Babymoord Van afschuw tot mededogen

De dode baby's waren verborgen in koffers - griezelscènes in een Fries dorp. Eeuwenlang gold babymoord als 'het ergste van het ergste'. Maar uiteindelijk is mededogen met de 'ontaarde moeders' de berechting gaan bepalen. Vandaag begint in Leeuwarden het proces tegen Sietske H.Vier keer zou de tandartsassistente een kind hebben vermoord, dat ze net zelf ter wereld had gebracht. Is ze gestoord? En: 'Hoe zit het met die mannen?'

Alex Burghoorn

Het was bijna winter toen er een babylijkje dreef in een vaart bij het Friese dorp Terhorne. December 1739. De buurtgenoten waren vervuld van afschuw. Het dode kind was van Jeltje Hoytes, een dienstmeisje dat haar broodheer in Holland was ontvlucht. Ze was teruggekeerd naar haar geboortegrond om in het geheim te bevallen. Maar bloedsporen in de gang van haar oud-tante hadden haar verraden. 'Vrouwmensch, hoe bistu hiertoe gekoomen?', riep iemand uit.


Nee, de 26-jarige Sietske H. uit het Friese dorp Nij Beets is bepaald niet de eerste moeder die in Leeuwarden terecht staat wegens het vermoorden van haar pasgeboren baby.


Duik het 18de-eeuwse archief van de Friese rechtbank in en je vindt maar liefst zestig dossiers van babymoordzaken tussen 1700 en 1811. Van Franeker tot Menaldum, van Heidenskip tot Bolsward, van Ferwerd tot Pingjum, Kollum en Kortezwaag - in al die plaatsen heeft ooit een moeder haar pasgeborene gedood.


De intrigerende archiefvondst - in 1988 door Greddy Huisman en Siem van der Woude beschreven in het wetenschappelijke tijdschrift De Vrije Fries - maakt het proces tegen Sietske H. natuurlijk niet tot een typisch Friese aangelegenheid. Neonaticide, zoals het doden van een pasgeborene in de vakliteratuur heet, is een universeel verschijnsel, waar van Rio tot Tokio onderzoek naar is verricht. Wel laten de oude Friese dossiers duidelijk zien dat het al eeuwen schier onbevattelijk is dat een moeder haar eigen kind doodt.


De rechtbanknotulen van de 18de- eeuwse zaken zijn verbluffend levendig. Voor die tijd is de procesgang ongebruikelijk gedetailleerd gedocumenteerd. Niet alleen de vonnissen zijn bewaard gebleven. Alle verklaringen van daders, getuigen en advocaten zijn op papier gezet. In vergelijking daarmee kwamen moord en doodslag onder volwassenen er bekaaid vanaf bij de griffie.


Het kan niet anders dan dat buitenstaanders ruim 250 jaar geleden net zo verwonderd waren door babymoord als tegenwoordig. Eeuwenlang gold neonaticide als 'het ergste van het ergste', zegt forensisch psycholoog en criminoloog Frans Koenraadt.


De Romeinen hadden een speciale straf voor een moeder die haar baby had vermoord: ze stopten haar samen met een slang en andere dieren in een zak, en gooiden die dan in een rivier. Hoe primitief dat ook mag lijken, nog in 1702 was 'verdrinking in de zak' de straf die Dirckjen Dircx in Leeuwarden kreeg opgelegd. Het Friese dossier telt tot 1735 nog tien 'gewone' verdrinkingen. Soms liet de Friese rechtbank dat vooraf gaan door een 'te pronk stelling met pop': de armzalige moeder werd voor vijftien minuten op een schavot tentoongesteld om de bevolking een wijze les te leren.


'Een moeder die haar baby doodde, moest wel ontaard zijn', zegt rechtshistoricus Sjoerd Faber. 'Ze verdiende de zwaarst mogelijk straf.' In het 17de- en vroeg-18de-eeuwse Amsterdam was dat niet anders dan in het Friese merengebied, blijkt uit archiefonderzoek van Faber. Zo kreeg Maritje Jans uit Taemen in 1640 wurging opgelegd en 'blakering van het gelaat met brandend stro' - dat waren de dagen van de illustere Gouden Eeuw.


Het was rechtspraak die wortelde in tradities van vóór de Verlichting, zegt Koenraadt. Hij is als hoogleraar forensische psychiatrie en psychologie verbonden aan het Willem Pompe Instituut voor Strafrechtwetenschappen van de Universiteit Utrecht. 'Toen stond de daad zelf centraal. Pas later krijgt de dader - zijn of haar motieven en gesteldheid - meer aandacht.'


Zodoende was tot ruwweg 1740 een terdoodveroordeling de geëigende straf voor babymoord, zegt Faber. Hij was tot zijn emeritaat in 2009 als hoogleraar rechtsgeschiedenis verbonden aan de Vrije Universiteit in Amsterdam.


Wie zich verdiept in de geschiedenis en verklaringen van neonaticide, komt al snel terecht bij het werk van Koenraadt (1952) en Faber (1944). Vanuit hun verschillende disciplines hebben zij sinds de jaren zeventig toonaangevende artikelen geschreven.


Sjoerd Faber kwam bij toeval op het spoor van neonaticide, toen hij zich verdiepte in de grote veranderingen die de strafrechtpleging in de 18de eeuw heeft ondergaan. De kindermoordzaken waren voor hem een goudmijn, omdat daarvan uitgebreide verslagen bewaard zijn gebleven. In die reacties en beschrijvingen was veel informatie te vinden 'die voor een sociaal-historicus interessant is'.


Uit de archieven komt kindermoord naar voren als een 'dienstbodendelict'. Het betreft vrijwel steeds jonge, ongehuwde dienstmeisjes voor wie een kind een bedreiging was. Het tastte niet alleen hun eer aan, ze zouden vrijwel zeker ook hun werk verliezen. Zulke sociaal-culturele verklaringen hebben vanzelfsprekend de overhand in het tijdperk voor de ontdekking van de psychologie. Vereenzaming en armoede lagen op de loer. Maar in hun verklaring voor de rechtbank gooiden ze het zelden of nooit over die boeg.


'De vrouwen wisten op een of andere manier wat ze moesten zeggen, om de doodstraf te ontlopen', zegt Faber. 'Hun verklaringen komen op allerlei punten overeen. Bijvoorbeeld: ik wist niet dat ik zwanger was. Of: het kind is dood geboren. Zolang ze niet zeiden dat ze het ter dood hadden gebracht, was er een kans dat de rechter niet de zwaarste straf zou opleggen.'


Frans Koenraadt is onder meer gespecialiseerd in onderzoek naar doding in gezinsverband. Als rapporterend psycholoog is hij ruim twintig jaar verbonden aan het Pieter Baan Centrum, dat altijd de psychische gesteldheid van verdachten van een misdrijf beoordeelt. 'Babymoord is een universeel, maar niet een uniform delict', zegt hij. 'De veronderstelling is dat het kind actief wordt gedood. Maar dat hoeft niet. Een moeder kan het kind ook wegleggen, buiten beeld houden vanuit een soort radeloosheid. Als het winter is en een baby wordt buiten gelegd, dan overlijdt het aan onderkoeling.'


De grens tussen te vondeling leggen en babymoord is altijd vaag geweest. Het maakt het tot op de dag van vandaag onmogelijk vast te stellen hoe vaak babymoord precies voorkomt. De ontdekking berust vaak op toeval - een kind van wie niemand wist dat het in aantocht was, wordt ook niet gemist als het verdwenen is. Dienstboden konden hun kind alleen niet zo makkelijk buiten wegleggen, 'omdat ze het huis niet uit mochten', zegt Faber. Ze gooiden het dichtbij in de gracht of lieten het na de bevalling achter in 'het sekreet', het vroegere toilet. Zo liepen zij meer kans dan de meeste andere vrouwen om ontdekt te worden - en zo kennen wij eigenlijk vooral hun verhalen.


De omslag in de beoordeling van babymoord kwam in de tweede helft van de 18de eeuw, toen zich onder de rechters 'een vorm van mededogen met de moeders' ontwikkelde, zegt Faber.


Die tendens van sociale bewogenheid werd kracht bijgezet in de literatuur van de 19de eeuw. In Nederland bijvoorbeeld in het werk van J.J. Cremer, waarover Fabers echtgenote, Neerlandica en juriste Gretha Donker, publiceerde. Zijn roman Anna Rooze (1868) heeft onder meer kindermoord als onderwerp. De destijds populaire Cremer heeft medelijden met 'de moeder, die door schaamte gedreven, haar onschuldig wichtje het pas geschonken leven benam'.


Stapsgewijs leidde dat tot de opmerkelijke wetsartikelen 290 en 291 in het Nederlands Wetboek van Strafrecht. Ze zijn opgesteld in 1881, nog voor de psychiatrie en psychologie hun grote vlucht namen. En ze bepalen dat een moeder die haar pasgeboren kind doodt of zelfs met voorbedachten rade vermoordt, relatief mild gestraft dient te worden: maximaal zes respectievelijk negen jaar gevangenisstraf. Het verschil met 'gewone' doodslag of moord is groot: maximaal 15 jaar of levenslang.


De 'verzachtende omstandigheden zijn ingebakken in de wet', zegt Faber. 'Bijzonder', noemt Koenraadt dat. De wetgever heeft zich er zo rekenschap van gegeven dat de omstandigheden van een moeder anders zijn dan van de 'gemiddeld normale vrouw'. De zware fysieke ervaring van de bevalling is een strafverminderende omstandigheid. Het betekent ook dat de vader, in de zeldzame gevallen waarin die betrokken is geweest bij de babymoord, een hogere straf kan krijgen dan de moeder - zijn verantwoordelijkheid is in zo'n geval groter.


De vooroorlogse liedschrijver Koos Speenhoff schreef er ooit het lied 'De geschiedenis van twee aardige mensen' over. Een jongen en een meisje 'die hielden zoveel van elkander, alsof er geen wetboek bestond'. Het vijfde couplet gaat zo.


De vader riep: 'Aap van een jongen!


Ga gauw bij dat schepsel vandaan,


En geef haar een bankje van honderd


Dan is er de zaak mee gedaan.'


Toen bleef ze alleen met haar kindje,


Geen mens die haar hielp in de nood,


Ze beefde van angst en van schande,


En maakte haar kindje toen dood.


De beschikbaarheid van anticonceptie en het legaliseren van abortus hebben zeker bijgedragen aan een afname van het aantal babymoorden. Maar verdwenen is het fenomeen niet. Op het eerste gezicht lijken de sociaal-culturele redenen om tot deze daad te komen, weggenomen. En zijn alleen de psychisch gestoorde gevallen over. Maar dat is veel te zwart-wit gesteld, zegt zowel Koenraadt als Faber.


'Ik geloof niet zo dat het alleen geestesziekte is', zegt Faber. 'Je eerste gedachte, als je bijvoorbeeld van de zaak in Friesland hoort, is: daar is iemand echt gestoord. Maar ik kan me voorstellen dat min of meer rationele motieven hebben gespeeld. Hoe zit het met die mannen? Je kunt niet op voorhand uitsluiten dat er een verklaring is.'


De meeste veroordeelde moeders zijn de afgelopen jaren in verschillende mate verminderd toerekeningsvatbaar verklaard. Maar niet allemaal, benadrukt Koenraadt. 'Er zijn daders met volledige toerekeningsvatbaarheid. Dat wordt nogal eens uit het oog verloren. Het komt een enkele keer wel voor dat een vrouw zich meldt bij de huisarts of EHBO-post met 'buikklachten', die tot haar verbazing in verwachting blijkt te zijn. En dat is nog iemand die zich bij de hulpverlening meldt. Je kunt een zwangerschap negen maanden voor je uitschuiven. Maar als de bevalling zich aandient, kun je die niet meer voor je uitschuiven. Zo kan de bevalling overrompelend uitwerken.'


'Het riool braakt zijn ellende uit' - litho van Richard Roland Holst, circa 1898.


Vier babylijkjes op zolder

De 26-jarige Sietske H. uit Nij Beets wordt ervan verdacht tussen 2002 en 2010 vier van haar eigen, pasgeboren baby's om het leven te hebben gebracht. Het proces tegen haar begint dinsdag met een pro forma-zitting bij de rechtbank in Leeuwarden. De zaak kwam in augustus aan het licht na een tip van de tandarts bij wie H. als assistente werkzaam was. De stoffelijke overschotten van de baby's had H. opgeborgen in koffers op de zolder van haar ouderlijk huis in het Friese dorp Nij Beets. Ze is de enige verdachte.


Seriële kindermoord is zeldzamer - en trekt zodoende meer aandacht - dan enkelvoudige babymoord. In 2006 is Etta A. uit Beverwijk veroordeeld tot drie jaar cel en tbs met dwangverpleging, omdat ze vier baby's na de bevalling had verdronken in bad. In 2009 is Marike H. uit Almelo tot 1,5 jaar cel en tbs met dwangverpleging veroordeeld na twee baby's om het leven te hebben gebracht.


In Noord-Frankrijk kwam eerder dit jaar een zaak aan het licht van een 45-jarige vrouw die acht baby's zou hebben gedood, en in de tuin begraven. In 1990 werd een viervoudige kindermoord in Frankrijk ontdekt. In Japan is in 1981 een soortgelijke zaak beschreven: een vrouw raakte vrijwel jaarlijks in verwachting, waarna zij met haar man de doding voorbereidde. Ze waren te arm om anticonceptie of abortus te betalen.


Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden