Bagdad rockt, in het geheim

Muziek verenigt jonge sjiieten en soennieten in ondergronds Bagdad. Sektarisch denken is voor de muzikanten uit den boze. 'Al Qaida vermoordde mijn ouders, niet de soennieten.'

BAGDAD - Creep. Die plaat doet Farouq Fouad het meest denken aan de hopeloze situatie in Irak. 'De agressie, de woede', zegt de 24-jarige muzikant. Hij ramt op de distortion-knop en speelt het nummer van Radiohead op zijn zwarte gitaar. De noten zijn perfect, de zang wat verwrongen, maar de emotie is duidelijk. 'But I'm a creep, what the hell am I doing here, I don't belong here...'

Het slaat niet zozeer op zijn land, creep (griezel), zegt hij, maar op het volk dat er zo'n puinhoop van maakt. Hij kijkt op van de gitaar op zijn knie. 'John Lennon's Gimme Some Truth is trouwens ook een goede, over nutteloze politici enzo.'

Te midden van de sektarische strijd die hun land - en de regio - in zijn greep houdt, vinden Farouq en zijn vrienden soelaas achter hun instrumenten. In een kamertje van Farouq's ouderlijk huis, gesierd met Nöller drumstel en Nux versterkers, speelt hij nummers van Oasis, AC/DC, en The Animals. Hussein Abdallah (26) tikt met zijn voet de maat op de vloer, en leest wat in een werk van de Arabische socialist Ibn Khaldoun. Nour Thamer (24) speelt met het drumstel in de hoek.

Pas na enig aandringen geeft Farouq toe dat zijn naam soennitisch is, en dat zijn twee vrienden sjiitisch zijn. Ze buitelen direct over elkaar heen met afkeuringen van sektarisch denken. Hussein, een begenadigd speler van de Arabische oud (een soort luit), zegt dat hij minstens drie keer per week bij zijn beste maat slaapt, een soennitisch lid van Hussein's zeskoppige band Solo Baghdad. 'Muziek verenigt ons', zegt Hussein.

Jongeren zoals Farouq en zijn vrienden kijken met afgrijzen naar de opmars van religieus extremisme en sektarisch denken in Irak. Dat maakt hen deel van een minderheid. Weliswaar hoor je in de straten van Bagdad voortdurend verklaringen van broederschap tussen aanhangers van verschillende religieuze stromingen, terwijl troepen onder leiding van sjiitisch premier Nouri al-Maliki vechten tegen soennitische rebellen. Maar vaak volgen daarop uitspraken als 'sjiieten zijn de meerderheid in Irak, en dus de baas.' Of, van soennieten: 'we zijn het niet eens met de extremisten, maar we hopen dat de opstandelingen ons van Maliki's regering verlossen.'

Ook wie zich afzijdig wil houden, wordt steeds meer gedwongen een kant te kiezen. Door media die sektarische haat aanwakkeren, door de aard van de stad - verdeeld in soennitische en sjiitische wijken, met beperkte ruimte om te mixen, door angst voor de ander. Toenemende moordaanslagen van sjiieten op soennieten en andersom voeden haat en vrees.

Luitspeler Hussein's verwerping van religieus conflict gaat verder dan woorden. Aan het begin van Iraks vorige sektarische burgeroorlog vermoordden de extremistische soennieten van Al Qaida zijn beide ouders. Hussein's moeder, een provinciale volksvertegenwoordiger die zich uitsprak tegen de terreurgroep, werd samen met zijn vader neergemaaid terwijl ze in hun auto zaten. Hussein, toen een tiener, vluchtte naar de Libanese hoofdstad Beiroet.

'Ik haatte soennieten', zegt hij nu. 'Maar in Libanon zag ik hoe die samenleving twintig jaar na het einde van hun burgeroorlog nog steeds verdeeld is. Christenen hebben een hekel aan moslims, soennieten aan sjiieten en andersom. Zo wil ik niet leven. Ik verdiepte me in boeken, realiseerde me dat je religie simpelweg wordt bepaald door waar je wordt geboren, en besloot me er overheen te zetten. Al Qaida vermoordde mijn ouders. Niet de soennieten.'

Veel Irakezen maken dat onderscheid niet, en hoe meer men zich terugtrekt in zijn eigen religieuze stroming, hoe minder ruimte er is voor afwijkende uitingen. De eerste jaren na de val van Saddam Hussein in 2003 was er een open periode, vertellen de jongens. Internet, mobiele telefoons, satelliettelevisie - ineens kon het allemaal, en op het gebied van kunst en muziek probeerden jongeren allerlei nieuws. Met het aantreden van de huidige premier Nouri al-Maliki ging de culturele vrijheid gestaag weer op zijn retour, terwijl fanatieke gelovigen - soennitisch en sjiitisch - bepaalden wat op straat betamelijk was.

undefined

Duivelsaanbidderij

In 2012 scheerde Farouq zijn lange haren en baard af. Dat jaar vermoordden extremisten in Bagdad enkele tientallen emo's (jongeren die strakke, zwarte kleding dragen en naar zware rock luisteren), omdat hun levensstijl tegen de islam zou zijn. Hussein en Nour maken traditionele Iraakse muziek. Maar Farouq is liefhebber van deathmetal, het snoeiharde geschreeuw en geram op het uiterste puntje van de rockladder. In Irak - en de Arabische wereld - wordt metal vaak geassocieerd met duivelsaanbidderij.

'Als ik mijn haar lang laat, ben ik anti-islam', mokt Farouq. 'Als ik mijn baard laat groeien, denken mensen dat ik een extremist ben. Het is nooit goed.' Het laatste deathmetal-concert in Irak was in 2010, zegt Farouq - muzikanten durven niet te spelen, fans durven niet te komen.

Gebogen over een illegaal glas Heineken, de lichten gedimd en de gordijnen gesloten, biedt fotograaf Hatem in een klein restaurant een verklaring. 'De regering denkt als een militie', zegt hij. 'Iedereen die anders denkt dan zij, is een gevaar. Burgers zijn een gevaar. Of je nu communist of atheïst bent of van een biertje houdt, wat tegen de leer van het regime ingaat, moet worden bestreden.'

Het verschil met de tijd onder Saddam Hussein is dat je nu kunt klagen over de regering, zegt Hatem. En kunt stemmen. Maar dom volk: het stemt zelf steeds op een sektarische regering die zich dictatoriaal opstelt. 'Drie decennia lang hadden we een dictator', zegt Hatem. 'Het volk verwacht van een regering dat die alle macht naar zich toetrekt. Concessies zien ze als een teken van zwakte. Ook als het gaat om persoonlijke vrijheden.'

Het alles of niets-denken leidt in de hele regio tot strijd tussen bevolkingsgroepen, en Irak is de nieuwste staat die erdoor dreigt te ontbinden. Uiteindelijk ontkomen ook de muzikanten niet aan de strijd. Farouq peinst er niet over om een geweer ter hand te nemen, maar de vrijzinnige sjiieten Hussein en Nour hebben zich opgegeven als vrijwilliger bij het leger. Om hun stad tegen extremisme te beschermen, zeggen beiden - zeker niet uit sektarische overwegingen.

Binnenkort worden ze waarschijnlijk opgeroepen, en verruilen de twee twintigers hun luit en trommels voor kalasjnikovs. Ze zullen strijden voor een regering gedomineerd door sjiieten, tegen een opstand van ontevreden soennieten onder aanvoering van het extremistische ISIS. Of de liefde voor muziek de jongens daarna weer zal verenigen met hun soennitische bandleden is de vraag.

Farouq Fouad gitarist

undefined

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden