hij toont er een klein ontwerp voor een monument voor een verwoeste stad. Sandberg, de toenmalige museumdirecteur, bracht hem in contact met dr G. van der Wal van de Bijenkorf in Rotterdam, die een beeld zocht om het bombardement te herdenken en aan de verwoeste stad te schenken.

Zadkine verbond het ontstaan van het monument later zelf met een persoonlijke herinnering aan de verwoesting. Hij kwam door Rotterdam toen hij op weg was naar Deurne voor het dertigjarig huwelijksfeest van de Wiegersma's. De trein stopte in Rotterdam, hij zag de gevolgen van het bombardement: een kale vlakte, waarin alleen nog wat stukken trottoir het patroon aangaven van de stad die er eens geweest was.

In De verwoeste stad zijn vroegere elementen uit Zadkine's werk terug te vinden in de opgeheven armen van een beeld dat hij in 1928 maakte. Het beeldde een boer uit in Smolensk tijdens een cholera-epidemie, de armen zijn ten hemel geheven vanwege het verlies van zijn kinderen.

De verwoeste stad werd Zadkine's eerste openbare monument, in Time werd er dezelfde waarde aan gegeven als aan Quernica van Picasso. Hij was eindelijk ten volle erkend, kreeg in de jaren erop een aantal grote opdrachten en werd veel gevraagd voor monumenten ter herinnering aan Vincent van Gogh - van Zundert tot Rémy-de-Provence. Zijn expressionisme werd met dat van Van Gogh verbonden.

Ossip Zadkine overleed op 25 november 1967, zijn vrouw in 1981. Zij vermaakte haar bezit aan de stad Parijs, die Zadkine's oude atelier tot museum inrichtte. In 1986 bouwde het departement Lot een museum in Arques. Op beide plaatsen waar hij leefde - in het Parijs van het denken, in het dorp van het hakken - is zijn werk nu eeuwig vertegenwoordigd.

Willem Ellenbroek

Sylvain Lecombre: Ossip Zadkine - L'Oeuvre Sculpté.

Paris Musées; ¿ 351,50.

ISBN 2 87900 146 3.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@volkskrant.nl.