Bankgebouw met filialen outerspace

Het Nederlandse paviljoen op de Expo 2000 was niet zomaar een staaltje van vermetele bouwkunst. Bureau MVRDV toonde ermee aan dat bijkans alles mogelijk is in de moderne architectuur....

PLOTSELING spoelde er, halverwege de jaren negentig, een golf van vernieuwing door Nederland. Er kwam een hausse aan opmerkelijke gebouwen tot stand, die internationaal opviel en nog lang niet is uitgewoed. Ze zijn meest ontworpen door een nieuwe generatie architecten. Veel van hen begonnen in de jaren tachtig toen ze nog geen dertig jaar oud waren. Sommigen hadden, bij het binnenhalen van hun eerste opdracht, hun studie nog niet eens voltooid. Een hoogtepunt van die vernieuwingsgolf was het Nederlandse paviljoen op de Wereldtentoonstelling in Hannover van het bureau MVRDV, het ultieme symbool van de kunstmatigheid van het Nederlands landschap. Het was veel meer dan een oorspronkelijk ontwerp alleen, het was de visualisering van een probleemstelling, een verre vooruitblik. En een presentatie van een radicaal nieuwe, Nederlandse architectuur, die het bureau zelf ontsteeg. Ook de Erasmusbrug van Van Berkel & Bos (tegenwoordig UN Studio) heeft zo'n symboolfunctie. De ranke brug gaf niet alleen de stad Rotterdam, maar ook de Nederlandse architectuur een nieuw gezicht.

Aan die hausse, die internationaal de aandacht trok en verschillende van die bureaus buitenlandse opdrachten opleverde, zijn nu twee boeken gewijd; Hans Ibelings' Het kunstmatig landschap en Bart Lootsma's Superdutch. Ibelings behandelt zo'n 130 projecten van ruim zestig bureaus, die net klaar zijn of de komende jaren voltooid zullen worden. Lootsma richt zich op twaalf van deze nieuwe, radicale ontwerpers.

Wie dacht dat in de consensuscultuur van het poldermodel, van wet- en regelgeving en een alles smorend overleg, alleen maar middelmaat kon gedijen, komt bedrogen uit. Het tegendeel is het geval. Er is inderdaad sprake van een nieuwe architectuur, veelzijdig, en niet in één stijlvorm te vatten, krachtig, oorspronkelijk en uiterst divers.

Jonge bureaus bewogen zich vroeger vrijwel uitsluitend in de wereld van volkshuisvesting en stadsvernieuwing, in de sociale woningbouw. Ook daar wordt nog steeds voor ontworpen. Maar in de opdrachten zijn alle grenzen doorbroken. Voor jong en oud. Een jong bureau ontwierp in dit overzicht het nationale paviljoen voor de wereldtentoonstelling, een oud gedistingeerd bureau als Hertzberger schetste een nieuw type woonboot.

De twee, qua vorm merkwaardigste gebouwen die de komende jaren in Nederland zullen verrijzen, geven in hun functie al aan hoe breed het spectrum aan opdrachten is, en hoe ruim en verschillend de invulling. De een is een kleine flat van 29 woningen in Hengelo, de ander het nieuwe, prestigieuze hoofdkantoor van de ING Bank aan de Zuidas, de toplocatie van het land.

Tussen die twee uitersten in opdrachten beweegt zich dat nieuwe ontwerppatroon, maar kijk ook eens naar de ontwerpen zelf. De woonflat (van MVRDV) barst aan alle kanten uit zijn voegen, met balkons als duikplanken, begroeid met volwassen bomen. Het is een woongebouw als een bos op een berghelling, dat het landschap binnenhaalt en een eeuw-oud sociaaldemocratisch dogma van lucht, licht en ruimte een sprankelend nieuwe dimensie geeft. Het is overdadig weldadig en ademt tegelijk de rust van een avondwandeling.

Het bankkantoor (van Meyer en Van Schooten) op die toplocatie heeft de vorm van een gedesigned spaceship, geen gebouw meer maar een videoclip; moederbasis aan een snelweg, die elk moment op kan stijgen voor een reis langs de filialen outerspace. Kijk goed: ook daar zie je, in een uitsparing in de flank, een bos flinke bomen groeien - zuurstof voor onderweg.

Overal in Nederland wordt gebouwd als nooit tevoren, op zoveel plaatsen en in zoveel verschillende bestemmingen tegelijk: door het hele land heen nieuwe woonwijken, langs elke snelweg en bij elk station bedrijventerreinen en kantoorparken, meubelboulevards en shopping malls, megabioscopen en popzalen; oude stadscentra worden vernieuwd en heringericht, nieuwe metro- en spoorlijnen aangelegd met bijhorende stations; universiteitsgebouwen en musea uitgebreid of nieuw gebouwd; banken en andere grote ondernemingen meten zich nieuwe hoofdkantoren aan; snelwegen worden voorzien van fly overs, het spoor maakt ruimte voor de TGV, in het landschap in de verte verschijnen windmolenparken. Voor Schiphol zijn variaties bedacht met de complexiteit van een totaal nieuwe infrastructuur op een eiland in de Noordzee, voor het hele land en landschap worden modellen voor de toekomst ontworpen.

In het kunstmatig landschap dat Nederland is en dat MVRDV ons nog eens als een sprekend futurama voorschotelde, wordt álles geregeld en ontworpen. Er is geen land ter wereld waar dat zo consequent gebeurt als in dit kunstmatig ontstane en verzorgde land: gedoogzones en tippelzones, hangplekken voor jongeren en pipes voor skaters, urinoirs voor wildplassers, verkeerstunnels voor trekkend wild en veilige routes voor de paddenparing. In het overzicht van de nieuwe architectuur van Ibelings en Lootsma is één gebouw opgenomen, een warmteoverdrachtstation in de Vinexwijk Leidsche Rijn van NL Architects, dat dit allemaal verenigt: er zit een klimmuur aan met grepen in braillepatroon, een basketbalnet voor buurtjongeren, nestkasten voor gierzwaluwen en hangplekken voor vleermuizen.

Er is een bouwgolf gaande die een eindeloze variatie kent en zich in alle mogelijke vormen presenteert. Ibelings plaatst dat gedetailleerd ontwerpen van de samenleving in het perspectief van de kunstmatigheid van Nederland, het eeuwenoud besef dat land niet een natuurlijk gegeven is, maar alleen bestaat dankzij menselijk vernuft en techniek. Het bracht de ruimte in Nederland, zegt hij, 'om het onvoorstelbare voor te stellen en het ondenkbare te bedenken'. En dat spreekt, nu de financiële mogelijkheden er zijn, helemaal de jongere generatie aan. Die heeft, signaleert hij, een just do it-mentaliteit.

Lootsma beperkt zich in zijn overzicht tot een voorhoede, Ibelings wil laten zien dat zich achter dit front zich nog 'een leger van getalenteerde ontwerpers bevindt, die ieder op hun eigen manier een specifieke bijdrage leveren aan het veelzijdige landschap van Nederland'. Lootsma schetst die vernieuwingsgolf in historisch perspectief en concludeert tenslotte dat 'de kracht van de Nederlandse architectuur van de jaren negentig is dat ze aansluiting heeft gevonden bij het internationale debat, zonder typische Nederlandse vormen van realisme en zakelijkheid uit het oog te verliezen.'

Hij roept nog eens op wat er direct aan voorafging, hoe in de jaren tachtig op grote schaal spraakmakende buitenlandse architecten in de grote steden werden aangesteld om de stadsvernieuwing een impuls te geven, met Aldo Rossi, Richard Meier, Michael Graves, Alvaro Siza, Coop Himmelb(l)au, Ricardo Bofill, Steven Holl, Charles Vandenhoven, Girogi Grassi, Bernard Tschumi, Daniel Libeskind, Rob Krier, Renzo Piano en nog vele anderen. Ze werden binnengehaald om de Nederlandse architecten uit te dagen eenzelfde kwaliteit te leveren en dat sprak toen vooral de jongeren aan. Er ontstond een klimaat, schetst hij, waarin meer belang aan architectuur werd toegekend, ook door het grote publiek en de politiek.

En er was, in de de ontwerpen in beide boeken speelt het, nog één eenzame, bepalende factor die deze vernieuwingsgolf mogelijk maakte: Rem Koolhaas. Hij werd het geweten van die nieuwe ontwikkeling in de Nederlandse architectuur. Hij legde - met zijn ontwerpen, onderzoek en theorievorming - een basis voor een andere manier van denken, voor het loskomen uit de traditie. In Ibelings' boek staat een veelzeggende foto van Koolhaas, docerend voor een zaal die uitpuilt van studenten. Lootsma noemt het hele veld van architecten dat hij beschrijft schatplichtig aan Koolhaas. 'Zijn betekenis kan nauwelijks worden overschat.'

Lootsma toont in twaalf bureaus een patroon van die nieuwe ontwikkeling en plaatst dat in een heldere, historische context. Ibelings laat niet alleen een opvallende voorhoede zien, maar ook de wereld erachter, zelfs in projecten die nog in ontwikkeling zijn en pas de komende jaren te zien zullen zijn. De twee boeken drukken elkaar daarmee niet weg, ze vullen elkaar aan. Ze zijn als het ware een vervolg op MVRDV's paviljoen op de expo in Hannover: een presentatie van een radicaal nieuwe, jonge Nederlandse architectuur.

Die architectuur kan - met eigentijdse middelen en vormen - zo nuchter, helder en sober zijn als het beroemde historische modernisme. Ze kan ook een heel andere, een hedonistische weg inslaan, gericht op een volmaakte uitstraling van comfort, luxe, rijkdom en gemak - het leven beleefd als loungen. Er zijn zelfs combinaties van beide mogelijk. Die nieuwe architectuur is onbegrensd: een van de besproken bureaus vergelijkt het computerontwerpen bijvoorbeeld met de ontdekking van het perspectief in de Renaissance.

Er is één alarmerend gevaar dat deze nieuwe architectuur bedreigt, eenzelfde dat de samenleving zelf beheerst, waarin alles gericht is op consumptie en op beziggehouden worden, op sensatie en op korte heftige impulsen, op aandacht trekken in plaats van er zíjn. Het is een ontwikkeling waarin een stad tot pretpark wordt en zijn architectuur pretarchitectuur.

Na Hannover, is dit precies het goede moment om daar bij stil te staan. Het Nederlands paviljoen van MVRDV vatte deze hele nieuwe architectuur volmaakt samen en was in zijn ongekend ontwerpavontuur een perfecte analyse.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden