Bacchus versus belladonna

Een schrijver van wie bekend is dat hij drugs gebruikt, wekt nog steeds associaties op met onleesbaarheid en wartaal. Maar een schrijver die flink inneemt, wekt zo niet respect dan toch grote fascinatie op....

Joost Zwagerman

EEN vriend van George Orwell rookte iedere avond een stevige opiumpijp en hoorde na enige tijd steeds dezelfde magische frase in zijn hoofd rondzingen. Het was een wonderlijk stel woorden dat het geheim van het universum blootlegde, maar omdat de opiumroes telkens zó overweldigend was, kwam Orwells vriend er maar niet toe die allesverhelderende zinsnede op te schrijven. Op een nacht lukte het de man om, in het diepst van zijn opium-euforie, de zin aan het papier toe te vertrouwen. De volgende ochtend zat hij ontnuchterd aan het ontbijt, zocht zijn notitieblok en las wat hij die nacht had opgeschreven: 'De banaan is groot, maar de schil is nóg groter.'

George Orwell vertelde deze anekdote ooit aan zijn collega Arthur Koestler, die er geen grap in zag maar een verhaal met een moraal: vertrouw nooit op je ziel, zaligheid en zintuigen wanneer je drugs gebruikt.

Koestler nam Orwells anekdote op in 'Return trip to Nirvana', een essay uit 1967 waarin hij ageerde tegen de volgens hem valse euforie onder trippers en hippies, farmacologen en Beatdichters over de effecten van 'geestverruiming' en hallucinaties door drugs op het maken van kunst en literatuur. Al die benevelde kunstenmakers gleden volgens Koestler onvermijdelijk uit over hun kosmische bananenschil.

Zelf had Koestler wel degelijk enige ervaring met drugs. In zijn essay brengt hij verslag uit van zijn eenmalige consumptie van psylosibine - tegenwoordig bekend als magic mushrooms of paddo's. Onder medische begeleiding nam Koestler een afgewogen hoeveelheid. De effecten waren opzienbarend - of in ieder geval door Koestler met gevoel voor spektakel beschreven. Hij waande zich gedurende enige tijd een soort Dorian Gray. Eveneens stond hij oog in oog met dinosauriërs, van wie de koppen op een gegeven moment veranderden in de tronies van Gestapo-officieren. Niettemin concludeerde Koestler achteraf: 'I disagree with the enthusiasts' belief that mescalin and psylosibin will provide artists, writers or mystics with new insights, or revelations, of a transcedental nature.'

Aldous Huxley beweerde in The Doors of Pereception (1954) juist het tegenovergestelde. Negen jaar voor zijn dood, en met een groot en indrukwekkend oeuvre op zijn naam, nam Huxley viertiende miligram mescaline in, opgelost in water. De effecten van deze eerste consumptie vormden de directe aanleiding voor de lofzang op geestverruimende middelen in The Doors of Perception, waarin hij onder meer zijn collega-schrijvers een periodieke dosis van harte aanbeval: 'De beste visioenen oproepende kunst wordt voortgebracht door mannen en vrouwen die zelf een visionaire ervaring hebben gekend; maar het is voor alle kunstenaars mogelijk om werk van 'overdragende' kracht te creëren, gewoon door zich te houden aan een betrouwbare en goedgekeurde receptuur.'

Nieuwgierig geraakt door de uiteenlopende bevindingen van Huxley en Koestler veroorloofde ik mij zo'n twaalf jaar geleden enige zelfmedicatie. Vol goede moed heb ik toen eens geprobeerd om 'onder invloed' literatuur te maken. Ik schreef pagina's vol, dat wel, maar veel publicabels zat er achteraf niet bij. Buiten werktijd kan ik geen enkel bezwaar verzinnen tegen periodieke drogering zolang je er anderen geen last mee bezorgt, maar tijdens het schrijven zweer ik bij koffie en thee - meer niet. De hamvraag is intussen: wie ben ik, en, in direct vervolg, wie is Koestler om de eigen ervaringen als maatgevend te beschouwen? Omdat hij zélf niet 'geïnspireerd' raakte door de psylosibine, deed Arthur Koestler voor het gemak maar meteen alle drugs als aanjager van creativiteit in de ban.

Koestler zweeg in zijn essay over de schrijvers voor wie drugs wél van gunstige invloed waren op hun werk. Zo twijfelde Thomas de Quincey er niet aan dat een opiumroes de literaire potentie van de schrijver versterkte en de verbeelding naar ongekende hoogten wist te stuwen. Dromen werden erdoor opgewekt én ontsluierd - een soort allesopenbarende dubbele helix, waar zijn kleine meesterwerk Confessions Of An English Opiumeater (1822) de praktische neerslag van is.

Van De Quincey's tijdgenoot Samuel Coleridge is bekend dat hij laudanum, een opiumtinctuur, innam alvorens aan het dichten te gaan. Ook Baudelaire was bekend met opium, dat hij in Les paradis artificiels, een soort vergelijkend warenonderzoek van roesmiddelen, gunstig beoordeelde. Over hasj was Baudelaire minder positief. Hij erkende dat hasj 'genie kan verlenen, of het tenminste kan vergroten' maar voegde eraan toe: 'hij (de hasj, JZ) schenkt verbeelding zonder de macht om er gebruik van te maken'. Terwijl Koestler negatief oordeelde over de literaire 'bruikbaarheid' van psylosibine, was Baudelaire dus vooral sceptisch over het in onze tijd als onschuldig bekend staande hasj.

De Quincey, Baudelaire en Coleridge zijn niet de enige schrijvers die ooit inspiratie en heil vonden in de drugsroes. Een 'onverdacht' auteur als Havelock Ellis schreef in 1898 een enthousiast verslag over zijn ervaringen met mesacline. Van alcohol bij het schrijven moest Ellis niet veel hebben, omdat het het intellect verdoofde, terwijl mescaline juist het denken aanscherpte. Een recenter voorbeeld: in Duitsland haalde Walter Benjamin - evenmin als Ellis iemand die we associëren met drugsgewoonten en abracadrabra - in de jaren zestig in een luchtig gelegenheidsartikel warme herinneringen op aan de hasjpijp.

Ondanks deze en andere voorbeelden wekt de schrijver van wie bekend is dat hij drugs gebruikt of heeft gebruikt nog steeds associaties op met onleesbaarheid en wartaal. Nog in 1998 bevestigde een recensente van NRC Handelsblad dit idee, in een bespreking van King Acid van Peter ten Hoopen: 'Het ''drugsboek'' is een moeilijk genre. Schrijven over alcohol gaat nog wel, maar zodra het om geestverruimende middelen gaat, hebben zelfs beroemde auteurs als William Burroughs moeite hun boeken leesbaar te houden.'

De geest van Koestler waart prominent rond in dit citaat. Schrijvers van 'drugsboeken' roepen automatisch de verdenking over zich af er een ondoordringbare jive talk op na te houden, vol ongecontroleerde woordkramerij en autistische exaltatie. Het is ironisch dat de recensente juist William Burroughs noemt. Burroughs gebruikte gedurende veertien jaar de drug die bij uitstek een demonische reputatie heeft: heroïne. 'Opium voor het volk' is in onze tijd verschrompeld tot een zegswijze met een nostalgische klank, en hasj is inmiddels dermate sociaal geaccepteerd dat er van de gemiddelde gebruiker toch vooral iets oubolligs en bezadigds uitgaat. Maar heroïne is andere koek. Wie het gebruikt, is een junk, zo eenvoudig is dat, en junkies staan erom bekend dat ze niets creëren, hoogstens overlast. De schrijver die zich eraan waagt zal zichzelf linea recta naar de periferie van de literatuur gemanoeuvreerd zien worden.

William Burroughs is het beste voorbeeld van die marginalisering. Hij staat te boek als de godfather van de junkies. Maar de ironie wil dat Burroughs zijn 'moeilijke', boeken nu juist schreef nadat hij van de heroïne was afgekickt. Zijn 'onleesbaarheid' stoelt ook niet zozeer op druggebruik alswel op een literair programma van 'cut-ups', volgens welke de schrijver eigen en andermans teksten willekeurig verknipt en herschikt. De novelle Junky is daarentegen Burroughs' toegankelijkste boek. Junky schreef hij wél in de tijd dat hij verslaafd was. Het is een glashelder, bijna 'zakelijk' geschreven novelle over de bijzonderheden van een heroïneverslaving. De stijl, onopgesmukt en kaal, houdt het midden tussen Armando en Tim Krabbé: zéér leesbaar, al met al.

Terwijl men zich bij gedrogeerde schrijvers over het algemeen onverstaanbare hakkelaars voorstelt, wekt de dronken schrijver daarentegen zo niet respect, dan toch grote fascinatie op. Alcohol en schrijven vormen, als onderdeel van het geromantiseerde beeld van het schrijverschap, een bijna onverbrekelijke combinatie. Gek is dat eigenlijk. Havelock Ellis wist al dat drank het schrijven zelden gunstig beïnvloedt. Wie intussen van mening is dat druggebruik meer taalvaardigheid kapot maakt dan de schrijver lief is, zou consequent moeten zijn en die regel ook moeten toepassen op alcohol. Dan zou vanaf heden ook de stevig drinkende schrijver in de beklaagdenbank moeten. Maar dáár piekeren we niet over.

In vergelijking met het aantal dopeheads kent de literatuur een overbevolking aan stevige drinkers en alcoholisten. Zou bijvoorbeeld de Amerikaanse literatuur worden 'gezuiverd' van zware drinkers, dan zou er een onpeilbaar gat vallen door het gemis van F. Scott Fitzgerald, William Faulkner, Edmund Wilson, Dorothy Parker, e. e. cummings, John Steinbeck, Robert Lowell, John Cheever, Tennessee Williams, Raymond Chandler. En dat is nog maar een kleine greep. Van al deze schrijvers is bekend dat ze een drankprobleem hadden. Maar bij geen van hen wordt hun alcoholisme gezien als het eerste en laatste kenmerk om hun werk te typeren.

Ook de Nederlandse literatuur kent zo haar innemers. Gerard Reve en A. F. Th. van der Heijden hebben over deliria en dipsomanie geschreven, maar niemand haalt het in z'n hoofd om hen, parallel aan het etiket junkie-schrijver, 'schrijvers-alcoholici' te noemen. Verruil je de fles echter voor hasj, pil of poeder, dan bezegel je tegen wil en dank direct je literaire reputatie. Het oeuvre van Simon Vinkenoog is groot, en waar Reve in bijvoorbeeld Op weg naar het einde en Nader tot U herhaaldelijk in zangerige stijl de alcoholroes memoreert, schuwt Vinkenoog zeker niet een literaire evocatie van de effecten van hasj en LSD. Maar drugsgebruik vormt in onderwerp niet het merg van zijn oeuvre. Toch is Vinkenoog door een in de literaire kritiek aangeblazen beeldvorming vergroeid met joint en LSD-klontje en dicteert de mythe dat bij hem de hasjdampen van de pagina's walmen en zelfs de bladspiegel mee-hallucineert. Vinkenoog kan schrijven wat 'ie wil, maar deze van buitenaf uitvergrote mythe is moeilijk af te breken of zelfs maar te nuanceren.

En dan is Vinkenoog in de Nederlandse literatuur niet eens de schrijver bij uitstek wiens druggebruik van beslissende invloed was op de kritische waardering voor zijn werk. Toen René Stoute in 1982 debuteerde met Op de rug van vuile zwanen was hij lang en breed afgekickt van de heroïne. Toch werd hij in de literaire kritiek steeds maar weer opgevoerd als 'de junkie-schrijver', zeker toen hij zich ook in zijn daaropvolgende boeken concentreerde op het even jachtig als uitzichtloos bestaan van hosselen en dealen.

Die thematiek kwam Stoute in 1985, bij het verschijnen van zijn derde roman Uit het achterland, te staan op een badinerende en agressieve kritiek van Reinjan Mulder in NRC Handelsblad. Over de literaire kwaliteiten van Uit het achterland kwamen we via Mulder niets te weten. Geen enkele opmerking over de vorm, de stijl, de kracht van de fabel. In plaats daarvan verweet de recensent Stoute zijn junkenverleden. Mulder rekende Stoute een 'onvermogen tot spijt betuigen' aan voor de kruimeldiefstallen die de junks in zijn boeken plegen en die de schrijver zelf indertijd, in de ogen van de één-op-één afrekenende criticus Mulder, eveneens moet hebben gepleegd. Reinjan Mulder desavoureerde kortom de schrijver Stoute omdat hij zich opwond over de ex-junk Stoute: 'Deze schrijvende injectiespuit Stoute moet kennelijk zijn eerste werkelijke gemoedsaandoening nog krijgen. Tussen het vuilnis in zijn kraakpand is hij zozeer afgestompt dat hij voor wat werkelijk mooi is blind geworden is. En dan nu mijn fiets terug.'

Vooral dat laatste zinnetje, vermoedelijk zowel lollig als neerbuigend bedoeld, was natuurlijk de achterdeur uit. Ooit zal Mulders Gazelle wel eens zijn gejat, en vervolgens moest degene in Nederland die over een junkenbestaan schreef, voor die diefstal boeten. Wie op dergelijke morele gronden en gevoed door particuliere ongenoegens een roman naar de schroothoop verwijst, kan wel aan de gang blijven. Nog even en de erven Nabokov krijgen Paul Marchal op hun dak. De moord op zijn dochter An mag dan zijn gepleegd door Marc Dutroux - maar de aanstichter van alle kwaad is natuurlijk de schrijver van Lolita.

Reinjan Mulder hield zijn filippica tegen Stoute een jaar vóórdat Frans Kellendonks Mystiek Lichaam door Aad Nuis in de Volkskrant op in principe dezelfde buitenliteraire gronden werd veroordeeld. De antipathieke hoofdfiguur Gijselhart ventileert in Mystiek Lichaam enige niet mis te verstane vijandigheden wanneer zijn dochter komt aanzetten met een joodse verloofde, Bruno Pechman genaamd. Een en ander bracht Nuis tot de conclusie dat Mystiek lichaam vertroebeld raakte 'door een driedubbel geïroniseerd waas van antisemitisme'. Kellendonk en zijn roman zijn veel en vaak verdedigd, ook nog jaren na dato, onder meer door collega-auteurs als Oek de Jong, Bas Heijne, Marcel Möring en Nicolaas Matsier. Stoute en Kellendonk zagen zich voor dezelfde kritiek geplaatst; hun personages gedroegen zich niet volgens wat Marcel Möring in zijn verdediging van Mystiek Lichaam 'het geldende algemeen maatschappelijk gewenste denken' noemde, en beide auteurs werden moreel aansprakelijk gesteld voor gedrag en gedachten van hun personages.

Het is opmerkelijk dat deze schrijvers in slagorde stonden opgesteld om Kellendonk te verdedigen terwijl het om Stoute griezelig stil bleef toen hem een buitenliteraire troebelheid werd verweten. Stoute moest het zelf maar opknappen - en dat deed hij ook, in een gespierd polemisch stuk in Vrij Nederland. Heijne, De Jong en Matsier keken toevallig net even de andere kant op toen Uit het achterland om buitenliteraire redenen onder vuur kwam te liggen. Vermoedelijk zullen de verdedigers van Mystiek lichaam tegenwerpen dat ze nu eenmaal meer affiniteit hebben met Mystiek lichaam dan met Uit het achterland en dat Mystiek lichaam van hogere literaire kwaliteit is. Maar affiniteit en kwaliteit kunnen natuurlijk niet de sleutelwoorden zijn bij het verdedigen van de principiële - en voor de literatuur essentiële - vrijheden en bevoegdheden van de schrijver.

In een literair klimaat waarin men in toenemende mate taalt naar openhartigheden over 'de persoon achter het werk' bestaat een streng onderscheid tussen gewenste en ongewenste intieme onthullingen. Gewenst zijn dié intimiteiten waar het publiek zich in kan herkennen ófwel waar een folkloristische charme vanuitgaat. Herkenning: de seksuele twijfelaar, de rouwende weduwe, de kantoortijger. Folklore: de man in dameskleren, de zonderlinge kluizenaar. Al die schrijversgestalten vinden wij reuze interessant - met hors concours: de drinkebroer. De schrijver die laat blijken graag een borrel te lusten is onze nationale troetelbohémien. Een stevige drinkgewoonte verschaft het schrijverschap een aura van heroïek en integriteit. De drinkende schrijver is de échte schrijver. Zoniet de ex-morfinist of de vrolijke cannabist. Zij vormen de literaire paria's, het uitschot, de non-valeurs.

Er is geen opiumroes nodig om in variatie op het inzicht van George Orwells benevelde vriend het volgende raadsel op te geven. Wat is nóg groter dan de banaan en de schil? Antwoord: het hardnekkige vooroordeel over het consumptiepatroon dat een échte schrijver er op na dient te houden.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden