'Autobiografie zonder ik'

Ik ben u zeer erkentelijk', schreef Marguerite Yourcenar halfweg april 1977 aan schrijver en oud-directeur van de 'Parijse Galeries Lafayette Max Heilbronn, 'voor de toezending van het krantenknipsel uit Le Figaro over de sluiting van Hotel Saint-James et d'Albany en de verkoop van de inboedel.' Dat knipsel stemde haar zelfs...

Yourcenar, die honderd jaar geleden is geboren - op 8 juni 1903, heeft talrijke keren in dat Parijse hotel gelogeerd; ze had er ooit bagage achtergelaten. Yourcenar liet wel vaker koffers achter in een hotel. Dit keer ging het alleen om een soort hutkoffer en een grote kartonnen doos waarin eerste uitgaven van haar boeken zaten of nummers van tijdschriften waarin artikelen van haar waren verschenen. Ze werden opgeslagen in een berghokje op de tussenverdieping, 'links van het trappenhuis, aan de Albany-kant'. Ook in Hotel Meurice te Lausanne liet de schrijfster ooit in 1939 koffers achter, die - toen ze die jaren later in Amerika openmaakte - de kladversie van haar beroemde boek Mémoires d'Hadrien bleken te bevatten.

Ze wiste haar verleden uit. Soms streepte Yourcenar gebeurtenissen uit haar leven weg. Ze regisseerde ook haar nalatenschap. De ondertitel van de biografie die Josyane Savigneau over haar schreef, luidt: 'De regie van een leven'. Ze nam die regie zelf in handen. Yourcenar deed vaak brieven en paperassen weg. Tussen 1980 en 1987, het jaar van haar dood, heeft ze veel kopieën van haar brieven, toch bedoeld om bewaard te blijven, in het vuur van de haard in Petite Plaisance gegooid, haar huis op Mount Desert Island in het Amerikaanse Maine.

Haar levensgezellin Grace Frick had ze veertig jaar lang samengevat, gecensureerd en van commentaar voorzien. Maar Yourcenar gooide ze liever weg, zoals ze ook koffers in hotels achterliet. Alleen de brieven aan Grace (die ze altijd Grâce noemde) heeft ze niet vernietigd, maar die moeten per testamentaire beschikking vijftig jaar verzegeld bewaard worden.

Een dichter, heeft de Franse schrijver René Char ooit eens gezegd, 'moet sporen van zijn levensloop nalaten, geen bewijzen; alleen sporen doen dromen'. Yourcenar wist dat zij 'prooi voor biografen' zou worden. En die vergissen zich bijna altijd, 'omdat zij over de mensen over wie ze spreken alleen maar oppervlakkige inlichtingen hebben'. Daarom schreef ze zelf over haar verleden, of liever, over het verleden van haar ouders en haar voorouders. Ze had besloten, zegt Savigneau in Marguerite Yourcenar - L'invention d'une vie, 'iedereen voor te zijn'.

Zowel in Brussel, waar Marguerite Cleenewerck de Crayencour (Yourcenar is een anagram) in een weelderig maar intussen gesloopt pand aan de Louizalaan is geboren, als in het Noord-Franse Sint-Janskapel uit haar jeugd kun je nu nog in de voetsporen lopen van de schrijfster. Daar op de Mont-Noir, in het familiekasteel op de Zwarteberg, bracht Yourcenar tot 1912 de zomermaanden door.

Naar aanleiding van de centenaire van haar geboorte verschijnen verschillende boeken over Yourcenar, hommages en fotoboeken over haar kinderjaren in Vlaanderen en haar latere zwervend bestaan. Er worden literaire congressen en tentoonstellingen georganiseerd, onder meer eind dit jaar in de Brusselse Koninklijke Bibliotheek, en literaire wandelingen in zowel Brussel, door het Yourcenar-centrum, als in het Noord-Franse Sint-Janskapel, door het Musée Marguerite Yourcenar.

In haar boeken construeert Yourcenar die 'wereld van gisteren' die we kennen van vergeelde familiefoto's. Ze herinnert zich het kasteel van de Crayencours en de tuinen op de Mont-Noir, 'het toefje klaprozen, de verdwaalde korenbloemen die haar ontroeren'. De aanhef van haar panoramische familiekroniek, de trilogie Le labyrinthe du monde, is onvergetelijk: 'L'être que j'appelle moi', schreef ze, kwam op een zekere maandag 8 juni 1903, rond acht uur in de morgen, in Brussel ter wereld. 'Un certain lundi.' In een essay over de schrijfster in het onlangs verschenen Wachtend op de Barbaren noemt Luc Devoldere (ook mede-auteur van Marguerite Yourcenar - Une enfance en Flandre) die kroniek 'een autobiografie zonder ik'. Zijn stelling luidt: onze grote schrijvers zijn iedereen omdat ze niemand zijn. 'Zelfs in hun autobiografie hebben ze het nauwelijks over zichzelf. Ze redden ons uit onze gevangenis, brengen ons - al is het maar in gedachten - naar het andere, de andere.'

Haar kroniek is een spiegel van de 19de eeuw, een speurtocht naar de historische lijnen van haar afkomst, waarvan je nu nog sporen aantreft in Noord-Frankrijk en Henegouwen. Haar reconstructie van de tijd van haar voorvaderen is een constructie, een montage - een livre fait de souvenirs. 'Wat ze zegt over het geheugen (geen collectie van gerangschikte documenten maar een levende en veranderende instantie)', zegt Devoldere, 'geldt ook voor haar romanesk vermogen: het brengt dood hout bijeen om er weer vlammen van te maken.'

Al toen ze twintig was, wilde ze een historische roman over haar familie schrijven, een soort 'genetisch labyrint' over haar voorouders. In Archives du Nord (archief!) gaat het over de familie van haar Franse vader, Michel de Cleenewerck de Crayencour; in Souvenirs pieux (bidprentjes!) over haar moeders familie, kleine adel uit het Waalse Henegouwen.

In Vous, Marguerite Yourcenar - La passion et ses masques, een boek waarin haar biografe Michèle Sarde letterlijk de schrijfster aanspreekt, worden we herinnerd aan haar jeugd op de Zwarteberg, aan het familiehuis bij Bailleul en aan haar moeder die een week na Yourcenars geboorte aan kraamvrouwenkoorts was gestorven. 'Dat u Fernandes afwezigheid niet als een gemis hebt gevoeld', schrijft Sarde, 'dat u niet naar de aanwezigheid van een vrouw hebt verlangd, bij het naar bed gaan zo min als bij het huiswerk, komt doordat meneer de Crayencour, schoolmeester en toezichthouder, vader en moeder tegelijk, voor u elke rol heeft weten te vervullen.'

'Het zijn niet zozeer gebeurtenissen in het eigen leven die me van belang lijken', schreef Yourcenar aan het slot van Quoi? L'Éternité, het laatste deel van haar familiekroniek, 'als wel de wegen waarlangs bepaalde ervaringen mij hebben bereikt'. Ze hield pas van de mensen die in haar kinderjaren tot haar omgeving behoorden of haar pad hebben gekruist 'zodra zij er personages van had gemaakt'. Roman en essay versmelten; herinneringen van haar en anderen worden literatuur.

Aan het eind van haar leven liet ze op het kerkhof van Somesville, waar zich de as van Grace bevindt, aan een vriendin een kleine zwarte grafsteen zien. Ze had op de steen haar schrijversnaam laten beitelen en de inscriptie: '1903-19..'. Yourcenar had die twee eerste cijfers van het jaar van haar overlijden al laten graveren, zoals ze zei, 'omdat ik denk dat het jaar 2000 niet voor mij is'.

Toen ze over haar voorouders schreef, meende ze iets te herkennen van wat ze 'het langzame Vlaamse vuur' noemde. Ze was weliswaar in Brussel geboren - haar moeder was een Belgische - 'maar ik ben evenveel Française als Vlaamse'. Maar, zei ze, 'de Franse cultuur verkalkt en kwijnt weg, zoals alle culturen, kleine of grote, zo gauw zij weigeren deel uit te maken van de universele cultuur'. Yourcenar had veel verschillende culturen, 'zoals ik ook meer dan één land heb'. Eigenlijk, luidde haar slotsom, 'hoor ik bij iedereen'.

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden