Authentiek in zijn schaamteloosheid Dinsdagprofiel Arnon Grunberg

Anderhalf uur voordat hij in Amsterdam zijn opwachting moet maken voor de uitreiking van de Libris Literatuurprijs, is Arnon Grunberg (36) in het radioprogramma De Avonden te beluisteren....

‘Dat alleen al gaf voedsel aan het gerucht dat Arnon niet naar Amsterdam zou komen’, zegt Wim Noordhoek, die iedere maandag in De Avonden een gesprek met Grunberg voert. Terwijl Grunberg per taxi op weg is naar Amsterdam, denken velen in het Amstelhotel dat de auteur van de favoriete roman Tirza zijn gezicht niet zal laten zien. Zo’n verwachting mag Grunberg graag versterken. Daarmee houdt hij de kwalificatie in leven ongrijpbaar te zijn.

De werkelijkheid is veel minder spannend. Grunberg heeft gewoon niet veel op met literatuurfeestjes. Ongrijpbaar? De schrijver die met grote vanzelfsprekendheid feiten tot fictie boetseert en de leugen tot deugd promoveert, heeft ook gewone trekjes. ‘Het lijkt een administratief punt, maar Arnon is een man van grote regelmaat’, zegt Boudewijn Paans, oud-hoofdredacteur van de VPRO-gids, waar Grunberg begin jaren negentig aantrad als columnist. ‘Alles gaat volgens een vast patroon, met ijzeren discipline.’

Dus meldt Grunberg zich die avond, na een taxirit van Berlijn naar Amsterdam, wel degelijk in het Amstelhotel om er na een ultrakort dankwoord (‘Ik ben blij, maar ik weet zeker dat mijn moeder nog veel blijer is’) weer snel te vertrekken.

Anderhalf uur eerder, op de radio, vertelt hij in Berlijn de buurt te hebben bezocht waar zijn ouders (beiden ternauwernood aan de Holocaust ontkomen) zijn geboren. Het bezoek maakte niets bij hem los. ‘Ik voel niks. Als ik geacht word iets te voelen, blijft het uit.’

Ook dat tekent Arnon Grunberg: in kale bewoordingen vertelt de journalist over zijn Berlijnse verblijf. Voor de Grote Schrijver zou bombast en verdichting op de loer hebben gelegen. Hij is daar wars van en zonder een kwinkslag of filosofietje kan dat niet: ‘Het recht om niets te voelen zou misschien kunnen worden opgenomen onder de mensenrechten.’

‘Niemand die zo oprecht leeft als Arnon, niemand!’, zegt theatermaker Jan Ritsema. ‘Hij heeft geen geheimen, legt alles op tafel en is schaamteloos. Niet als actie, zo van: kijk mij nou eens. Nee, het schaamteloze is authentiek. Hij durft de waarheid onder ogen te zien en leeft met die waarheid.’

Hier spreekt de man die met enige verbeelding de ontdekker van Arnon Grunberg kan worden genoemd. ‘De ontdekker is hij zelf’, tempert Ritsema die eind jaren tachtig een ‘leuk, talentvol krullebolletje’ ontmoette bij een toneelauditie. Dat jongetje bleek een productief (toneel-)schrijver wiens mondelinge verhalen alleen al publicatie waard waren.

Amper 21 is Arnon Grunberg als hij onderdak vindt bij Rothschild & Bach, destijds de uitgeverij van Jan Ritsema. Zijn bundel De dagen van Leopold Mangelmann getuigt van ‘een groot, absurdistisch talent’, kijkt Ritsema terug. ‘Ik was echt niet de enige die het fantastisch vond. Hugo Brandt Corstius herkende het talent ook direct.’

Dagblad Het Parool schrijft in februari 1993: ‘Er loopt in Amsterdam een rare jongen rond die alles wat hij meemaakt, meteen in boeken omzet.’

Die, naar later blijkt, rake typering gaat vergezeld van een waarschuwing: ‘Wie Grunberg tegenkomt, hoede zich dus: elk gedachteloos losgelaten woord kan tegen hem gebruikt worden.’

Arnon Grunberg wordt geboren in de Amsterdamse Rivierenbuurt, als enige zoon van getormenteerde joodse ouders. Het gezin, dat ook nog een dochter telt, verhuist enkele jaren later naar Amsterdam-Zuid. In zijn jeugd ontspoort Grunberg en hij wordt van het Vossius Gymnasium gestuurd. De relatie met een zwijgzame vader (overleden) en een volgens hem bemoeizuchtige moeder blijkt een bron van inspiratie.

‘De schoolpsycholoog heeft heel wat uurtjes in hem gestoken’, zegt Anne Mantel, oud-rector van het Vossius. ‘We hebben er alles aan gedaan hem voor school te behouden maar hij was onhandelbaar.’

Huisbezoeken leren dat hij geen gelukkige jeugd had. Mantel: ‘Dat blijkt een goede voedingsbodem voor schrijvers. Zie Maarten ’t Hart en Jan Siebelink.’

Zijn bekroonde debuutroman Blauwe maandagen (1994) is een weerslag van die jeugd. ‘Schrijvers zijn gevangenen van hun verleden’, zegt Grunberg in 2002 als hij voor één keertje terug is op het Vossius. Spijt heeft hij niet. Zijn toekomst was al uitgestippeld.

Zo rond de verschijning van Blauwe Maandagen krijgt Grunberg een landelijk podium in de vorm van een column in de VPRO-gids. Toenmalig hoofdredacteur Boudewijn Paans: ‘Kees van Koo-ten zei me dat ik die Grunberg eens moest bellen. Ik herinner me een beetje nederige jongen die keurig op tijd verscheen. In vijf minuten waren we het eens en zo is de Yasha-column geboren.’

Vic van de Reijt van Nijgh & Van Ditmar (uitgever van Blauwe Maandagen) ontmoet Grunberg voor het eerst tijdens de Buchmesse in Frankfurt. Een jaar later, wederom in Frankfurt, mondt het contact uit in een contract. Van de Reijt beschrijft een alcoholische avond waar Grunberg een column in Boekblad krijgt en hij hem een voorschot toezegt voor een roman.

‘Een week later meldde hij me dat het waarschijnlijk gebruikelijk was onder uitgevers om diep in de nacht na de nodige drank met voorschotten te smijten en dat hij het me niet kwalijk zou nemen als ik me zou terugtrekken. Dat was mijn eer te na. Per kerende post stuurde ik hem een voorschot. ’

Over de column in Boekblad zegt toenmalig samensteller Fred Spek: ‘Een paar weken na Frankfurt lag er in mijn brievenbus een brief met column. Of dit was wat ik in gedachten had. Veel te lang, maar wel al die specifieke Grunberg-kwaliteiten.’

Vele columns en boeken later krijgt Spek, inmiddels redacteur bij uitgeverij De Geus, werk van ene Marek van der Jagt onder ogen. ‘Ík wist helemaal niet dat Arnon daarachter zat, maar de kwaliteit viel me meteen op.’

Ook als Marek van der Jagt valt Grunberg in de prijzen en alle media speculeren over zijn identiteit. De verdenking ligt al snel bij Arnon Grunberg, maar het spel wordt perfect gespeeld. Als Grunberg in NRC Handelsblad schrijft over Marcel Proust volgt er een ingezonden brief van Marek van der Jagt.

Het is van een eigenzinnigheid die kwaad bloed zet, maar Grunberg blijft daaronder volstrekt stoïcijns. ‘Arnon leeft zoals hij wil. Hij past zich niet aan. Hij dóet gewoon en dat geldt ook voor zijn schrijven’, zegt Jan Ritsema.

Columns, recensies, boeken en radioverslagen, op de productie van Grunberg zit geen rem. ‘Hij is een gedisciplineerd, maar ook een enthousiast baasje dat zeer nieuwsgierig is en overal op afstapt’, zegt Boudewijn Paans over de journalistieke inslag van Grunberg. ‘Een wereldburger die overal het verhaal in ziet en altijd op reis is. Hij is ook liever niet thuis, want thuis heb je geen ober, zoals hij altijd zegt. Zijn productie is gigantisch. Misschien heeft hij thuis in New York een fabriekje waar hij jonge meisjes met de zweep bewerkt.’

Ook Vic van de Reijt beklemtoont de journalistieke kant aan Grunberg. ‘Ik vergelijk hem wel eens met Kuifje. Hij gaat overal op af, kan goede vragen stellen en gesprekken manipuleren.’

Wim Noordhoek: ‘Arnon is een heel goede waarnemer. Als hij in Uruzgan is, ziet hij dingen die anderen niet zien.’

Of alles waar is wat hij beschrijft is van ondergeschikt belang. Ten eerste huldigt hij het standpunt dat de journalist die op zoek is naar de waarheid het verkeerde vak heeft gekozen. En ten tweede kunnen leugentjes lonend zijn.

‘De kleuterjuffrouw waarschuwde mijn moeder dat ik fantasie en werkelijkheid niet uit elkaar kon houden’, vertelt Grunberg in 2006 aan Psychologie Magazine. ‘Maar ik was niet gek. Ik wist wat ik verzon. Als je een verhaal verzint en iemand gelooft het, heb je macht. Macht is iets wat ik graag wilde hebben. Als kind speelde ik niet graag met andere kinderen, omdat ik ze moeilijker manipuleerbaar vind dan volwassenen.’

Het voordeel van volwassenen is dat ze snel op de kast zitten, ontdekt Grunberg op jonge leeftijd. Over zijn drang om te pesten zegt hij in datzelfde gesprek: ‘Dat pesterige heb ik van thuis meegekregen. Met een mes prikken en dat dan een beetje ronddraaien, ik mag het graag doen.’

Zich verloven met een 88-jarige New Yorkse (vorig jaar is de vrouw overleden) past in dat spel. Grunberg leeft zijn leven ‘als een experiment, omdat het dan iets kan opleveren voor het schrijven’. Alles staat in het teken van schrijven, van heel veel schrijven. En niets is daarbij veilig.

Zoals hoofdpersoon Robert G. Mehlman in de roman Fantoompijn zegt: ‘Ik ben hier om over je te schrijven, Rebecca. Dat is de waarheid. Ik vermoed dat er een verhaal in je zit en als er een verhaal in je zit, en als er geld in je zit, moet ik het eruit halen.’

Met dat geld zit het wel snor. Geen Nederlandse schrijver die op zo jonge leeftijd al zo vaak is bekroond als Arnon Grunberg. Over de met zowel de Gouden Uil als de Libris Literatuurprijs onderscheiden roman Tirza zegt uitgever Vic van der Reijt: ‘We waren bij de uitgeverij echt verpletterd toen dat binnenkwam.’

Volgens Van der Reijt komt het werk van Grunberg steeds verder van zijn eigen leven te staan en neemt hij minder snel zijn toevlucht tot de verdichting van zijn leven. ‘Stilistisch evenaart hij Reve en hij overtreft zelfs het wereldbeeld van Hermans.’ Grunberg wordt steeds meer verhalend, jubelt de kritiek. Als een van de weinigen plaatst Reinjan Mulder, destijds zijn redacteur bij De Geus, een kanttekening: ‘Tirza is misschien wel rijper, maar het mist het bruisende van Blauwe Maandagen.’

Is Arnon Grunberg niet meer zo’n pestkop? ‘Ach, dat pesten is een spel’, vindt Jan Ritsema. ‘Hij is eigenlijk een heel lief, zacht jongetje.’ Boudewijn Paans: ‘Weet je wat het is, hij is gewoon te goed en dat wordt verward met arrogantie. Als zijn dankwoord maar drie zinnen beslaat, heet hij ineens weer arrogant.’

Bij de stortvloed aan prijzen hoeft de concurrentie er niet op te rekenen dat Grunberg het kalmer aan gaat doen. Van de Reijt: ‘Mensen hebben geen idee hoe abnormaal zijn werkdrift is. Het eerste dat hij ’s morgens doet, is zijn computer aanzetten.’

Ritsema: ‘In zijn hoofd zitten altijd letters en woorden. Die moeten eruit! Bovendien: over schrijven zelf hoor je Arnon nooit klagen. Dat vindt hij veel te leuk. Dat is zijn alles.’

Meer over

Wilt u belangrijke informatie delen met de Volkskrant?

Tip hier onze journalisten


Op alle verhalen van de Volkskrant rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright @volkskrant.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden