Bananen

Elke keer dat ik een tros Chiquita-bananen in mijn winkelwagen leg, bekruipt me een ongemakkelijk gevoel. Ergens in mijn achterhoofd knaagt en wringt er iets. Psycholoog Leon Festinger noemde het cognitieve dissonantie: het mentale schuren van je eigen tegenstrijdige overtuigingen. In dit geval zijn dat: (a) de wetenschap dat ik bananen moet kopen voor mijn kinderen maar de biologische bananen wat aan de prijs vind, en (b) het vage besef dat er iets mis is met Chiquita waardoor ik er als betrokken Birkenstock-dragende wereldburger eigenlijk verre van moet blijven.


Maandag las ik in de krant wat er ook alweer precies met deze bananen aan de hand was. Chiquita financierde in Colombia tussen 1997 en 2004 onfrisse moordeskaders die lastige bananenboeren per bloedbad mores leerden. Nu blijkt dat het Amerikaanse concern hiervoor in de Verenigde Staten niet aansprakelijk gesteld gaat worden. Nabestaanden blijven met lege handen achter.


Dat ik me dit niet meer precies kon herinneren maakt me, Birkenstocks ten spijt, een typische West-Europese consument, met bijbehorend gebrek aan flauw benul hoe al die producten die ik koop eigenlijk precies worden gemaakt. Schrijver Joe Bennett publiceerde hier een onderhoudend boek over, Where underpants come from. Het begint met zijn aanschaf van vijf onderbroeken, made in China, voor zes Nieuw-Zeelandse dollars. Hoe kan het in hemelsnaam, vraagt hij zich af, dat zo'n ingewikkeld product, dat door zo vele winst makende handen gaat, toch voor een bedrag van niks in de winkel ligt?


Bennett heeft net als ik geen idee en besluit naar China te gaan om het uit te zoeken. Die reis brengt hem, zoals hij het treffend uitdrukt, 'backstage bij de westerse cultuur'. Hij bezoekt onder meer een fabriek in Quanzhou, waar machines elastieken banden maken van Thais rubber, en gaat naar Shanghai, waar plattelandsmeisjes heus maximaal zestig uur per week mannenslips in elkaar naaien, tegen een stukloon dat bespottelijk laag is voor iedereen behalve een Chinees plattelandsmeisje.


Lobbyorganisatie Schone Kleren Campagne stelde afgelopen mei in een rapport dat de meerderheid van de Aziatische textielarbeiders minder dan 6 euro per dag verdient; niet eens bij benadering genoeg om in de basisbehoeften te voorzien. En dan hebben we het nog niet over kinderen in benauwde Indiase naaiateliers of konijntjes wier haar uit hun vel wordt getrokken ten behoeve van zo'n behaaglijke angoratrui.


Feit is dat een trui die is geproduceerd met respect voor mens, dier en milieu niet voor 15 euro bij, zeg, de H&M kan liggen. Ik bezoek weleens van die geitenwollensokkenwinkels, waar alles fair trade is en gemaakt van waterarm verbouwd katoen en verf van biologisch-dynamisch geknuffelde indigo-planten. Daar kost een trui al gauw een euro of 80. Een bedrag waarvan de meeste shoppers spontaan een ammehoela-reactie krijgen.


Dat prijsbewustzijn kost de Europese consument vrijwel niets. Het zijn andere mensen, in landen ver weg, die in deze internationale tombola der kapitalistische kutheid de prijs betalen voor onze zuinigheid. Wij voelen hooguit in de winkel wat cognitieve dissonantie knagen. Dat lijkt me trouwens een goede zaak. Om voor mezelf te spreken: als ik ondanks dit alles toch euroknallerbananen, angoratruien en goedkope onderbroeken blijf kopen, is ongemak wel het minste dat ik zou moeten voelen.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden